Tekst door Jiske Benedictus,
In het stedelijke Amsterdam zijn we, over het algemeen, niet zo bezig met waar ons voedsel vandaan komt. Onze verpieterde basilicumplantjes in de vensterbank zijn vaak het enige wat doet denken aan landbouw. Misschien is het tijd dat daar verandering in komt. Mede dankzij de voedselproductie holt de staat van de natuur immers achteruit en breken we elke maand weer alle warmterecords. Hoog tijd om aan onze voedselsystemen te gaan sleutelen – ook in Amsterdam, waar er gelukkig mensen zijn die alvast de eerste stappen hebben gezet.
Het was een restant van de constructie van de Noord-Zuidlijn, een elf meter diepe bouwput volgestort met zand, waar niemand naar omkeek. Niet bijzonder inspirerend, zou je zeggen. Maar voor Nancy Wiltink en Michel Olden, die vlakbij woonden, was het juist de kiem van een goed idee. Wat als ze daar eens een groentetuin begonnen?
Wiltink en Olden deden een opleiding tot biologisch tuinder en kregen negenhonderd vierkante meter grond van de gemeente. De opbrengsten van hun tuin verkochten ze in grote pakketten, acht euro per stuk. Maar al snel werd duidelijk dat mensen vooral zin hadden om zélf hun handen in de aarde te steken. ‘Het was midden in de coronapandemie,’ vertelt Wiltink. ‘Mensen zaten thuis en hadden behoefte aan buiten bezig zijn.’ En zo begon de Moestuinschool, waar nu ieder jaar veertig leerlingen starten om alles te leren over het telen van biologische groenten. De lessen starten in februari; de wereld mag er dan kaal uitzien, maar ook in de winter is er meer dan genoeg werk in de tuin.
Dat blijkt ook als ik op een zonnige middag aankom bij het terrein van de Stadsgroenteboer in de Lutkemeerpolder, aan de westrand van Amsterdam. Daar staan zeven mensen tot hun knieën in de aarde. ‘We zijn irrigatiegeulen aan het graven!’ roept Lies Slot, een stagiair. De Stadsgroenteboer is een CSA (Community Supported Agriculture)-bedrijf. ‘Dat betekent dat je je groenten niet op de markt verkoopt, maar direct aan een gemeenschap,’ legt Julia Crijnen, één van de eigenaren van de Stadsgroenteboer, uit. ‘Abonnees leggen zich aan het begin van het jaar vast en krijgen dan elke week een pakket.’
Die pakketten worden samengesteld met de oogsten van ongeveer achtduizend vierkante meter land, verspreid over twee locaties: één in de Tuinen van West, de ander in de Lutkemeerpolder. In het winterse zonlicht is het lastig je voor te stellen dat het hier straks vol zal staan met groenten, genoeg om komend jaar pakketten voor zo’n 250 mensen te vullen – het land is nog een beetje kaal, een beetje modderig. Maar de tuinders in hun modderige overalls graven onverstoord door; zij maken zich geen zorgen. Zij weten hoeveel potentie dat kale land heeft.
Veel opbrengst, weinig werk
Er is anno 2025 veel behoefte aan initiatieven zoals de Moestuinschool en de Stadsgroenteboer. De wereld gaat immers naar de gallemiezen, en onze voedselpatronen spelen daarin een grote rol. Grofweg twintig tot dertig procent van onze uitstoot van broeikasgassen wordt veroorzaakt door de landbouw. Bovendien raken onze bodems uitgeput en vervuild door alle voedingsstoffen die we eruit trekken, en alle troep die we erin stoppen.
Het huidige Nederlandse landbouwsysteem is het product van de naoorloogse periode. Met de hongerwinter nog vers in het geheugen was er maar één doel: zoveel en zo efficiënt mogelijk voedsel produceren. Om deze schaalvergroting te realiseren werd er geïnvesteerd in het gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en krachtvoer. En zo doen we het nog steeds, zegt Wiltink. ‘In Nederland werkt de gangbare landbouw met veel pesticiden en veel kunstmest. Dan lukt alles met weinig werk – met kunstmest kun je zelfs op glaswol telen. Alleen hebben die stoffen allerlei nadelen, voor de gezondheid én het milieu.’
Ook Crijnen ziet problemen met het huidige landbouwbeleid, hoewel ze hier wel anders naar kijkt sinds ze zelf in de landbouw is gaan werken. ‘Het is makkelijk om te oordelen over iets wat niet je eigen vak is. Boeren moeten soms ook gewoon afwegingen maken. Nu ik zelf het werk doe, voel ik daar meer respect voor.’ Maar ze benadrukt ook dat er grenzen zijn: ‘Ik ben geen voorstander van pesticiden, dat heeft heel lang nog schadelijke gevolgen, net als monoculturen en ploegen. Als we met zijn allen door willen op deze aarde, zullen we het roer om moeten gooien.’
Verstoorde kringlopen
Maar hoe dat omgooien er precies uit zou moeten zien, is een gigantisch vraagstuk. Veel mensen zien heil in de agro-ecologie: een vorm van landbouw die samenwerkt met ecosystemen, zodat de natuur geen slachtoffer wordt van onze voedselproductie, maar er juist baat bij heeft. Een goed voorbeeld is de circulaire landbouw. Circulaire landbouw draait om het creëren van een gesloten systeem: alles wat eruit gaat, zoals afvalstoffen en reststromen, moet er ook weer terug in. In de natuur is dat wel goed op orde, zegt Wiltink. ‘Als een vogel een besje eet van een struik en dat dan verder weer uitpoept, blijft het gewoon allemaal in die kringloop zitten. Dat zijn ecosystemen. Maar de mens probeert zich al eeuwenlang aan die ecosystemen te onttrekken.’
Die ecosystemen lenen zich immers niet zo goed voor grootschalige, hyper-efficiënte voedselproductie. Maar als wij dingen in de natuur gaan stoppen om de opbrengsten te vergroten, blijft er vervolgens van alles in de natuur hangen, volgens Wiltink. ‘We strooien kunstmest in natuurgebieden die daar nooit om hebben gevraagd, en daardoor heel eenzijdig worden. Voor maïs en bloemkool is die mest heel goed, maar voor bepaalde bijzondere planten niet. Zo verstoren we bestaande kringlopen.’ Bovendien putten we de bodems uit, doordat de juiste voedingsstoffen niet terug in de bodem worden gestopt. ‘Als je niet circulair werkt, maar lineair, raakt alles steeds op.’ We moeten dus op zoek naar een vorm van landbouw die de natuurlijke kringlopen weer kan herstellen. Maar zo makkelijk is dat nog niet, beaamt ook Crijnen. ‘Het idee van circulair werken spreekt ons heel erg aan, maar we zijn geen eilandje op zich; er zijn wel inputs. We kopen ook dingen in, zoals zaden, bij bedrijven waar wij achter staan.’ De Stadsgroenteboer blijft een bedrijf, zegt Crijnen. Er moet ook brood op de plank komen. ‘We zitten nou eenmaal in een samenleving. Als we hier geen geld zouden verdienen, was het zo klaar. Je moet voortdurend afwegingen maken.’
Een moestuin op de Dam
De afweging tussen geld of duurzaamheid lijkt in de gangbare landbouw in ieder geval bijna altijd dezelfde uitkomst te hebben: de grootschalige productie wint, ten koste van de natuur en ons welzijn. En dat terwijl ons eten juist zo belangrijk is. ‘Voedsel is de basis van alles,’ zegt Wiltink. ‘Je behoefte aan voedsel gaat bijna nog boven de behoefte aan een dak boven je hoofd.’ Toch geven Nederlanders relatief weinig geld uit aan voedsel – ongeveer tien procent van hun inkomen. Voedsel moet vooral snel, makkelijk en goedkoop zijn. ‘Het voedselbewustzijn in de stad wordt heel erg gestuurd door commerciële belangen,’ zegt Wiltink. Volgens haar heeft dit onze relatie met voedsel verstoord. ‘Je neemt voor lief dat iemand jouw voedsel verbouwt. Je hoeft niet na te denken over hoe je aan je eten moet komen: je weet dat het altijd in de supermarkt ligt. Maar wat voor mechanismen daarachter zitten om dat voedsel op tijd daar te krijgen, weten we helemaal niet meer.’
Je zou zo’n Moestuinschool eigenlijk op de Dam moeten hebben, of op het Museumplein. Dan zullen mensen zien: oh, maar zó groeien aardappels!
Crijnen sluit zich daarbij aan. ‘Ik denk dat we heel ver verwijderd staan van de oorsprong van ons voedsel. Ik bedoel, we eten sperziebonen die overgevlogen worden,’ zegt ze, een beetje ongelovig. ‘Is dat nou zo’n goed idee?! Áls je dat dan eet, zou het toch fijn zijn als je door hebt hoe speciaal het is. Hier ben je je heel erg bewust van de waarde van je voedsel, omdat je er zo hard voor werkt.’
Hoe kunnen we dat bewustzijn terugbrengen? Het zou goed zijn om zichtbaar te maken waar ons eten vandaan komt, stelt Wiltink, bijvoorbeeld met initiatieven als de Moestuinschool. ‘Je zou zo’n Moestuinschool eigenlijk op de Dam moeten hebben, of op het Museumplein. Dan zullen mensen zien: oh, maar zó groeien aardappels! Dít is ervoor nodig om een krop sla te krijgen! Die neem je in de supermarkt gewoon achteloos mee, maar die heeft dus een heel leven gehad voordat hij daar was.’
Bij de alumni van de Moestuinschool lijkt dat besef er al te zijn. ‘Er zijn mensen die na afloop zeggen: ik ga nooit meer naar de supermarkt!’ zegt Wiltink. Bovendien leren mensen hoe leuk en lonend het is om je eigen groenten te verbouwen. ‘Volgens mij doet het mensen goed om buiten te werken,’ zegt Crijnen. ‘Het brengt me veel positiviteit, om gezamenlijk iets fysieks te doen.’ Dat is ook te merken aan de sfeer bij de Stadsgroenteboer. Er wordt samengewerkt, veel gekletst. In een okergeel lemen huisje wordt elke dag een warme lunch gekookt, met zoveel mogelijk producten uit de eigen tuin, die de tuinders op zonnige dagen als vandaag buiten opeten. Er staat een klein briesje; we kijken uit over het land en de irrigatiegeulen in wording, de kassen van wit polyethyleen waar later dit jaar aubergines en tomaten zullen groeien. Het is lang niet genoeg om heel Amsterdam te voeden, maar dat hoeft ook niet; verandering kan heel klein beginnen. Waar Crijnen vroeger nog veel meer bezig was met het gehele voedselsysteem, zegt ze dat haar wereld nu veel kleiner is geworden. ‘Mijn perspectief ligt nu meer op de tuin. Ik zie gewoon hoeveel er is veranderd op ons stuk land in de afgelopen jaren. Je ziet het in hoeveel kruimiger de grond is geworden, hoeveel meer wormen er zijn. Je ziet verandering.’ De voedseltransitie hoeft dus niet groots te beginnen, zegt ook Wiltink. ‘Eén iemand kan al het verschil maken. Ik heb mijn hoop gevestigd op zogeheten pockets of change: kleine groepjes mensen die het anders willen doen. Zo’n pocket of change is een soort steen in de vijver: er staan allemaal kringen omheen van mensen die geïnspireerd worden om ook na te denken over hun voedselconsumptie.’ Het zou dus al een eerste goede stap zijn als we ons allemaal wat bewuster werden van de oorsprong van ons voedsel. ‘Als je iets koopt, vraag je dan gewoon iets meer af: waar komt het vandaan? Bedenk hoe bijzonder het is,’ zegt Crijnen. En voor wie wat meer wil doen: in Amsterdam zijn er meer dan genoeg initiatieven, zoals de Moestuinschool of de Stadsgroenteboer, die altijd op zoek zijn naar extra handen. ‘Bespaar je ook nog eens op de sportschool,’ concludeert Wiltink.
