Een revolutie in het hoofd en het verlies van de goden

Een veranderende samenleving zorgt voor een veranderende geest. Het brein evolueert om beter met de transformatie van de wereld om te kunnen gaan. In The Origin of Consciousness in the Breakdown of the Bicameral Mind (1976) beargumenteert de Amerikaanse psycholoog Julian Jaynes dat de mens enkele duizenden jaren geleden een heel ander soort geest had en het bewustzijn toen nog helemaal niet bestond. Het bewustzijn van emoties en gedachten, tegelijk een vloek en een zege, was een mutatie van de hersenen om een complexer wordende wereld te begrijpen. Zal in het tijdperk van razendsnelle communicatie, sociale media en digitalisering opnieuw een revolutie in het hoofd worden ontketend?

Een godenkamer en een mensenkamer 

Julian Jaynes’ beroemde theorie over de bicameral mind (tweekamerige geest) stelt dat de mens vroeger geen bewustzijn had. Tot zo’n drieduizend jaar geleden was iedereen wat we heden ten dage ‘psychotisch’ noemen. Men werd geleid door stemmen in het hoofd, gedachten en emoties werden door externe entiteiten (dikwijls ‘goden’) ingegeven. In nieuwe of onverwachte situaties hallucineerde men een stem die advies gaf of commandeerde, beargumenteert Jaynes.

Wetenschappelijk wijdt Jaynes de afwezigheid van bewustzijn aan het feit dat eerder de twee hersenhelften in mindere mate met elkaar in verbinding stonden dan nu het geval is. De taalcentra in het brein, de gebieden van Wernicke en Broca, bevinden zich in de linkerhersenhelft. Bij de prehistorische mens was er daarnaast een taalgebied in de rechterhersenhelft, dat hallucinaties in de vorm van een stem voortbracht. Het meer afgezonderde functioneren van de twee hersenhelften zou ervoor hebben gezorgd dat de menselijke geest bestond uit een bevelende god en een volgzame mens. Er zou geen sprake zijn van introspectie of zelfbewustzijn van gedachten en gevoelens. Mensen schreven de stemmen in hun hoofd toe aan beelden van goden, die zij in hun huis of een tempel plaatsten, of zelfs aan lichamen van overleden personen, zoals voorouders. In deze vorm van religiositeit bestond er een groot scala aan goden, gezien iedereen zijn eigen godservaring had. Niettemin theoretiseert Jaynes dat de voortdurende, persoonlijk-mentale godservaring en de collectieve interpretaties die men eraan gaf, het spirituele leven van gemeenschappen van rond de In het tweede millennium voor Christus (2000 à 1000 jaar aleer Hij kwam) vond er een grote revolutie in het hoofd plaats. Deze periode wordt ook wel de ondergang van de late bronstijd genoemd. Vele beschavingen die zeer lange tijd hadden bestaan rond het Middellandse Zeegebied, raakten in verval, met massamigratie tot gevolg. Het werd cruciaal dat mensen die niet uit dezelfde cultuur kwamen of dezelfde taal spraken, konden communiceren over gemeenschappelijke ervaringen. De aanpassing van de geest aan de uitvergroting en toegenomen complexiteit van de sociale wereld, leidde volgens Jaynes tot het zelfbewustzijn; het vermogen om de innerlijke gevoelens en gedachten te beschouwen als ware ze van jezelf. Hiermee ontstond de introspectie en bijgevolg de persoonlijke verantwoordelijkheid. Met de vorming van het zelfbewustzijn verdwenen echter de goden uit het hoofd. Daarom ging de honderd mensen bepaalden.

De ineenstorting van de late bronstijd gepaard met de opkomst van de waarzeggerij, het bidden en het orakel – manieren om goddelijke leiding terug te vinden. Individuen die nog over een tweekamerige geest beschikten, werden tot profeten. Ook veranderingen in de aard van de literatuur weerspiegelen de overgang naar meer subjectieve, persoonlijke ervaringen en het verlies van goddelijke leiding, stelt Jaynes. Bepaalde teksten uit het Oude Testament, alsmede Homerus’ Ilias, geven geen blijk van introspectie bij de personages, die wel instructies ontvangen van goden of muzen. Het poëtische Bijbelboek Prediker, dat dateert van de derde eeuw voor Christus, bevat mijmerende, introspectieve elementen, waar het profetische boek Amos, dat waarschijnlijk uit de achtste eeuw voor Christus komt, een veel lijdzamere, goddelijke inslag heeft.

Postmoderniteit

Denkers als Fredric Jameson, David Harvey en Jean Baudrillard beargumenteren dat de hedendaagse mondialisering, door ontwikkelingen in de communicatie, de transport en de digitalisering, tot een extreem ingewikkelde werkelijkheid heeft geleid. Op het gebied van kunst, cultuur en politiek hebben er daarom veranderingen plaatsgevonden. Zo constateert Jameson dat postmoderne kunst, die wordt gekenmerkt door veelheid, verschillen en normloosheid, een manier is om de onbegrijpelijke chaos van het leven onder het complexe, verbonden systeem van het wereldwijde kapitalisme uit te drukken. In de politiek, en de algehele samenleving, leidt deze verandering tot het tanen van het idealistisch vooruitgangsdenken, zowel op rechts (de liberale utopie) als op links (de socialistische utopie). 

Het onvermogen om de totaliteit van geldstromen en machtsverhoudingen te bevatten, verbindt Jameson aan complottheorieën, die te beschouwen zijn als een poging om grip te krijgen op een systeem dat ons verstand overstijgt. Baudrillards simulacrumtheorie stelt zelfs dat men tegenwoordig in een heel ander soort realiteit (hyperrealiteit) leeft. Waar men vroeger zijn gedachten, gedragingen, algehele identiteit en verhouding tot de ander vormde aan de hand van categorieën als klasse, gemeenschap en nationaliteit, wordt deze vorming tegenwoordig meer en meer aangestuurd door simulaties van de werkelijkheid. Dit wil zeggen, beelden en gedragingen die model staan voor de werkelijkheid, maar een leven op zichzelf zijn gaan leiden; kopieën zonder origineel. Omdat de weergaven van de realiteit die deze modellen leveren als echter of boeiender worden ervaren, gaat men in deze ‘hyperrealiteit’ leven in plaats van de gewone werkelijkheid. Films, series, games, winkelcentra en pretparken verschaffen een ontsnapping uit de werkelijkheid en geven haar op een overzichtelijkere manier weer dan de geglobaliseerde wereld dat doet. 

De geschiedenis verwordt in de postmoderne wereld tot een museum van stille beelden, een soort reservoir waar alle momentum uit is verdwenen. Het cultuur- en medialandschap raakt meer en meer in de greep van nostalgie (of pastiche, in Jamesons theorie). Oude stijlen en indrukken van vroeger worden eindeloos gerecycled om gevoelens van overzichtelijkheid en houvast op te roepen. Het is moeilijker om zich het ontstaan van een nieuwe soort stroming voor te stellen als alles zich alleen maar tot vormen en beelden uit het verleden kan verhouden. Genres als ‘postpunk’ en ‘neonoir’ illustreren de tendens om zich enkel naar het verleden te kunnen vormen en niet naar het nu. 

Uiteraard zitten er allerlei haken en ogen aan de lastige theorieën van deze denkers. Met deze korte, ontoereikende samenvatting, waarin ik ideeën samenbreng die allicht niet zo verenigbaar zijn als ze lijken, doe ik hen geen recht aan. Wel kan deze beknopte duiding van de postmoderne tijd in verband gebracht worden met Jaynes’ historisch-psychologische theorie. Als de ingewikkelder wordende samenleving in het verleden heeft geresulteerd in de vorming van het zelfbewustzijn, welke verandering brengt de huidige complexiteit met zich mee? Enerzijds is de wereld dankzij mondialisering ingewikkelder dan ooit, anderzijds wordt de dagelijkse ervaring wellicht vereenvoudigd, of hoogst individueel, doordat men zich laat vormen door een gesimuleerde wereld van modellen en beelden. Er is reden om te denken dat het zelfbewustzijn van de mens een verdere ontwikkeling doorgaat door de toenemende ingewikkeldheid van de dagelijkse ervaring. Tegelijkertijd zou het ook kunnen dat het zich laten leiden door aftreksels van de werkelijkheid een uiting is van het feit dat het zelfbewustzijn een limiet heeft bereikt en terugverlangt naar overzichtelijke, gemeenschappelijke indrukken om zich naar te oriënteren. Bij een gebrek aan gemeenschap, zou de mens dan begonnen zijn de realiteit te negeren om alsnog deel te kunnen nemen aan een gezamenlijke leefwereld. 

Misschien dat deze vlucht uit de realiteit een terugslag zal krijgen wanneer de realiteit ons wakker schudt, bijvoorbeeld in de vorm van een wereldwijde crisis als een klimaatcatastrofe of oorlog. Misschien dat de gedeelde noodzaak om te overleven in het aangezicht van de ondergang, dan wel het uiteenvallen van grote staten tot kleine gemeenschappen, het zelfbewustzijn, het doorgeslagen subjectivisme, zal opheffen ten gunste van een geest die zich na duizenden jaren weer aan het hogere onderwerpt. Misschien vinden we de goden terug, of zij ons.

Tekst Riem Smakman, beeld Winonah van den Bosch

Plaats een reactie