Tekst door Sybren Sybesma, beeld door Nine van der Louw
Ik heb een dode aangeraakt. Sterker nog, ik heb in het lichaam gesneden. Ik heb de spieren blootgelegd, het hart losgemaakt en de longen in mijn handen vastgehouden. De chemische geur die in de ruimte hing, vergeet ik niet meer, net zomin als dat wat ik er besefte.
Mijn medestudenten en ik betraden gespannen een ruimte waarin een aantal ijzeren tafels stond. Over de tafels lagen witte doeken. Onder elk doek tekende zich de vorm van een lichaam af. Omdat de coronaregels nog golden, droeg iedereen een mondkapje. De situatie kreeg er iets kils door: bij niemand om je heen viel er een gezichtsuitdrukking te onderscheiden. Wel klonken er af en toe gefluisterde gesprekken op.
We waren al in groepen van zes verdeeld en kregen een tafel, een lichaam, toegewezen. Een student-assistent zou ons begeleiden bij onze opdracht. Ietwat bedremmeld stonden we bij de tafel. De student-assistent zei dat ze nu het doek zou wegslaan. Het hoofd zou bedekt blijven omdat de hersenen al uit de schedel waren gelicht. (En misschien wilden ze het lichaam ook niet te menselijk maken.)
Het was een vrouwenlichaam. Oud, gerimpeld, mager. Ze lag niet helemaal recht, maar een beetje op haar zij. Haar huidskleur was die van een levende, hoewel misschien iets fletser. De student-assistent liep naar een andere groep en wij stonden daar in stilte te staren, met een snijsetje in onze in handschoenen gestoken handen.
De student-assistent kwam terug en vroeg of wij het lichaam inmiddels al durfden aan te raken. Ze legde zelf haar hand op de arm en trok die een stukje omhoog. De nagels waren oranje en brokkelig. We schuifelden wat heen en weer en zeiden nog steeds niets. Na een halve minuut van ongemakkelijk zwijgen stapte ik naar voren – het leek me onontkoombaar dat we het lichaam uiteindelijk zouden moeten aanraken, iemand moest het initiatief nemen.
Ik legde mijn hand op de borstkas en voelde de ribben. De huid was stug. Dat kwam volgens de student-assistent door de preserveermiddelen. Mijn groepsgenoten kwamen om me heen staan en ook zij legden hun handen op de huid, op de benen, de armen, de buik, het middenrif.
De ban was gebroken en we gingen aan de slag met de opdracht. Met een stift markeerden we de omtrek van de ribbenkast. De hoornlaag van de huid liet onder de druk van de stift los. Volgens de student-assistent was ook dat normaal. Met een scalpel maakten we vervolgens over de lengte van het borstbeen een incisie. Ik dacht altijd dat de huid stevig vast zat, maar dat bleek helemaal niet zo te zijn. Het bindweefsel dat tussen de spieren en de huid zit is gemakkelijk los te trekken. Je kunt je hand vrij simpel onder de huid duwen. Toen die los was sneden we de borstspieren weg en daarna knipte de student-assistent de ribben door. Ik werd bijna onwel: de chemische geur, het lichaam voor me en het geluid dat ik het beste kan vergelijken met knappende dorre takken of krakende vingers, het werd me te veel. De student-assistent zei dat ik maar even moest gaan zitten.
Niet eerder had ik het verband tussen het lichaam en het leven zo sterk gezien.
De rest van de week ontleedden we het lichaam. Een hart is best groot en stevig, longen voelen sponsachtig aan, een baarmoeder van een vrouw na de overgang is eigenlijk best klein, de zaadleider is keihard, de nieren zijn niet zo groot als je denkt. Aan het einde van de week spoelde ik darmen uit in een grote metalen gootsteen.
Soms werden we bij andere tafels geroepen als er een bijzonder anatomisch verschijnsel was aangetroffen. Vaak was dat pathologisch van aard, zoals cysten in de nieren, zwarte longen van het roken, een tumor of een geknapte aorta. Een van de anatomiedocenten wees ons op de structuur van vet: kleine gele bolletjes hingen rijen dik aan het bindweefsel. Er liep continu water uit.
Af en toe waren er ook sporen van een ziekteproces te zien: bij het lichaam dat wij ontleedden was de maag bijvoorbeeld afwezig (ooit operatief verwijderd) en zat er ijzerdraad in de ribbenkast (waarschijnlijk aangebracht om het herstel van gebroken ribben te bespoedigen).
‘Ooit ben ik ook zo.’ En: ‘Nu ben ik gezond.’ Het waren twee gedachten die zomaar door mijn hoofd schoten toen ik op de tweede of derde ochtend de ruimte weer betrad en langs de tafels naar ‘ons’ lichaam liep. Ze lieten me de rest van de week niet meer los.
Het was meer dan een memento mori. Zeker, de dood, en daarmee de eindigheid van het bestaan, was alom aanwezig. Zoals hij op begraafplaatsen aanwezig is. Ik kende het gevoel. Nu zat er echter een extra laag bij: de broosheid van het lichaam, en daarmee de broosheid van het leven. Je overlijdt namelijk door iets. Dat kan een tumor zijn die vitale organen beschadigt, een hartaanval, een aortaruptuur, nieren die het opgegeven hebben, een hersenbloeding en ga zo maar door. Er is altijd een oorzaak.
Aan het einde van de week spoelde ik darmen uit in een grote metalen gootsteen.
Niet eerder had ik het verband tussen het lichaam en het leven zo sterk gezien. Tot ik dat ijzerdraad zag, dat gat in de aorta, die tumor, die cystes, die zwarte longen. Daarom kwam ook de gedachte op dat ik, mijn lichaam, nu gezond was. Het was zaak dat zo lang mogelijk te blijven.
De meeste ziektes overkomen je. Het is gewoon domme pech (onder domme pech schaar ik ook omgevingsfactoren zoals een vervuilende fabriek of een hoge fijnstofconcentratie: vaak wordt de schadelijkheid pas vele jaren later duidelijk, als er niets meer aan te doen valt). Maar voor veel ziektes geldt ook dat je de kans dat je ze krijgt kunt verkleinen. Je kunt gezond proberen te leven: sporten, goed eten, niet roken, enzovoorts.
In die tijd sportte ik niet meer. In mijn jeugd had ik dat veel gedaan, maar toen ik begon met studeren was ik overal mee gestopt. Na mijn week in de snijzaal besefte ik dat het tijd was om weer te beginnen.
Misschien zou iedereen eens een dag naar de snijzaal moeten.
