Tekst door Teuntje Ott, beeld door Ines James
zou je me willen slijpen tot ik zo rond ben als een kwartje
dat blijft malen en dralen,
rol me van tafel.
geef me vele ogen om te zien wie ik ben zonder jou.
ik wil ook weleens woorden gooien die worden opgevangen zonder te
belanden in het hoekje van de kamer.
versta me.
vraag niet nog eens hoe het met me gaat,
je hebt me wel gehoord,
alleen niet echt
geluisterd.
voel me aan de kant geschoven alsof we
ondersteboven,
weinig
zicht,
verblindend.
je oogt zo doorzichtig,
toen ineens
gisteren;
prikte je me half leeg en het leek alsof je ging lachen,
je deed alsof het een grap was en ik een
wassen beeld,
je wilde me
kantelen
als een onder de bank belandde,
teruggevonden dobbelsteen waar je even mee mocht spelen tot ik je zal vervelen en je me stukje
bij
beetje
zal vergeten
als datzelfde weggestopte steentje dat we ooit vonden op het strand of ergens op een of andere romantische plek en hoe je beloofde het altijd bij je te houden,
zoals je ook beloofde
van mij te zullen blijven houden.
ik graaf
door merg en been, kijk
door al je maskers heen.
ik ben meer dan
ons twee
en weet dat ik zijdezachte klanken ken, bestemd voor zij
die willen luisteren.
de vijf zit in de klok, champagne slaat dood voor je thuis bent gekomen want
hebben we eigenlijk wel iets te vieren?
drie uur ’s nachts en ik wacht al niet meer, heb al bedacht dat
het anders moet
dus zes uur in de morgen
vertrek ik voorgoed naar een andere kant van mezelf
waar ik niet door de helft,
maar wordt opgeteld.
het duurde even,
maar ik ben eindelijk aan zet.
