In de media is de afgelopen jaren geregeld het idee geventileerd dat de Nederlander te weinig werkt. Hij zou lui en verwend en te veel met zichzelf bezig zijn. Een jaar geleden noemde Jona van Loenen de zogenaamde hardwerkende Nederlander niets meer dan ‘een deeltijdprins of -prinsesje in een parttime paradijs’. En afgelopen februari adviseerde Peter Kanne, in een Volkskrant-interview met Wilma de Rek, twintigers en dertigers wat ‘minder flauwekuldingen te doen en een half dagje meer te werken’. In zijn boek Lang zal ik lekker leven (2026) beschrijft Kanne de Nederlander als een genotzuchtige individualist die achterop raakt en niet op crisis is voorbereid. Het ontbreekt Peter Kanne, en andere pleiters voor de volksvlijt, aan inzicht in hoezeer de Nederlander van de samenleving vervreemd is.
Het is niet de eerste keer in de vaderlandse geschiedenis dat men zich druk maakt om de arbeidsethiek van de Nederlander. In 1851 bezocht de Amsterdamse arts en strijder voor het volk Samuel Sarphati (1813-1866) de Great Exhibition in Londen. Hij was erg onder de indruk van de industriële vooruitgang van het Victoriaanse Engeland en constateerde dat Nederland in zijn ontwikkeling achterliep. Ter bevordering en viering van de Nederlandse industrie en het harde werk dat nodig was om deze aan te zwengelen, vormde Sarphati het idee om een prachtig, permanent tentoonstellingsgebouw in Amsterdam te laten bouwen. Het Paleis voor Volksvlijt, gebaseerd op het Crystal Palace dat speciaal voor de Great Exhibition was gebouwd, opende zijn deuren in 1864. Het beeldschone paviljoen van glas bevond zich op het Frederiksplein, vlak voor waar nu het gebouw van de Nederlandsche Bank staat, dat met zijn hoekige, ontoegankelijke, glazen uitstraling het Paleis voor Volksvlijt op een perverse manier lijkt te parodiëren.
In 1929 brandde het Paleis voor Volksvlijt af. Waar het Paleis zelf een toonbeeld voor de gemeenschappelijke ijver van het Nederlandse volk was geweest, was diens vernietiging niet minder symbolisch. 1929 was namelijk ook het jaar waarin een rampzalige, wereldwijde economische crisis begon, in het kielzog waarvan zich een nieuw soort denken ontwikkelde, dat het gezond houden van de wereldeconomie als een heilig principe beschouwde. Het neoliberalisme werd een denkwijze die de internationale vrijhandel wil waarborgen door de macht van afzonderlijke staten zoveel mogelijk in te perken.
In In the Ruins of Neoliberalism (2019) schrijft filosoof Wendy Brown dat, op maatschappelijk niveau, het neoliberalisme de sociale sfeer wil afbreken. Ze toont dat de theoretici van het neoliberalisme de samenleving als een illusie zagen, een gevaarlijk concept dat de vrijheid van mensen van bovenaf belemmert. Wat hen betreft, is er geen sociale ruimte waarin mensen met verschillende opvattingen en achtergronden zich tot elkaar moeten verhouden en moeten zien samen te werken. De mens is homo oeconomicus en zijn optimale leefwereld is de vrije markt. Het voornaamste doel van de neoliberale politiek houdt dan ook in dat ze de juiste omstandigheden voor de vrije markt in stand houdt.
Daarnaast bevat het neoliberalisme ook een moreel project; de ontwerpers van het neoliberalisme geloofden dat de mens een verzameling waarden moest worden bijgebracht die aansloot bij het goed functioneren van de vrije markt. Dit gaat om traditionele denkbeelden, zoals werkethiek, maar ook om het normaliseren van kapitaalbezit en armoede. Michel Foucault sprak reeds in 1979 over de manier waarop het neoliberalisme zich manifesteert in het dagelijks leven. Zo identificeert hij de neiging om het marktprincipe, het principe van vraag en aanbod, toe te passen op zaken die niet met de economie te maken hebben. Het krijgen van een kind, geeft Foucault als voorbeeld, wordt in het neoliberale denkkader begrepen als een psychologische en economische investering; het kind is een vorm van kapitaal, dat zich op economische wijze terugbetaalt met zijn inkomen als hij eenmaal volwassen is en op psychologische wijze met de voldoening van de ouder die zorg geeft en het kind met succes ziet opgroeien.
Sinds de laatste paar decennia van de twintigste eeuw – en de eerste twee van de eenentwintigste – heeft het neoliberalisme meer en meer aan terrein gewonnen ten opzichte van sociaaldemocratisch en ideologisch gedachtegoed. Het uitkleden van de sociale ruimte en het alomtegenwoordige marktdenken hebben zich in de Nederlandse samenleving dan ook sterk blootgelegd. Op zorg en gemeenschap wordt bezuinigd, grootkapitaal wordt zoveel mogelijk de vrije loop gelaten en maatregelen die welvaartsongelijkheid tegengaan, worden afgehouden. Het Nederlandse individu heeft zich, parallel aan zijn milieu, tot egoïst en marktdenker ontwikkeld. Zijn moraal is die van de markt.
Neoliberale hervormingen sinds de jaren ’70 en ’80 hebben een grote rol gespeeld bij wat ‘postpolitiek’ of ‘postideologie’ is geheten. De bevolking is gereduceerd tot consumentenmassa, is onderhevig aan technocratie (bestuur vanuit wetenschap en expertise in plaats van ideologie), houdt zich niet meer bezig met sociale vraagstukken en is niet politiek betrokken. Zij is hoogst geïndividualiseerd, heeft meer keuzevrijheid dan ooit, maar is tegelijkertijd ongekend kwetsbaar voor manipulatie met politieke of economische doeleinden.
Kapitalisme met kapitalisme bestrijden
Peter Kanne is deels op de hoogte van deze ontwikkelingen. Zo noemt hij dat de Nederlander ‘aan het infuus van de markt ligt’ en dat het systeem het consumentisme en de genotzucht aandrijft. Niettemin lijkt hij een cruciale denkstap niet te willen maken. De invloed van het neoliberalisme in acht nemend, is het niet moeilijk te begrijpen waarom twintigers en dertigers geen zin hebben om een half dagje meer te werken en minder onzindingen te doen om de Nederlandse samenleving te redden. De samenleving is in hun ogen gedevalueerd, dus waarom zouden ze zich voor haar inzetten? De Nederlander is zo geconditioneerd om als individu te denken, dat hij een bijdrage aan het collectief niet als een goede investering beschouwt. De politiek, die door de jaren heen steevast op zorg heeft bezuinigd en huisvesting en transport heeft geprivatiseerd, reflecteert en bevestigt deze denkwijze. Door gebrek aan sociaal en consumentisme-inperkend beleid, kan gemeenschapsdenken geen voet aan de grond krijgen.
Wanneer interviewer De Rek in De Volkskrant oppert dat de Nederlander zijn levenswijze zou kunnen aanpassen aan minder groei, antwoordt Kanne dat mensen niet kúnnen minderen, dus moeten ze gewoon wat meer aan de bak. Het nihilisme druipt ervan af . Kanne lijkt niet in verandering te geloven; we moeten ‘gewoon’ harder doorgaan met waar we al mee bezig waren. Keihard richting de afgrond, overigens, want de aankomende crises waar Kanne het graag over heeft, zoals klimaatverandering en oorlog, zijn niet los te denken van de focus op eindeloze groei die in het kapitalisme zit ingebakken.
Aan het slot van zijn boek poneert Kanne dat we, waar mogelijk, als individuen tegen het systeem moeten opstaan, want ‘systemen werken niet, mensen werken’. In het Volkskrant-interview zegt hij: ‘Denk na en handel, dat is eigenlijk mijn boodschap.’ Hiermee schetst hij een tegenstrijdig beeld van de Nederlander, die niet in staat zou zijn om minder te consumeren, maar wel bij machte is om in zijn eentje op te staan tegen een systeem dat lui en afhankelijk maakt. Hoewel zijn analyse goed bedoeld is en ook zeker nuance bevat, draagt Kanne, met zijn nukkige aansporing om meer te gaan werken en zijn focus op individuele invloed, bij aan een mentaliteit die de stand van zaken die hij hekelt juist voedt. Het systeem zal het individu blijven manipuleren en vormen tot consument, tenzij het individu zich tot gemeenschap verheft. Willen we nog iets meer meegaan in de filosofie van Foucault, dan is te stellen dat Kanne, opiniepeiler van beroep, met zijn focus op cijfers en statistiek meewerkt aan de technocratie; het in kaart brengen en controleren van de bevolking, in plaats van haar betrokkenheid te stimuleren.
Zoals vroeger het Paleis voor Volksvlijt de collectieve inzet van de Nederlanders tentoonstelde, zo hebben we nu ook behoefte aan een gezamenlijk perspectief, aan een manier waarop we over werkelijke verandering kunnen fantaseren. Het is hiervoor van belang om het probleem bij de kern aan te pakken en niet stug door te gaan met waarmee we al bezig waren. Een betoog als dat van Kanne, dat ons waarschuwt voor crisis en aanspoort om het kapitalistische, individualistische draaiorgel hard aan te zwengelen om deze te voorkomen, leidt af van de vragen die werkelijk aan de orde zijn. Hoe creëren we een samenleving waar men zich voor in zou willen zetten wanneer het crisis is, ook wanneer deze inzet niet persoonlijk winstgevend is? Hoe kunnen we gezamenlijk en doelbewust naar de toekomst toewerken in plaats van blind richting het ravijn te sjezen?
Bronnen
Brown, W. (2019). In the Ruins of Neoliberalism: The Rise of Antidemocratic Politics in the West. Columbia University Press.
Foucault, M. (2013). De geboorte van de biopolitiek (J. Holierhoek, Vert.). Boom. (Origineel werk gepubliceerd in 2004)
Kanne, P. (2026). Lang zal ik lekker leven. Meulenhoff.
Slobodian, Q. (2018). Globalists: The End of Empire and the Birth of Neoliberalism. Harvard University Press.
Tekst Riem Smakman, beeld Bert Slenders
