Tekst door Just Pallandt
De Noorse schrijver Carl Frode Tiller mailt dat hij tijdens ons interview in zijn houten hut zal zijn. Er zijn wat internetproblemen, maar die zijn hopelijk opgelost, schrijft hij. Een week later videobel ik hem. De laptop gaat zeven keer over. Vlak voordat ik er genoegen mee neem dat het interview niet doorgaat, verschijnt Tiller op mijn laptopscherm. Hij heeft een imposante, grijze baard, turquoise ogen en lang bruin haar met grijze trekken. De flinke wallen onder zijn ogen lijken haast littekens. De Noor draagt een vaal houthakkershemd met daaronder een zwart t-shirt.
Tiller is een romancier en bekend van de Omcirkeling-trilogie, in Nederland uitgegeven door Uitgeverij Oevers en vertaald door Kor de Vries. Zijn werk werd wereldwijd met superlatieven overladen en ook wordt hij weleens in verband gebracht met de Nobelprijs voor Literatuur. De trilogie draait om David, die zijn geheugen is verloren en in een krant kennissen en vrienden oproept om brieven aan hem te schrijven. De helft van de romanreeks bestaat uit deze brieven, de andere helft bestaat uit de belevenissen van de briefschrijvers. David is de hoofdpersoon zonder dat hij zelf het woord krijgt.
Tiller klinkt opgewekt en verontschuldigt zich bij aanvang voor zijn matige Engels, wat alleszins mee zal vallen, al komt hij af en toe niet op het precieze woord dat hij wil gebruiken. Gevraagd naar zijn werkritme komt hij met een gestructureerd regime op de proppen: wakker worden om half 7, drie uur schrijven zonder pauze, wandelen met de hond, dan nog twee of drie uur schrijven. ‘s Avonds de normale dingen, zoals Tiller dat noemt, en aantekeningen maken en de volgende werkdag voorbereiden. Weekenden heeft hij, vertelt hij lachend, en vakanties heeft hij ook, maar die vindt hij moeilijk. Als hij bezig is met een boek, zijn zijn gedachten voornamelijk bij dat boek. Zijn vrouw is daar niet al te blij mee. Deze zomer was Tiller met zijn gezin aan het interrailen en elke dag urenlang aan het werk op de hotelkamer.
Hoe ben je tot de bijzondere vorm van je roman gekomen, waarin brieven en scènes over de briefschrijvers elkaar afwisselen?
“Ik plan zelden iets, ik weet het niet meer. Het komt overeen met het thema identiteit dat in de boeken naar voren komt: de hele trilogie draait om hoe we tegen onszelf aankijken, hoe we onze eigen identiteit construeren en waarom we dat doen zoals we dat doen. Door de vorm leer je de personages in hun dagelijks leven én als briefschrijver kennen. Zo zie je hoe hun verleden het dagelijkse leven beïnvloedt maar ook hoe het dagelijkse leven hun blik op het verleden beïnvloedt. Het was een prettige vorm om over identiteit te schrijven.”
Tiller is behalve romancier ook historicus en muzikant. Hij maakte twee albums met een indieband. Zijn bandgenoten waren echte muzikanten, terwijl hij zelf vooral hield van het spelen van muziek, aldus Tiller. Op het podium staan vond hij niets en zijn doel was dan ook nooit om muzikant te worden. Tegen journalisten zegt Tiller dat ze niet moeten opschrijven dat hij een muzikant is. Dan maar een vraag over historici.

Op welke manier verschilt het schrijven van fictie met geschiedschrijving?
“Natuurlijk verschillen ze, maar voor mij liggen ze denk ik dichter bij elkaar dan voor de meeste andere schrijvers. Bij geschiedschrijving moet je dichter bij de waarheid blijven en je houden aan de strenge regels die voor historici gelden. Als schrijver kun je schrijven wat je wilt. Als student onderzocht ik orale geschiedenis door te kijken hoe arbeiders in mijn dorp hun identiteit vormgaven, hoe ze over zichzelf vertelden en waarom ze dat op die manier deden. Ik onderzocht welke politieke en economische krachten invloed op hun denken en vertellen hadden.
Later deed ik precies hetzelfde bij de Omcirkeling-trilogie, al had ik dat niet door totdat iemand me dat vertelde. Als geschiedenisstudent en schrijver deed ik heel erg hetzelfde. Ik ben wel veel liever schrijver dan historicus. Ik vond al die academische regels niet leuk en ik wilde een verhaal vertellen dat andere dingen kon zeggen, en ook om mezelf te uiten. Bij fictie moet je liegen om een ander perspectief op de waarheid te krijgen.”
In een eerder interview zei je dat fictie een belangrijke rol speelt in een democratische samenleving. Verandert de rol van fictie met populaire, populistische politici die de democratie niet altijd even hoog in het vaandel hebben?
“Alles wordt nu beschouwd als fictie, alles is een verhaal. Dat is denk ik verkeerd. Ik herinner me niet dat ik dat gezegd heb, maar ik ben het met mezelf eens. Als ik fictie schrijf, kan ik schrijven wat ik wil. Ik doe alsof ik iemand anders ben, wat me de mogelijkheid geeft om te schrijven wat ik anders niet kan schrijven, ook al meen ik het. Het geeft me de mogelijkheid om te zijn wie ik wil en te zeggen wat ik wil, omdat het fictie is. In een samenleving moeten deze stemmen gehoord worden die zonder fictie niet gehoord zouden worden.”
In een samenleving moeten de stemmen gehoord worden die zonder fictie niet gehoord zouden worden
In datzelfde interview vertelde je over je onzekerheid voor je eerste boek. Waar kwam dat vandaan?
“Ik kom uit een huis waar geen boeken waren. Toen ik klein was kwam ik erachter dat ik goed was in schrijven. Het verschafte me een gevoel van vrijheid. Als schrijver kon ik iedereen zijn. Ouders en docenten hadden tijdens het schrijven geen controle over me. Docenten werden gek van al dat schrijven. Op een gegeven moment heb ik een verhaal van honderd bladzijden geschreven. Ik schreef steeds meer. Mijn opa was een verhalenverteller en ik was op mijn tiende al een oude ziel. Ik wilde zijn verhalen opschrijven voordat hij overleed. Hij heeft me vijfhonderd kronen gegeven om zijn verhalen op te schrijven; dat boek heb ik nog steeds.”
Als je uit een huishouden zonder boeken komt, hoe kwam je dan aan lezen toe?
“Op school begon ik te lezen en kreeg ik het gevoel: op een dag schrijf ík die boeken. Ik was dol op Beatles van Lars Saabye Christensen, over vier jongens die van The Beatles houden en doen alsof ze hen zijn. Ik heb het wel zeven keer gelezen. Later op mijn zeventiende las ik Honger van Knut Hamsun (Noorse Nobelprijswinnaar, red.) en dat had een immens effect op me, emotioneel en als aanmoediging om te gaan schrijven. Het is een briljant boek. Mijn eerste roman is redelijk door hem beïnvloed.”
Tiller noemt ook een andere Noorse Nobelprijswinnaar als invloed: Jon Fosse, de laureaat uit 2023. In een aantal recensies wordt Tiller echter niet met Hamsun of Fosse vergeleken, maar met die andere Noorse gigant die wereldwijd gelezen en geprezen wordt: Karl Ove Knausgård. Knausgård vergaarde vooral bekendheid en lezers door zijn zesdelige, duizenden pagina’s tellende autobiografie, waarin alles uitvoerig beschreven wordt – van chocomelverpakking tot echtelijke ruzie.
Wat vind je van de vergelijking tussen jou en Knausgård?
“Ik weet niet waarom we vaak vergeleken worden, want ik denk dat we heel anders zijn. De reeks van Knausgård gaat over één man en is eenstemmig, omdat een man terugblikt op zijn leven. Omcirkeling is een polyfone roman. Ik schrijf ook niet over mijn eigen leven. Ik schrijf geen autofictie en dat heb ik ook nooit gedaan. Voor mij is het heel belangrijk om me voor te doen als andere mensen, om verschillende mensen in mezelf te vinden, die in een samenleving en cultuur te plaatsen en op te schrijven.”
“Alhoewel, in mijn laatste roman gebruik ik mijn eigen leven meer als materiaal. Ik begon kamers en huizen waarin ik heb gewoond te beschrijven en terwijl ik dat deed kwamen er natuurlijk herinneringen aan mensen en gebeurtenissen naar boven. Ik schreef over klasse en na een tijdje had ik door dat het ook veel over m’n ouders ging. Het is geen autofictie, maar ik gebruik wel het verhaal van m’n ouders om fictie te maken. Mijn vader was een Moskougezinde communist en mijn moeder kwam uit een streng religieuze familie. Deze cultuurclash wilde ik beschrijven. Het zegt ook wat over de Noorse geschiedenis. De beste manier om hierover te schrijven, was om eerlijk te zijn over het leven van mijn ouders. Al heb ik het aangevuld met een hoop leugens en verhalen.”
Tiller vertelt dat hij erg nerveus was om het aan zijn vader te laten lezen. Zijn moeder was al overleden. “Ik vroeg me af of hij zou reageren. Hij is een stille man en alles wat hij zei was: “oké”. Ik was blij dat hij niet boos was. Het is een typische reactie voor een man van zijn leeftijd en zijn cultuur, uit de stille, werkende klasse.”
Als de Noor aan het einde van het gesprek hoort dat het blad waarin het interview gepubliceerd wordt slechts een oplage van een paar honderd exemplaren heeft, deert dat hem niet. “Het is al geweldig om in Nederland uitgegeven te worden.”
