Op een onbewoond verkeerseiland 

Tekst /// Laura Overheul Beeld /// Winonah van den Bosch

In een wereld met flink wat prestatiedruk, waarin alles alleen maar sneller, gestroomlijnder en efficiënter moet, heeft de dagdroom om gestrand te zijn op een afgelegen eiland voor velen wellicht enige aantrekkingskracht. Dit beschrijft J.G. Bellard in 1974 al in de introductie van zijn boek Concrete Island en ik denk dat we het met elkaar eens kunnen zijn dat de prestatiedruk en efficiëntienood in de afgelopen vijftig jaar niet minder zijn geworden. De aantrekkingskracht van een deadlineloos leven in de natuur of op een avontuurlijke vakantie bestaat nog steeds. Hoewel, misschien niet in de vorm waarin dat gepresenteerd wordt in deze roman. 

Na een ongeluk komt de rijke architect Robert Maitland met zijn dure sportauto terecht op een kaal stuk land tussen omliggende snelwegviaducten. Ondanks dat hij omringd is door mensen schiet niemand hem te hulp. Iedereen beweegt zich met behoorlijke snelheid langs hem heen en lijkt tijd of aandacht te hebben voor de gestrande architect aan de kant van de weg. Je zou het een serieus geval van omstandereffect kunnen noemen, waarbij omstanders geen hulp bieden door de aanname dat iemand anders het wel doet. Hierdoor moet hij op een soort Robinson Crusoe-eske manier gaan overleven op een ‘eiland’, dit keer echter niet op een afgelegen eiland in het midden van de oceaan, maar een betonnen eiland te midden van een oceaan aan mensen die hem omringen in hoge flatgebouwen of auto’s.

Later vraagt hij zich af: heeft hij zichzelf niet expres laten stranden op het verkeerseiland?

Later blijkt het ‘eiland’ toch bewoond te zijn door een jonge sekswerker en een acrobaat die hersenschade opliep bij een ongeluk. Het conflict dat voortkomt uit Maitlands plotselinge verstoring van hun afgelegen leven zet hem aan het denken. Maitland is wanhopig om terug te keren naar zijn leven, naar zijn vrouw en kinderen, zijn minnares, zijn bedrijf en al met al: terug naar de beschaving. Hij verzint meerdere manieren om de aandacht te trekken van zijn voorbij scheurende medemensen, hij zet zelfs zijn auto in brand als noodsignaal, maar niks lijkt te helpen. Hij wordt ook niet als vermist opgegeven: zijn minnares en vrouw zijn zich bewust van elkaars bestaan, waardoor zijn minnares vermoedelijk denkt dat hij bij zijn vrouw is, terwijl zijn vrouw denkt dat hij bij zijn minnares is. 

Later vraagt hij zich af: heeft hij zichzelf niet expres laten stranden op het verkeerseiland? Hij denkt terug aan het moment direct na zijn ongeval, toen hij weigerde een tunnel door te lopen voor een noodtelefoon, en toen hij zijn poging tot hulp vragen opgaf zodra het spitsverkeer niet meteen voor hem stopte. Hij zegt: ‘these last four days have been strange like visiting an insane asylum and seeing yourself sitting on a bench’. Hij realiseert zich dat zijn ongeluk hem een welkome onderbreking van zijn drukke zakenleven heeft bezorgd. Daarnaast erkent hij dat hij zich zijn hele leven al op een soort eiland bevindt, waar hij eigenlijk alles wat hij doet, doet voor uiterlijke schijn en aanzien. Daarnaast heeft hij een doorbraak in de zin dat hij doorheeft dat de mensen die uiteindelijk zijn leven redden, mensen zijn op wie hij in zijn dagelijks leven waarschijnlijk neergekeken zou hebben. 

Het verkeerseiland als non-place

Wat dit verhaal ons te zeggen heeft, lijkt vooral te zijn dat men te veel bezig is met bewegen: doordat alle omstanders van het ongeluk alleen bezig zijn met vooruitgaan en wegkomen wordt Maitland niet geholpen. Dit komt ook omdat hij plots strandt op een plek die juist getypeerd wordt door zo snel mogelijke voortgang: snelwegen zijn nou eenmaal niet de plaats om stil te gaan staan. Men zou zelfs kunnen beargumenteren dat we snelwegen niet kunnen typeren als plekken: ze zijn slechts connecties tussen plekken. Tim Cresswell zegt in zijn boek Place dat zulke snelle connecties ertoe leiden dat plekken hun betekenis verliezen. Plekken krijgen betekenis door onze connecties met die plekken, maar deze connecties verdunnen door hoe sterk snelwegen onze mobiliteit vergroten. Mobiliteit en massacultuur zorgen ervoor dat plekken minder authentiek worden oftewel: alles gaat op elkaar lijken. 

Een plek die juist gemaakt is voor doorstroming en beweging wordt een plek van stilstaan en nadenken.

Hierdoor ontstaan wat Cresswell non-places noemt. Deze plekken zijn ‘vluchtig, tijdelijk en kortstondig’, zoals supermarkten, vliegvelden, maar ook snelwegen. Space, of ‘ruimte’ wordt normaal place, of ‘plek’, als er betekenis aan wordt toegevoegd door mensen, bijvoorbeeld door (collectief) geheugen. Bij non-places gebeurt dit normaal gesproken niet. Deze plekken zijn universeel, in de zin dat ze er overal ter wereld ongeveer hetzelfde uitzien. Een vliegveld aan de ene kant van de wereld zal uiterlijk gezien niet essentieel verschillen van een vliegveld aan de andere kant. Ook qua functie zullen ze elkaar niet veel ontlopen: beiden vliegvelden zijn niet gemaakt als plek om te verblijven, maar puur als plek om op een andere plek te komen. Hij noemt ook McDonald’s-filialen en Disney pretparken als voorbeelden: deze worden specifiek gemaakt met de intentie er overal hetzelfde uit te zien, zonder individuele aspecten die ze van een ruimte tot een plek zouden kunnen maken. Het is een voorwaarde voor een place dat er mensen zijn die er emotionele waarde aan hechten. Nu zullen sommigen best emotionele waarde hechten aan een McDonald’s, maar men zal er geen gevoel van ‘thuis’ ervaren. Dit is duidelijker bij plekken die draaien om beweging: vliegvelden en snelwegen zijn ‘locaties’ die puur bestaan om er doorheen te bewegen. Een betonnen eiland onder een viaduct zal zeker geen plek zijn waar mensen emotionele banden of herinneringen aan hebben. 

Ballard prikt de bubbel als het ware kapot. De niet-plek die symbool zou moeten staan voor het verlies van betekenis van plekken, wordt ineens belangrijk voor Maitland. Hij wordt gedwongen er een week door te brengen en te overleven. Een plek die juist gemaakt is voor doorstroming en beweging wordt een plek van stilstaan en nadenken. Hij wordt geconfronteerd met hoe onbelangrijk hij lijkt te zijn voor zijn omgeving: zowel voor de omstanders wiens aandacht hij maar niet kan trekken, als zijn naasten die er maar vanuit gaan dat hij bij iemand anders is, omdat hij zelf ook met zijn naasten omgaat alsof ze inwisselbaar zijn. Hij lijkt echter zijn lesje niet te leren. Zijn doel wordt langzaamaan om zijn dominantie te vestigen over het eiland, en hij is pas tevreden als hij alleen is en kan genieten van zijn eenzaamheid. Hij krijgt de kans om van het verkeerseiland af te komen maar slaat deze af. Hij schept dus een place door een non-place zijn thuis te maken. Enerzijds versterkt de absurditeit van de situatie het argument voor de snelweg en zijn omgeving als een non-place; mocht iemand zich überhaupt willen vestigen op zo’n plek, zou dat niet mogelijk zijn. Anderzijds laat het de opluchting van Maitland zien omdat hij eindelijk – al is het tijdelijk – kan ontsnappen aan een bestaan dat draait om beweging en vooruitgang. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s