Als het niet Jezus of Mozes was, dan is David wel de hoofdpersoon van de Bijbel. David is de tweede koning van het koninkrijk Juda en Israël, en de eerste die vanuit Jeruzalem regeert. Hij is het die deze stad belangrijk maakt, hij bouwt er zijn paleis en bereidt de bouw van de tempel voor. David is het symbool van goed en heilig koningschap, en op zulk een koning is het wachten, dat is de messiasverwachting. David is in de Bijbel ook de persoon die dramatisch, psychologisch en religieus het sterkst wordt ingekleurd en aangekleed. Het lange boek Samuël gaat erover hoe hij koning wordt en zijn bewind en daarnaast zijn veel psalmen geschreven als eigen liederen van David. Bijzonder aangrijpend is zijn vriendschap met, liefde voor en verlies van Jonathan.
David is de tweede koning en Gods tweede keuze. Voordat er koningen waren in Israël, waren er rechters, religieus-politieke leiders die in nood door God werden aangesteld om de zaken weer recht te zetten. Na vele cycli van goede tijden onder goede rechters en uiteenval en verval zonder leiders zien de Israëlieten dat er voor de laatste rechter, Samuël, geen goede opvolging is, daarom vragen ze hem om een Koning, zoals alle volken die hebben. Ook al is deze vraag een directe opstand tegen het koningschap van God, dat koningschap van God is namelijk juist wat de Israëlieten onderscheidt van de andere volken, willigt God hun verzoek in en stelt een koning aan. Deze koning is Saul, een opvallende, flinke en sterke jongen, haast vanzelfsprekend een koning.
Nadat God het volk waarschuwt dat ze dan ook echt onder de heerschappij van de koning zullen moeten leven en hem zullen moeten dienen en betalen, accepteert het volk die last en Saul wordt gekroond en gezalfd tot koning, Gods gezalfde. Maar het is alsof God Saul alleen heeft uitgekozen om te laten zien hoe gevaarlijk het is om van de wil van een mens af te hangen. Hij laat eerst slecht koningschap zien, voordat het goede komt. Saul zondigt, en op het eerste gezicht doet hij dat op een heel sympathieke manier. Saul voert oorlog met het volk Amalek, een buurvolk. Hoewel God hem had gezegd dat hij het hele volk Amalek moest uitroeien – zij hadden namelijk het volk Israël op de vlucht uit Egypte geen vrije doorgang verleend – laat hij de koning en de beste dieren van dat Amalek leven. Maar vriendelijkheid is waarschijnlijk niet het motief geweest om ze in leven te laten. Als in die tijd een volk in de oorlog verslagen werd, was het een teken van trots om de koning als gevangene te houden. In ieder geval is het probleem is niet per se dat er een Amalekiet in leven blijft, maar meer dat Saul eigenzinnig en hardnekkig is geweest, en niet voor de eerste keer. Een paar hoofdstukken eerder moet het volk Israël Sauls eigen zoon Jonathan nog van hem redden, nadat een grillig uitgesproken wet van Saul de doodstraf voor Jonathan tot gevolg had.
Samuël leeft intussen nog steeds en hij krijgt als profeet van God de opdracht een tweede koning te zalven en aan Saul te verkondigen dat hem het koningschap uit handen is genomen. God wijst David aan als nieuwe koning. In eerste instantie heeft die zalving niet veel meer tot gevolg dan de voorspelling en belofte dat David koning zal worden. David is schapenherder en de jongste zoon van zijn ouders. De oudste zoon, Eliab, is zo’n indrukwekkend figuur, dat Samuël eerst hém tot koning wil zalven, maar God ziet op het hart van de mensen en wijst David aan. Nadat deze tot koning is gezalfd, is er niets veranderd. Terwijl zijn broers in het leger op veldtocht tegen de Filistijnen trekken, blijft David thuis. Wanneer hij zijn broers in het leger een boodschap komt brengen, ziet hij dat de angstaanjagende Filistijn Goliath voorstelt de slag in een tweestrijd te beslechten. David gaat de uitdaging aan en slingert een kiezel door de schedel van Goliath. Zo beslist hij de strijd in het voordeel van de Israëlieten. Hij wordt voorgesteld aan koning Saul en valt gelijk in de smaak. Ook bij diens zoon, Jonathan: ‘Jonathan beminde hem als zijn ziel’ (1 Sam 18:1). Daarom gaan David en Jonathan een verbond met elkaar aan. Vanaf dat moment is David onderdeel van het hof, als legerleider en privémuzikant van de koning.
Hier ontpopt David zich tot archetype van pietas, bewuste toewijding. Dit is weliswaar een Romeinse term, maar hij past bijzonder goed, want pietas betekende voor de Romeinen het vervullen van je plicht jegens familie, staat en goden. David doet dat in ongelofelijke mate, zo ook jegens Saul. Zelfs zonder dat Saul weet dat David ook tot koning is gezalfd, wordt hij namelijk jaloers op David, vanwege diens militaire successen en de lof die hij daarvoor ontvangt. Saul vat het plan op om hem te doden. David moet vluchten en hij verzamelt een troepje soldaten om zich heen. Saul jaagt David met een leger na, maar juist Saul valt tweemaal in handen van David, één keer doordat Saul zich afzondert omdat hij moet poepen. Steeds als hij de kans heeft sporen Davids metgezellen David aan om Saul te doden, maar David weigert. Het lot van Saul neemt híj niet in handen, Saul is namelijk de gezalfde van God.
De vlucht voor Saul was niet mogelijk zonder Davids innige relatie met Jonathan, de zoon van Saul. Jonathan had David ‘lief met de liefde zijner ziel’ (1 Sam 20:17), en David bezingt Jonathan: ‘uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen’ (2 Sam 1:26). Het is Jonathan die David verschillende keren waarschuwt voor de plannen van zijn vader en David de kans geeft voor Saul te vluchten. Jonathan is trouw aan David en David aan Jonathan. Hun liefde is een verbond, een plaats van pietas. God stelt David bloot aan verschrikkelijke jaloezie, maar hij geeft hem ook een kompaan. David is gekozen en gezalfd door God. Hij zal koning worden. Om die belofte te vervullen moet God handelen, maar dat doet hij hier niet door een noodgreep. God handelt hier door een van die dingen te geven die een mensenleven werkelijk vervulling geven: vriendschap. In al Davids noden een steun en troost, en toch een werkelijke wederkerigheid, een natuurlijk samenzijn.
De liefde tussen David en Jonathan is weliswaar geen wonder in de zin dat wij een hogere macht moeten veronderstellen om haar te verklaren. Ze is dus niet zulk een wonder als ongelovigen van God eisen om een bewijs van Gods handelen te zien. Het punt van de Bijbel is echter dat zulke wonderen niet bestaan, en wel daarom dat een hogere macht nog niet de Heere, de God van Israël, hoeft te zijn. Mensen weten altijd wel een kleinere hogere macht te scheppen, een macht waarover ze meester zijn: het gouden kalf heeft ons door de Rode Zee gebracht! De duivel laat Jezus deze wonderen verrichten! Daar moet een natuurfenomeen achter zitten! ‘Als ze niet naar Mozes en de Profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.’ (Lukas 16:21). God handelt wel degelijk als hij David Jonathan geeft, en dat weten we omdat God David beloofd heeft zijn voorzienige vader te zijn. Wonderen zijn er alleen voor het geloof, en voor het geloof is het natuurlijke wonderlijk. Wat hier gebeurt is werkelijk wonderlijk, maar juist doordat aan een mens gegeven wordt wat bij een mens hoort: liefde. God volmaakt zijn schepping.
Tegelijk blijft God ook werken aan de ondergang van Saul, die Saul uiteindelijk vindt bij een slag tegen de Filistijnen. Als de slag verloren is en zijn zonen, ook Jonathan, rondom zijn gesneuveld, stort Saul zich in zijn zwaard. Hij sterft niet meteen. Als een Amalekiet voorbij komt, vraagt Saul hem om hem te doden. De Amalekiet gehoorzaamt, slaat op de vlucht en trekt naar David toe, om hem de dood van Saul en Jonathan te vertellen. David woont inmiddels zelf onder de Filistijnen, naar wie hij gevlucht is voor Sauls onophoudelijke vervolging. Maar zelfs na al die vijandigheid is David nog steeds trouw aan de gezalfde des Heeren en hij laat deze Amalekiet ombrengen: de geeïste wraak naar een wet waar alleen de daad ter zake doet, de wet van toen. David zingt: ‘O Sieraad Israëls, op Uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen! … Gij dochteren Israëls, weent over Saul, die u kleedde met scharlaken, met weelden; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding. Hoe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd! Jónathan is verslagen op Uw hoogten. Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jónathan; gij waart mij zeer lieflijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen. Hoe zijn de helden gevallen en de krijgswapenen verloren!’ (2 Sam 1: 19, 24-27)David is nog steeds trouw. Saul was Gods gezalfde en het juweel van zijn volk. Het is hem nog altijd verschrikkelijk dat Gods gezalfde en zo zijn volk te schande zijn gebracht. God, om zijn plan te voltrekken, heeft tegen zijn eigen eer en roem gehandeld: ‘weent!’ Ook Jonathan is dood, Jonathan, de liefde van David, Jonathan, met wie David een verbond had, aan wie David eeuwige trouw had gezworen. God neemt dit sieraad der schepping weg, de liefde tussen David en Saul, God handelt tegen Davids pietas jegens Jonathan. ‘Hoe zijn de helden gevallen!’ Hier valt nu ook niet veel anders te zeggen. Maar terwijl er niets anders is, is er wel het volgende, hetgene dat hierna komt, iets nieuws: ‘en het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde (2 Sam 2:1)’ Er rest alleen vertrouwen, juist terwijl God zíjn wonderen te gronde richt.
Tekst Tim Smit, beeld Norah Sanders
