Progressief traditionalisme: De Russische slavofilie in context

Tekst /// Edgar Alberts Beeld /// Fieke de Groot

Het ‘grootse’ nationale verleden. De oorspronkelijke volksaard. In Nederland kennen we het vooral uit reactionaire hoek: VOC-mentaliteiten en vlaggenschepen van renaissancevloots. Maar het kan ook anders. Laat me je introduceren aan de slavofilie: een Russische maatschappelijk-filosofische beweging van halverwege de negentiende eeuw, die het verleden inzette als wapen in de strijd tegen het repressieve heden, en als inspiratiebron voor de hoopvolle toekomst. 

In 1836 barstte de bom. In het tijdschrift Teleskop verscheen de Russische vertaling van een in 1829 in het Frans geschreven ‘filosofische brief’. De schrijver: Pjotr Tsjaadajev, filosoof, overtuigd katholiek en nu ook auteur van een van de meest controversiële Russischtalige documenten ooit. Heel intellectueel Rusland was in rep en roer. Hoe kon één enkele ‘filosofische brief’ zoveel stof doen opwaaien? 

In de brief bespreekt Tsjaadajev de betekenis van Rusland in geschiedfilosofisch opzicht. Zijn conclusie: Rusland is van geen enkele betekenis. Rusland staat buiten de geschiedenis, is een barbaarse uithoek die pas na Peter de Grote’s verwesterende modernisaties de eerste glimp van het licht der beschaving heeft opgevangen. Hij schrijft (vert. Sander Brouwer): ‘Alleen op de wereld, hebben wij de wereld niets gegeven, niets van de wereld genomen; we hebben geen enkel idee toegevoegd aan het geheel van menselijke ideeën; we hebben niets bijgedragen aan de vooruitgang van de menselijke geest, en alles wat ons ten deel is gevallen van die vooruitgang hebben we misvormd.’ Ruslands enige heil moet volgens Tsjaadajev gezocht worden in de navolging van het Westen, dat ‘in de kiem en in bepaalde delen alles heeft wat nodig is om [het koninkrijk Gods] op een dag definitief op aarde te vestigen.’

Zo’n polemische aanval op Rusland moest wel slecht vallen bij een volk dat zich erop roemde dat het als enige natie in staat was geweest de opmars van de ‘antichrist’ Napoleon tegen te houden. Bovendien druiste het lijnrecht in tegen de staatspropaganda van de toenmalige tsaar Nikolaas I. Al in de eerste dagen van diens regering had hij te maken gekregen met een samenzwering van onder andere door verlichtingsideeën geïnspireerde officieren (de ‘dekabristen’) – en zijn reactie was fel. Sommigen van de rebellen werden geëxecuteerd, velen verbannen en de geheime dienst draaide overuren. Op ideologisch vlak reageerde Nikolaas’ regering door het dekabristische gedachtegoed te bestempelen als een ‘infectie van buitenaf’: zulke verlichtingsideeën over constituties en parlementen zouden misschien in Europa populariteit genieten, maar Rusland is niet Europa, en Rusland moet geregeerd worden op basis van ‘orthodoxie, autocratie en nationaliteit’ (pravoslavije, samoderzjavije i narodnost). Dit tsaristische Rusland zou verheven zijn boven het afgedwaalde, verdorven Europa dat haar onvermijdelijke ondergang tegemoet zou gaan. Tsjaadajevs woorden staan hier natuurlijk lijnrecht tegenover. Hij werd officieel voor gek verklaard en de publicatie van Teleskop gediscontinueerd, maar de druk van de filosofische brief was nu al een voldongen feit: de geest was uit de fles, het tijdperk van de geschiedfilosofie in Rusland was ingeluid. 

In Rusland nam geschiedfilosofie bovenal de vorm aan van reflectie op de Russische identiteit: wie zijn wij als Russen? Wat is onze plaats in de geschiedenis en in de wereld?

Hoewel zijn filosofische brief er de directe aanleiding voor vormde, zou het overdreven zijn om de geboorte van de geschiedfilosofie in Rusland geheel aan Tsjaadajev toe te schrijven. In Duitsland was de geschiedfilosofie met het Duits-idealisme al tot volle bloei gekomen en de werken van filosofen als Kant, Hegel en Schelling waren uitstekend bekend en zeer geliefd bij de Russische intelligentsia. De gedachte dat volkeren een soort mega-individuen zijn met unieke karakters (Herder), dat de geschiedenis naar een bepaald doel toewerkt (Hegel) en dat sommige volkeren als koplopers van de mensheid een speciale taak kunnen hebben in dit geschiedproces (Fichte) was niet uniek Russisch, maar toentertijd min of meer filosofisch gemeengoed. 

In Rusland nam geschiedfilosofie bovenal de vorm aan van reflectie op de Russische identiteit: wie zijn wij als Russen? Wat is onze plaats in de geschiedenis en in de wereld? Het debat viel, onder de meer gematigde deelnemers, ruwweg uiteen in twee kampen: de ‘westerlingen’ (als voorbeeld waarvan Tsjaadajev zelf soms wordt opgevoerd) en de ‘slavofielen’. Het zijn die laatsten waaraan de rest van dit artikel is gewijd.

Terug naar de roots

Voordat ik uitvoerig inga op het eigenlijke onderwerp van dit artikel, wil ik een mogelijk misverstand voorkomen over het woord ‘slavofilie’. Het woord ontstond oorspronkelijk aan het begin van de negentiende eeuw in literaire discussies: ‘slavofiel’ was een bijnaam die modern gezinden gebruikten om hun tegenstanders, die zich bijvoorbeeld graag bedienden van het oudere Kerkslavisch, belachelijk te maken. Als iemand dus voor ‘slavofiel’ werd uitgemaakt, dan was dat om diegene te verwijten dat hij niet meeging met zijn tijd, dat hij ouderwets was. Die connotatie bleef doorwerken en in de verhitte geschiedfilosofische polemieken van de jaren 40 en 50 van de negentiende eeuw was ‘slavofiel’ dan ook in de eerste plaats een belediging. Alternatieve namen die de ronde deden waren ‘Moskouse partij’, ‘oosterlingen’ of ‘Russicisten’. Bij gebrek aan een betere benaming hebben de slavofielen het label uiteindelijk maar als geuzennaam aangenomen. Met ‘liefde voor Slavische volkeren’ heeft de slavofilie dus in de kern niet zoveel te maken.

De slavofielen waren diep ontevreden over de politieke, sociale en culturele staat van tsaristisch Rusland

Anders dan de westerlingen vormden de slavofielen een hechte club met (op hoofdpunten) een gezamenlijk programma. Enkele belangrijke namen zijn Joeri Samarin, Ivan Kirejevski en de gebroeders Aksakov. Maar de ziel van de beweging, de spil waar alles omheen draaide, was Aleksej Chomjakov, na wiens dood in 1860 het met de eigenlijke slavofilie ook al spoedig gedaan was. (Het is van belang om te vermelden dat een groot deel van dit artikel gebaseerd is op Chomjakovs standpunten; over de details zijn andere slavofielen het lang niet altijd met hem eens.) Het slavofiele programma hield heel grofweg het volgende in. De slavofielen waren diep ontevreden over de politieke, sociale en culturele staat van tsaristisch Rusland. Hun claim was dat de toenmalige erbarmelijke toestand het product was van eeuwenlange historisch-toevallige processen. Die waren al ingezet ten tijde van de Rjoerikdynastie (vanaf ca. 860 n.Chr.), maar zouden sinds Peter de Grote in een stroomversnelling zijn gekomen, met ambtelijk formalisme, maatschappelijke tweedeling en morele verloedering tot gevolg. De Slavische stammen die daarvóór het huidige Rusland bevolkten zouden echter goede beginselen in de volksaard vervat hebben liggen (ook al kwamen die niet altijd even goed tot uiting). Het zou voor de Russische maatschappij dus zaak zijn om terug te keren naar haar roots en de onder de tijd bedolven kiemen van goede beginselen met de kennis van nu te doen ontluiken. In de woorden van Konstantin Aksakov: ‘De slavofielen willen niet terug naar hoe het was, maar opnieuw vooruitgaan op de vroegere weg.’

Progressief traditionalisme

Teruggrijpen op traditie dus. Kán het conservatiever dan dat? Chomjakov noemt de slavofilie nota bene zelf ‘het enige ware conservatisme’. Het hoeft echter niet reactionair, of zelfs maar conservatief te zijn om inspiratie te putten uit het verleden: de renaissance was geen conservatieve beweging. Ook de slavofielen zijn, als puntje bij paaltje komt, verrassend progressief in hun traditionalisme. 

Het voornaamste verloren beginsel dat de slavofielen nieuw leven in willen blazen is sobornost (spreek uit: ‘sabòrnstj’). De term is berucht onvertaalbaar. Chomjakov zelf gebruikt het corresponderende bijvoeglijk naamwoord soborny aanvankelijk in kerkelijke context als vertaling voor het Griekse katholikos. Sobornost is voor Chomjakov de ‘eenheid in veelheid’, de ‘vrije eenheid van ziel’ die de (Russisch-)orthodoxe kerk zou typeren (in tegenstelling tot de dictatoriale dwang van de rooms-katholieke kerk of de anarchie die in de protestantse wereld zou heersen). Maar sobornost heeft ook een politiek-maatschappelijke dimensie: de slavofielen contrasteren het vaak met de atomistische, egoïstische, in het beste geval nog net niet vijandelijke berekenendheid van het Westen. Sobornost zou juist een liefdevolle, vrijwillige, maar volkomen vereniging van betrokken individuen in één geheel behelzen.

Een concrete manifestatie van het sobornostbeginsel is de selskaja obsjtsjina (met wat goede wil vertaalbaar als ‘dorpsgemeenschap’). Er is niet één uniform model van een obsjtsjina, maar in wezen gaat het om een type landbouwgemeenschap waarbij het land en het bestuur in handen zijn van het collectief. De slavofielen meenden dat de obsjtsjina, die zij zagen als hét Russische sociale fenomeen bij uitstek, een oplossing kon bieden voor de kwalen van het kapitalisme zoals zich dat toen in bijvoorbeeld Engeland had ontwikkeld. Een dergelijk systeem leidt volgens Chomjakov noodzakelijk tot een sociale tweedeling van de maatschappij in bourgeoisie en proletariaat, en zodoende tot klassenstrijd. Het gevolg is dat de bezitloze klasse op termijn tot wanhopige, gewelddadige revolutie zal worden gedreven, wat voor de gematigde, anti-revolutionaire slavofielen een doemscenario is. Maar armoede en sociale tweedeling zijn voor de slavofielen ook als zodanig intrinsieke kwaden. Een door de staat opgelegde herverdeling van geldelijke middelen door belastingen is wat Chomjakov betreft geen duurzame oplossing: de bezittende klasse krijgt daar niets voor terug en zal zich dus uit alle macht tegen zulke ingrepen verzetten. Het enige echt heilzame alternatief is de obsjtsjina, waarin de leden geen strijdende partijen zijn met conflicterende belangen, maar ‘kameraden’ die absoluut toegewijd zijn aan elkaar en de gemeenschap. Met hun pleidooi voor de obsjtsjina bepleiten de slavofielen dus een ingrijpende verandering die de maatschappij volgens hen rechtvaardiger zou maken, maar doen dat op basis van zaken die zij aan het traditionele Russische volksleven ontlenen. In het kader van het benadrukken van de niet-reactionaire aard van dit voorstel is het wellicht aardig om te vermelden dat de latere Marx niet geheel onsympathiek tegenover het idee van de obsjtsjina stond.

De slavofielen meenden dat de obsjtsjina, die zij zagen als hét Russische sociale fenomeen bij uitstek, een oplossing kon bieden voor de kwalen van het kapitalisme zoals zich dat toen in bijvoorbeeld Engeland had ontwikkeld

Vanaf het allereerste begin van hun beweging maakten de slavofielen zich hard voor de afschaffing van het lijfeigenschap (eeuwenlang bestond er in Rusland een kaste van met dwang aan stukken land gebonden ‘lijfeigenen’, die nagenoeg volledig onderworpen waren aan hun landheer). Al in 1839 noemde Chomjakov het lijfeigenschap een ‘schaamteloze vertrapping van alle rechten.’ (In het Russisch is hier sprake van een woordspeling: de term voor lijfeigenschap is krepostnoje pravo, letterlijk iets als ‘horigenrecht’ of ‘lijfeigenenrecht’.) Bovendien verdedigden de slavofielen publieke toegankelijkheid van onderwijs, beschikbaarheid van literatuur in minderheidstalen, decentralisatie (‘wat altijd ruïneus is voor de vrije ontwikkeling van het leven in al zijn aspecten’) en een matiging van de censuur ‘die in de buurt komt van totale vrijheid.’ Ze wilden af van berekenend formalisme in de wetgeving, die uitging van straffen en dreigementen, ten faveure van vertrouwen in het morele verantwoordelijkheidsgevoel van het volk, gestoeld op traditionele zeden en gewoonten. Ze stonden zo pal voor sociale gelijkheid dat ze de komst van een constitutie bestreden, alleen maar omdat dat de positie van de adel zou versterken. Overigens stonden ze in principe welwillend tegenover inperking van de absolutistische willekeur van de tsaar, zij het op basis van respect voor oude volksgebruiken, zij het via organen als de zemski sobor (een soort Staten-Generaal). 

De slavofielen stonden door hun relatieve liberalisme en oppositionele opvattingen constant onder verdenking en kwamen niet zelden in conflict met de machthebbers. Hun artikelen werden regelmatig door de censuur geweerd, hun tijdschriften verboden, hun brieven geïnspecteerd, hun carrière in staatsdienst onmogelijk gemaakt en verschillende leden werden gearresteerd en verhoord. Dit valt ten dele te wijten aan de misleidende term ‘slavofiel’: men vreesde dat de slavofielen een opstand van de Slavische volkeren onder het Oostenrijkse bewind beraamden, wat het Russische rijk internationaal in de problemen zou kunnen brengen. Maar ook het idee dat het verwesterde tsaristische regime van de Romanovs de culminatie zou zijn van een eeuwenlange pervertering van oorspronkelijke Russische beginselen vond het regime ronduit staatsgevaarlijk. Ook de Russisch-orthodoxe kerk moest maar niets hebben van Chomjakovs sobornostidee: men was bang dat de nadruk op het gemeenschapswezen zou kunnen leiden tot twijfel aan de autoriteit van de bestaande kerkelijke instituties.

Kanttekeningen

Al hun hervormingsgezindheid niettegenstaande, waren de slavofielen al met al – zeker bekeken door een hedendaagse lens – hopeloos conservatief. Chomjakovs duiding van ‘het vrouwenvraagstuk’ is dusdanig negentiende-eeuws dat een uitgebreide samenvatting hier achterwege kan blijven. Het moet ook benadrukt worden dat de slavofielen diepgelovige mensen waren. De Russische-orthodoxie was voor hen de absolute waarheid en een christelijke maatschappij met traditioneel-christelijke mores het ultieme sociaal-politieke doel. Het gezin speelt hierbij een sleutelrol (ik verwijs de lezer door naar Kevins opiniestuk in ditzelfde nummer). 

Een ander pijnpuntje is de slavofiele kijk op de tegenstelling tussen Rusland en het Westen. De slavofielen waren het Westen bij lange na niet zo vijandig gezind als de staatspropaganda, ze waren allemaal uitstekend thuis in de West-Europese geschiedenis, wetenschap en filosofie en hadden, ondanks hun kritiek, grote achting voor denkers als Kant en Hegel en schrijvers als Shakespeare en Dickens. (Met name Chomjakov had een extreme voorliefde voor Engeland.) ‘Exclusiviteit en vijandigheid jegens al wat buitenlands is’, verwierpen de slavofielen expliciet. Bovendien benadrukten ze vaak de rol van Rusland in de geschiedenis van de mensheid als geheel: de oorspronkelijke Russische beginselen overlappen met de universele christelijke waarheden, dus is het Ruslands roeping om de mensheid (Ruslands ‘westerse broeders’ incluis) als een lichtend voorbeeld de weg te wijzen naar haar ware toekomst. (Dit laatste klinkt tegenwoordig misschien heel patriottistisch, maar ik wil nogmaals benadrukken dat dit binnen een negentiende-eeuws geschiedfilosofisch paradigma geen extreem standpunt is. Sterker nog, het is niet eens per se een uniek slavofiel standpunt: Tsjaadajev, Herzen en Solovjov schrijven zeer vergelijkbare dingen over Ruslands rol als gidsland.) 

Anderzijds moet erkend worden dat de slavofielen het Westen inherent toekomstloze, dode beginselen toeschreven. Ook namen de verwijten richting de westerse filosofie, of ‘buitenlandse’ modes, instituties en gebruiken soms ronduit rancuneuze vormen aan. De slavofielen voelden zich door het Westen buitengesloten en geminacht, wat regelmatig leidde tot ietwat zure terzijdes. Ik kan niet nalaten op te merken dat dit niet geheel los staat van hedendaagse anti-Westerse sentimenten. In de relatief recent (2016) verschenen bloemlezing van werken van Chomjakov die ik voor me heb, heeft de redacteur het bijvoorbeeld nodig gevonden om Chomjakovs opmerking dat in toenmalige Europese tijdschriften veelal hatelijk over Rusland zou worden gesproken van de volgende noot te voorzien: ‘A.S. Chomjakovs observaties in relatie tot de afschildering van Rusland in de westerse pers moeten ook vandaag de dag door iedereen in overweging worden genomen, nu het steeds lastiger wordt om de informatieveiligheid van de Russische Federatie zeker te stellen.’

Men moet zich ervoor hoeden om de slavofielen af te schrijven als gevaarlijke proto-fascisten

Men moet zich er echter voor hoeden om de slavofielen daarom maar af te schrijven als gevaarlijke proto-fascisten. Enkele weken geleden woonde ik een (anders overigens interessante) lezing bij waar de spreekster de slavofielen duidde als een romantisch-nationalistische uitwas, van de herleving waarvan we nu helaas dagelijks getuigen zouden zijn. Ik hoop dat ik jou, lezer, ervan heb kunnen overtuigen dat de zaken er niet zo eenvoudig voor staan, dat de slavofielen geen vulgaire nationalisten of van niets dan vaderlandsliefde doordrongen patriotten waren, maar dat ze binnen een zeer bepaalde historische context het fascinerende schouwspel bieden van een paradoxaal progressief conservatisme dat niet bang is om in te druisen tegen de status quo. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s