Simon Sprietsma heeft het charisma en de humor van een garnaal. Op zich niets mis mee, als hij anderen er maar niet mee lastigvalt. Maar dat doet hij wel. Sprietsma begeeft zich namelijk niet in de marge, geïsoleerd in een doorzonwoning op IJburg. Als hoofdontwerper van de gemeente Amsterdam drukt hij al jarenlang zijn grijze, grauwe stempel op de stad. Onder zijn bewind veranderden het Stationsplein, Damrak en Rokin in een grote badkamer. Een badkamer zoals de gemiddelde vastgoedondernemer het maar al te graag ziet: volgeplempt met karakterloosheid. Zelf ziet de ontwerper het rooskleuriger in. Volgens hem resoneren de grijze stenen in de stad prachtig met de blauwe lucht.
Sprietsma houdt niet van graffiti, stickers of een fiets tegen de muur. En zelfs het bestaan van een doodgewoon bankje vormt in het universum van de ontwerper een duivels dilemma. ‘Sommige mensen willen erop zitten, maar ze kunnen overlast geven wanneer erop wordt geslapen of gedronken’, aldus de ambtenaar in het Parool.
Ik heb niets persoonlijks tegen Sprietsma, maar eerder iets tegen de Amsterdamse tijdgeest, die hij met vele anderen uitdraagt. De tijdgeest waarin alles wat riekt naar rommeligheid, alles wat afwijkt van de rechtlijnigheid dient te worden verbannen.
In 2019 werd het roemruchte ADM-terrein ontruimd, een plek waar zo’n honderd kunstenaars en vrijbuiters samenleefden. Een gedeelte van de bewoners kon naar een kavel aan de rand van Amsterdam-Noord, die vroeger dienst deed als collectieve strooiplaats voor de kak van Amsterdammers. En alsof deze symboliek niet al sterk genoeg was, deed de toenmalige wethouder van Financiën in Amsterdam, Udo Kock, er nog een schepje bovenop. De tijd van flierefluiterij was voorbij. Op de kakvelden golden normale regels voor normale mensen. Dat betekende: verboden open vuur te stoken en te zwemmen. Bovendien: om 22:00 uur moest het stil zijn. En als de krakertjes het maar niets vonden, dan gingen ze toch lekker naar Almere, aldus de wethouder.
Maar, als er één partij is die het daar goed zal treffen, dan is het de benepen ambtenarij van Amsterdam wel. Zoals Almere tot in detail is uitgetekend, met gescheiden busbanen en woon- en werkgebieden, zo omarmt ook de Stopera deze detaildrift steeds openlijker.
Laatst sprak ik met de eigenaar van een café bij mij in de buurt. Om het 25-jarige bestaan te vieren, wilde hij een feestje geven met een tent buiten. Op zich niet zo’n revolutionair idee, zou je zeggen. Wel als het aan de gemeente lag. De eigenaar gaf een inkijkje in de eindeloze vragenlijst, die reikte tot aan welk duurzaam schoonmaakmiddel na afloop werd gebruikt. Diezelfde gemeente is de strijd aangegaan met de wildgroei aan plantenbakken in Amsterdam. De maximale afmeting mag nog maar 50 bij 50 centimeter zijn en de initiatiefnemer is verplicht om zijn of haar bak schoon te houden van stickers en graffiti. Toen dit beleid de meeste bewoners toch wel iets te gortig werd, krabbelde de gemeente terug door zich alleen te richten tot ‘excessen’.
Maar juist in dat woordje schuilt het probleem: wat zijn ‘excessen’? Zolang een fiets buiten het rek wordt gezien als verstoring van de openbare orde, doet Amsterdam er goed aan haar wapenspreuk te veranderen naar ‘Rust, Reinheid en Regelmaat’.
Tekst Noam Grunfeld, beeld Lesine Möricke
