Het gebied waar ik ben opgegroeid ligt genesteld tussen bossen. Je hoefde vanuit mijn ouderlijk huis nog geen tien minuten te lopen of je bevond je op een onverharde bosweg, ergens waar geen adressen of straatnamen bestaan, luisterend naar de vogels, fluisterende wind, krakend hout en de vele bewoners die ongezien maar niet ongehoord hun weg baanden over de bosvloer. Tegenwoordig bevind ik me met tien minuten lopen in het Oosterpark, waar mijn voeten niets dan asfalt en vuilnis treffen, en mijn oren gebukt gaan onder lelijke muziek uit slechte boxen.
De naam Holland komt waarschijnlijk voort uit ‘Holtland’, wat zoveel wil zeggen als bosland, of houtland. De regio was ooit zeer dik bebost, een lappendeken van water en woudgebied. In Julius Caesars Commentarii de bello Gallico wordt ons land voor het eerst de geschiedenis ingetrokken. De originele bewoners van de delta lieten geen schrift achter, dus wat wij van hen weten komt van de hand van Caesar. Hij omschrijft enkele stammen als de Menapii, Eburones en Ambivariti, namen die een tegenwoordige Nederlander niets zeggen, hoogstens een zacht gevoel van oorsprong doen oplaaien in de geïnformeerde historicus. Wat wel bekend voor zal komen is het bekende verhaal van de mens tegen het water. Het landschap was lastig bewoonbaar. Het water kwam en ging, en wie niet op de luttele hoogten die ons land telt woonde, viel ten prooi aan het tij. Plinius de Oudere zou het landschap van de latere Frisii als volgt beschrijven: ‘Met een ontzaglijke gang beweegt zich daar met tussenpozen van tweemaal alle dagen en nachten de uitstromende Oceaan over onmetelijke weidsheid, en bedekt wat een oeverloze discussie van de natuur is en (het blijft) twijfelachtig of het een deel van het land of van de zee is.’ Een land van eb en vloed, pro en contra, eigenlijk nooit beter beschreven dan een oeverloze discussie van de natuur.
Hoe sterk de argumenten ook mochten zijn, hoe grijpend ook de redevoeringen van het water, de mens heeft inmiddels een stugge repliek op weten te zetten. Wonend op palen en dijken, schuilend achter duinen, hebben we inmiddels een argumentatieschema aan sloten, beekjes, molens, pompgemalen, uiterwaarden en deltawerken opgezet waar de natuur nog een antwoord op heeft te formuleren. Voorlopig is ze behouden tot gefluister op de achtergrond, het gekibbel van het water dat te allen tijde nabij maar in de hand is. Hardop prevelend in zichzelf, uitpluizend hoe te reageren. We hebben in al die tijd nuttig gebruikgemaakt van de ruimte die we hebben gewonnen op het water. Veengrond werd bedekt met baksteen, moeras maakte baan voor wegen. Het kibbelen van het water raakte steeds moeilijker hoorbaar onder het zingen van de stad.
Aan dat zingen doen we natuurlijk mee. Het loeien van je koffiemachine, het gerinkel van een ketting die van het slot wordt gehaald, vloeken over straat spuwen naar een voetganger op het fietspad, zelfs het doorspoelen van je toilet maakt deel uit van het koor. Maar dat koor zingt hard, en het houdt nooit op. Er zijn momenten waarin de hele stad op het hoofd lijkt te drukken, het geblèr en het gelach zich zo diep in je hebben genesteld dat je tot op de botten trillerig bent, dat het onduidelijk wordt of je simpelweg mee doet aan dat zingen, of dat je inmiddels het zingen zèlf bent geworden.
In Amsterdam ontkom je niet aan het gezang, haast een overwinningskreet van deze stad die door zoveel ruwe handen uit drassige grond tot hoofdstad is gekneed. Het Hollandse lied is anders dan het lied van de Gelderse Vallei, waar ik opgroeide. De Utrechtse heuvelrug scheidt het gebied van het westen van het land, en de Veluwe aan de oostkant scheidt het weer van het verdere Oosten. De laagte tussen de twee bosrijke hoogten is een gebied dat zich grotendeels met zichzelf bezighoudt, ook al wordt het gedeeld door Noord-Holland, Utrecht en Gelderland.
Ook hier is water, ook hier hebben zich rampen voltrokken aan de hand van de oeverloze discussie. Het Valleikanaal, dat dwars door het gebied snijdt, voert water van de Nederrijn naar de randmeren, maar dat gaat allemaal erg rustig; er kanoën in de zomer gezinnen over het vlakke water. De omliggende weilanden liggen daar wel met een reden. Ze zijn deel van de Grebbelinie, en dienen geïnundeerd te worden als het land wordt binnengevallen. Zoals echter bleek in de Tweede Wereldoorlog is het doen overstromen van een gebied een verouderde tactiek in tijden van luchtvaart. Voorlopig niets nieuws in het Oosten. Barneveld komt mogelijk van een verbastering van het oudere bronveld, aan de hand van water wat daar door de druk van de heuvelrug en de Veluwe naar het oppervlak gestuwd werd.
Maar het verhaal van de vallei is ouder. Het begint met ijs, niet met water. Tonnen ijs, honderden meters dik, als de gigantische slof van een reus, schurend over de grond en daarmee stuwwallen opwerpend. De Veluwe en heuvelrug zijn de uiterste randen van gletsjergebied geweest, bespikkeld met gigantische rotsen die gigantische afstanden zijn meegenomen in de opmars van het ijs. De grote keien die langs de oude stadswallen van Amersfoort liggen zijn daaraan een testament, en hebben de stad de bijnaam ‘keienstad’ gegeven. Pas met de retraite en het smelten van dat ijs komt water in het spel, zachtjes wegsijpelend naar zee die almaar steeg, en zo een discussie kon beginnen met ons land. Voor alle geschiedenis die het water heeft weggespoeld is er hier een in het land geëtst. Het gebied ligt een stukje boven de zeespiegel, en heeft niet al te veel ervaring met watersnood. De laatste grote overstroming in Amersfoort vond plaats in 1916, en was eerder hinderlijk dan rampzalig te noemen. De laatste overstroming daarvóór gebeurde in 1702. Het water is er een onvermijdelijk deel van het landschap, maar er is minder discussie mee.
Er is een rust in de natuurgebieden van de Gelderse vallei die het gezang van de stad eventjes stil kan leggen. Er bestaan daar geen adressen, al woont er een hele hoop. En in de gemêleerde schaduw van een dikke eik voelt de lucht wat zachter aan. Als ik er met vrienden van vroeger ga wandelen, weten we ons te navigeren op begrippen als ‘de klimboom’ of ‘het meertje’, de adressen van een bosgebied. Die gaan niet uit van een geschiedenis van grote namen die in de vorm van een straat of plein herinnerd moeten worden. Dat verschil is misschien besloten in het verschil tussen een oeverloze discussie en een gesprek. De discussie is in Amsterdam nog elke dag voelbaar, in de Gelderse Vallei lijkt er met meer rust gesproken te worden.
Als je het centrum van Amersfoort van boven bekijkt, uitkijkend op de heuvelrug in het westen, lijkt de natuur langzaam de stad in te sijpelen, en vice versa. Geen van beide heeft echt een bovenhand, en landgoed Den Treek bij Leusden ligt binnen handbereik. Ik kan nauwelijks omschrijven hoe goed het kan voelen om zo nu en dan een omgevallen boom te zien. Vergeleken bij de bossen van mijn jeugd is het Amsterdamse ‘bos’ een bastaard, een verbastering van het begrip en een zwart schaap binnen de delers van die naam. Misschien ligt de oorsprong van dat verschil in iets heel ouds, in een klomp ijs dat ooit een afdruk achterliet in het landschap, en het water dat die afdruk daarna vulde, dat de geschiedenis van de mensen die er woonden grotendeels weg spoelde totdat het wegspoelen zèlf het grote verhaal werd.
Tekst Job Korten, beeld Winonah van den Bosch
