10 oktober, 1789. Joseph-Ignace Guillotin krijgt het woord in de senaat, en de dood is aan de orde. Guillotin beargumenteert dat het tot dan toe gebruikte systeem van executie hopeloos verouderd is’. Met een pleidooi aan de Kamer stelt hij dat de gelijkheid ook in de dood tot pijler gemaakt moet worden.
De jonge Joseph-Ignace
Bij het radbraken wordt een man aan een wiel gebonden, een beul slaat met een hamer in op de tussen de spaken gebonden ledematen. Nadat de scheenbenen, onderarmen, bovenarmen en dijbenen in voldoende mate zijn verbrijzeld, kan de beul besluiten de gefolterde een ‘genadeslag’ toe te dienen. Deze wordt dan naar gebruik hard aangebracht worden op de ribbenkast, net boven het hart. Veel levens zijn op het rad beëindigd, eentje is er mee begonnen.
Joseph-Ignace Guillotin werd te vroeg geboren in Saintes, op 28 Mei 1738. De rust in het rustieke dorp ten noorden van Bordeaux zou, volgens een familievertelling, doorbroken zijn door het gekrijs van een man die geradbraakt werd. Hiervan zou madame Guillotin dermate geschrokken zijn dat de jonge Joseph-Ignace voortijdig de wereld in moest worden gebracht. Vanaf het prilste begin, nog voor hij klaar was om geboren te worden, leek de dood al zijn zeggenschap over het leven van de jonge Joseph-Ignace te benadrukken.
Het jongetje dat hij de wereld in had geholpen, met zijn donkere ogen en zijn donkere haar, zou enorm slim blijken. Maar zoals het de vloek is van jongeren om zich onsterfelijk te wanen, de lichtste jaren door te snellen zonder er erg in te hebben, zou de dood nog even op de jonge Joseph-Ignace moeten wachten. Zijn aandacht was elders gevestigd. Eerst kwamen de zaken van de geest aan bod. De zakenmannen van de geest, in de vorm van de jezuïeten, onderwezen hem in Bordeaux, waar hij zijn studie voltooide in 1761. Onder de indruk van zijn intellect vroegen de onderwijzers Gods hem te komen doceren, om zijn kennis in dienst van anderen in te zetten. De geschiedenis geeft aan dat hij dat ook zou gaan doen, maar niet zoals de jezuïeten het zich hadden voorgesteld.
Misschien was er in een van de studiezalen, onder de hangende gewelven van de universiteit en de hangende gezichten van zijn onderwijzers, een stilte gevallen waarin Guillotin een nawee kon horen van de geradbraakte man die zijn verloskundige was. Misschien voelde hij iets dat nog onbepaald was, iets dat tussen de dag van zijn geboorte en een onbekende horizon voorbij de heuvel die ‘morgen’ heet, dat de schimmige contouren van een lotsbestemming begon aan te nemen. Misschien was Joseph-Ignace zich ervan bewust dat er als arts in de hoofdstad meer geld en aanzien voor hem zou zijn dan als onderwijzer in Bordeaux. Geld en aanzien: noem een knapper koppel. Hoe dan ook, Guillotin, op de rand van wasdom met een pruik op zijn hoofd en lef in zijn ogen, trok naar Parijs, waar hij in de leer ging bij de arts Antoine Petit. Nog voor het einde van het decennium, in 1768, had Guillotin in dit vakgebied een diploma en in 1770 was hij als docteur régent actiefin de geneeskunde. Ter verheldering: geneeskunde was destijds eerder een filosofische dan een klinische aangelegenheid. Het overschot van medische kennis en kunde werd afgeleid van Claudius Galenus, een arts-filosoof die revolutionair was voor zijn tijd, maar zijn tijd was de tweede eeuw na Christus. Je kent Galenus misschien van zijn vier humores: de lichaamssappen slijm, bloed, gele gal en zwarte gal. Galenus heeft het liefst dat je deze vier in balans houdt, want dat zou goed voor je zijn. En in het kort wist de geneeskunde zich hiermee de volgende 1500 jaar na Galenus zoet te houden, bijna precies tot de tijd van onze docteur régent.
Nu staat Guillotin normaal te boek als traditionalist. Hoewel de klassieke geneeskunde aan de hand van Galenus steeds meer bevraagd werd, stelde Guillotin zich in het algemeen vertwijfeld op. Toch bleek hij niet helemaal vast in zijn overtuigingen. Een van de grote sceptici van de heersende medische mores was de filosoof Denis Diderot. Diderot ageerde al een tijd tegen het theoretische karakter van de geneeskunde. Zijn opvatting dat de ware geneeskunde en kennis in het algemeen zintuiglijk en door middel van experimentatie bereikt moesten worden, was met zekerheid een punt van gesprek in het Parijs waar Guillotin intrede deed. Misschien dat een eigen interpretatie van deze nieuwe mode hem ertoe zette om, in een memorandum betreffende hondsdolheid, te bepleiten dat er beter aan gedaan werd om terdoodveroordeelden bloot te stellen aan medische proeven dan aan marteling. Een wreed voorstel, zoveel gaf Guillotin zelf ook toe, maar toch heel wat lichter dan het radbraken, en een stuk minder dodelijk. In de context van de tijd was Guillotins pleidooi vrij progressief: waarom nodeloos leed en dood veroorzaken als er met de straf ook een medische vooruitgang geboekt kon worden? Helaas vond het pleidooi niet veel welwillende oren. Het rad draaide voorlopig door, en de ‘straf’ hing nog altijd zwaar aan de doodstraf.
Over petities, memoranda en de doodstraf
Het Parijs van Guillotin was een vuile plek. Er waren tal van ziekenhuizen, nagenoeg allemaal opgericht via de kerk. Les Invalides specialiseerde zich in de verzorging van ex-soldaten, Les enfants Trouvées in de verzorging van wezen en La Salpêtrie was een soort gevangenis annex ziekenhuis voor vrouwen, met name vrouwen in de prostitutie. En zo nog vele andere voorbeelden. De ziekenhuizen waren vaak overvol, vuil en eerder begaan met spirituele dan medische hulp. De stad haastte zich gedurende de 18e eeuw van 500.000 naar 650.000 inwoners, waarvan een groot deel straatarm. Ter verheldering: in 1791 werd er in een census geschat dat grofweg een zesde van de bevolking van de stad arm of behoeftig was. De stad had, kort gezegd, groeipijn. De bevolking groeide sneller dan de voorzieningen, de stad werd uiteengereten door enerzijds de ambitie de leidende wereldstad te zijn, anderzijds het gebrek aan kennis hoe die ambitie te vervullen. En door de scheuren vielen de zieken in bosjes. Guillotin werd ingesteld als inspecteur van het grootste en oudste ziekenhuis van Parijs, het Hôtel-Dieu. Gelegen op het île de Paris, aan het kerkplein van de Notre-Dame. Een overlevering van een andere arts, Jacobéus-René Trenon, omschrijft het ziekenhuis in Mémoires sur les hôpitaux de Paris: Het telde zo’n twaalfhonderd bedden en voor elk bed zo’n vier tot zes patiënten. Ook gangen en operatiekamers moesten wijken voor de patiënten, die op bosjes stro wegkwijnden. Hij stelt dat het ziekenhuis met een sterftepercentage van 25 procent het ‘meest ongezonde en oncomfortabele der ziekenhuizen’ was. Het was bijzonder zeldzaam dat een patiënt er wegkwam zonder sepsis, of überhaupt een operatie geheel te boven kwam.
Tussen al deze viezigheid verspreidde zich ook het verlichtingsdenken, gedragen op een revolutionair sentiment dat de stad in zijn greep had. Het maar al te bekende ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’ lag als een schietgebed op de tongen van de Parijse burgerlijke stand, en de degradatie in de straten was een dagelijks bewijs van het falen van de koning. Guillotin benutte deze sfeer van ontevredenheid (en de steun van zeker zes handelaarsgildes van de stad) om 6000 exemplaren van zijn pamflet Pétition des citoyens domiciliés à Paris in omloop te brengen, waarin hij een verdubbeling van de representatie van de burgerlijke stand in het parlement eiste. Het maakte hem tot een volksheld, en een jaar later zat hij in datzelfde parlement.
Op de 10e van oktober 1789 nam Guillotin in het Assemblée Nationale het woord over de doodstraf, en kwam met een voorstel dat zes artikelen besloeg. Die klonken als volgt:
- Alle straffen voor dezelfde misdaadklasse zijn hetzelfde, ongeacht de crimineel
- Wanneer de doodstraf wordt opgelegd, zal dat door onthoofding gebeuren, uitgevoerd door een machine
- De familie van de schuldige zal geen wettelijke discriminatie ondervinden
- Het is voor iedereen illegaal om de familie van de schuldige partij te verwijten over zijn/haar straf
- Het eigendom van de veroordeelde mag niet worden geconfisqueerd
- De lichamen van de geëxecuteerden worden, indien daarom gevraagd, aan de familie teruggegeven
Nu, waarom zou je uitkomen voor een machine van de dood? Allereerst was de onthoofding ten tijde van het voorstel de enige legale wijze van executie. Het was in de tijd van het ancien régime zo dat er zelfs in doodstraf onderscheid gemaakt werd in klasse. De armere en burgerlijke standen stonden de galg of – daar is ‘ie weer – het radbraken te wachten om ze naar gene zijde te brengen, terwijl de adel een nobele en (meestal) pijnloze onthoofding met het zwaard of de bijl ten deel viel. Het was waarschijnlijk de insteek van de politici om de onthoofding per zwaard dan ook de norm te maken. Dat is ergens ook begrijpelijk. Onthoofding per zwaard was evenzeer plechtigheid als straf, een spektakel en tegelijkertijd zeer besloten. Er werd tijd voor genomen, men werd de ruimte gelaten om wat woorden aan het publiek te richten en ging dan op de knieën, toonde de bourreau, of beul, hun nek en het zwaard viel dan al snel, idealiter ongehinderd. Een dergelijk spektakel universeel maken gaf de veroordeelden tegelijkertijd de waardigheid van een degelijke dood, en bood het gepeupel een grote regelmaat in het zien voltrekken van het recht.
Vandaar ook het egalitaire karakter van de zes artikelen; we zien er een opstelling in terug die erop gericht is de veroordeelde zo veel mogelijk in zijn waarde te laten: het bepleit een universele strafuitoefening, poogt discriminatie te voorkomen en het eigendom en de familie moeten in waarde worden gelaten wanneer de straf zich heeft voltrokken. In context is dat heel wat. Voorheen werden de rechten, die ter dood veroordeelden al dan niet hadden, helemaal niet overwogen. Guillotin daalt uit mooie overwegingen af naar een lelijk deel van het recht en maakt zich daar sterk voor een gelijkheid die ook in en voorbij de dood moet gelden. Eigenlijk verheft hij de gehele bevolking tot mensen die recht hebben op een waardig, pijnloos einde. Daarnaast weten we dat Guillotin in principe tegen de doodstraf was. Voor hem was de instelling van de ‘machine’ waarschijnlijk een eerste stap naar een volledige afschaffing van de doodstraf.
Maar het voorstel en haar voorsteller konden eerst nog op wat tegenwind rekenen. Guillotin schoot, in navolging van de initiële artikelen, misschien wat door in het propageren van zijn methode. Zo ver zelfs dat hij de machine en zijn voorstel per ongeluk samenvoegde toen hij ‘Met mijn machine hak ik je hoofd in een oogwenk af, en je zal het nooit voelen!’ gezegd zou hebben. Dit zou zijn reputatie, die hij over een lange tijd zo zorgvuldig had ontwikkeld, ernstig schaden. Een dag later zou er in een koningsgezind tijdschrift een liedje gepubliceerd worden waarin de ‘machine’ uit het voorstel van onze dokter tot ‘Guillotine’ gedoopt wordt.
De beul, de koning en de machine van de dokter
Nu kwam het overstag, juist met de hulp van de bourreau, Charles-Henri Sanson, die indirect te hulp schoot. Sanson was deel van een dynastie van beulen die uiteindelijk zes generaties zou beslaan. De familie Sanson leverde al sinds 1688 beulen die de adellijke executies in naam van de koning uitvoerden. Dat beroep ging gepaard met een zekere mystiek. Het officiële kostuum van de hofbeul was namelijk bloedrood, en de hofbeul bevond zich in een apart soort afgeslotenheid van de rest van de samenleving. Je zou het kunnen vergelijken met religieuze paria’s als de Joden destijds, of prostituees, maar Sanson genoot wel een enorm aanzien. Het was alsof het zwaard van de koning vleesgeworden door de stad liep, bloedrood alsof het vanochtend nog een nek had doorkliefd. Het memorandum van Sanson in het Assemblée Nationale werd dan ook met eenzelfde aanzien aangehoord. Sanson, die de tuigen van zijn ambt zelf onderhield, legde de kamer in een memorandum uit dat universele onthoofding per zwaard simpelweg niet praktisch was. De kans dat het executeren een gepruts zou worden in plaats van een waardige ceremonie was simpelweg te groot. Zo moest er tussen executies tijd genomen worden om het zwaard of de bijl weer schoon te maken en te slijpen. Daarbij zou er in die genomen tijd een toename in nervositeit kunnen ontstaan in de veroordeelde, en zou de beul enorm uitgeput raken, waardoor de kans op mislukking weer toenam. Zonder het woord in de mond te nemen leek Sanson toch zachtjes aan te sturen op de ‘machine’ die Guillotin voor ogen had.
En zoals de dood Joseph-Ignace het leven inbracht, hielp de vleesgeworden dood zijn voorstel aan de nodige steun. In een spanne van drie jaar werden de artikelen aangenomen, en de ‘simpele machine’ zou naar het ontwerp van de arts Antoine Louis de guillotine worden die we kennen. De naam bleek, helaas voor Guillotin, wel een blijvertje. In 1792 werden de eerste executies per guillotine uitgevoerd, maar Guillotin zelf was alweer uit de politiek verdwenen, terug naar de geneeskunde. Hij zou later ook de stad ontvluchten toen deze gebukt ging onder de Terreur, het schrikbewind dat Robespierre over Parijs hield, mede dankzij de guillotine. Het eerste hoofd dat zou rollen was dat van een dief, Nicholas Jaques Pelletier. Charles-Henri Sanson verruilde het heft van zijn werktuigen voor de hendel van het ‘nationale scheermes’. Sanson, wiens ambt toch aan magie begon te verliezen zonder al het oude ceremonieel, begon langzaam maar zeker zijn status als paria te verliezen en werd steeds meer behandeld als iedere andere burger. Het hoogtepunt van al deze gelijkwaardigheid is misschien wel te plaatsen in 1793. Charles-Henri Sanson, die vele jaren onder de koning had gediend, haalt de hendel over die het mes op de nek van ene Louis Capet doet vallen. Louis Capet was tot voor kort nog Lodewijk de Zestiende geweest. Door een onverbiddelijke gang van de geschiedenis troffen de hofbeul en zijn vroegere vorst elkaar op gelijke voet, elk een citoyen in eigen recht op het schavot. De één omlaaggebracht vanuit de hoogte, de ander ingebracht vanuit zijn isolatie. Tussen hen in de guillotine, een simpele machine, die de naam draagt van een dokter die gebaard is met de dood.
Tekst Job Korten, beeld Lesine Möricke
