Hoogleraar Wouter Hanegraaff over het dualisme en onze onontkoombare lichamelijkheid

Tekst door Pleun Kraneveld, beeld door Eeva Kriek

Als je het Wouter Hanegraaff vraagt, hebben esoterische stromingen als de hermetica, astrologie, paganisme of theosofie één ding gemeen: door de eeuwen heen zijn ze door diverse vormen van Westers-dualistisch denken in een verdachte hoek geplaatst. Hanegraaff, hoogleraar Geschiedenis van de Hermetische Filosofie en verwante Stromingen aan de Universiteit van Amsterdam, trekt een lange historische lijn vanaf de oude Grieken tot de twintigste eeuw, waarin er altijd vanuit een geest-lichaam hiërarchie werd geredeneerd. Zonde, volgens Hanegraaff, want er zijn zoveel andere manieren waarop we onze relatie met het lichaam zouden kunnen begrijpen.

Op de ochtend van 6 januari, de eerste maandag na de kerstvakantie, wordt Wouter Hanegraaff door belletjes en e-mails overspoeld. Wanneer ik bij hem aanklop, lijkt hij onze afspraak een ogenblik vergeten te zijn. Toch heeft hij, nadat ik hem aan het onderwerp heb herinnerd, gelijk een aantal punten te bespreken. Hij laat zijn taken even liggen, en gaat met mij in gesprek over de grot van Plato, het dualisme van Descartes en onze onontkoombare lichamelijkheid. Wanneer ik hem vraag over zijn kritiek op het dualisme, neemt hij echter een terughoudende houding aan.

‘Ik ben geen filosoof, ik ben een historicus. Ik ben niet zozeer bezig met wat waar en onwaar is. Ik heb geen expliciete kritiek op het dualisme, maar wel een aantal stevige kanttekeningen.’ 

Toch wil hij, wanneer ik eenmaal heb plaatsgenomen, zijn kanttekeningen graag met mij delen.

‘Bij dualisme denk ik direct aan zowel Descartes als Plato. De kern van Descartes’ dualisme is dat er enerzijds iets in ons is wat denkt maar geen ruimte inneemt en aan de andere kant iets lichamelijks dat materiële ruimte inneemt maar niet denkt. Dit is het idee van het dualisme van Descartes. Dat er twee gescheiden substanties zijn, die volledig los van elkaar bestaan. Ik vind het een hele vreemde theorie, want hoe kunnen die twee dan ooit contact maken met elkaar?’

‘Ik bied in mijn hoorcolleges een sceptische kijk op Descartes. Ik zag zelfs een keer een student rondlopen met een T-shirt met de boodschap “Zeg nee tegen René”, vanwege zijn dualistische denkwijze. Dat vond ik wel grappig.’ 

Hanegraaff blijft trouw aan zijn historische aard, en brengt ons terug bij de theorie van Plato, misschien wel de grondlegger van het dualisme. 

‘Alle moderne denkers, zoals Kant en Descartes, staan uiteindelijk op de schouders van Plato. In mijn colleges trek ik een lange historische lijn van Plato’s dualisme naar de tweede helft van de twintigste eeuw, waarin het hiërarchische model, waarbij het geestelijke boven het materiële wordt geplaatst, altijd dominant is gebleven. ’

Wanneer ik hem vraag naar dit hiërarchische model, verwijst Hanegraaff naar een aantal stokoude werken die ik voor mijn opleiding filosofie weleens heb moeten lezen. 

‘Het verhaal van de grot van Plato is eeuwenlang op een dualistische wijze opgevat. Wij worden vergeleken met mensen die in een grot zitten, met de rug naar de uitgang en een helder vuur dat daar brandt, en die op de muur vóór hen alleen misleidende schaduwen zien van wat werkelijk bestaat. Pas door een bevrijding uit de grot kunnen we de weg vinden naar de echte buitenwereld. Uiteindelijk bereiken we dan de zon, de ultieme werkelijkheid. De grot zelf wordt vaak geïnterpreteerd als metafoor voor de materiële wereld, en de zon als een metafoor voor “het Goede”, de diepste metafysische werkelijkheid die volgens Plato ons begrip te boven gaat. De implicatie hier is dat mensen, om het goede te bereiken uit de lichamelijke wereld, moeten streven naar de immateriële, spirituele wereld. Deze opvatting leidt gemakkelijk tot een dualistische interpretatie: onze ziel zou gevangen zitten in ons fysieke lichaam, wat ons scheidt van de ware werkelijkheid.’

Voorbeelden heeft Wouter Hanegraaff in overvloed. 

‘In de Phaedrus beschrijft Plato de ziel als een paardenwagen die wordt bestuurd door de wagenmenner. De wagenmenner staat symbool voor onze rationaliteit. De wagen wordt door de paarden, de passies, in beweging gebracht. Het ene paard wil de ziel omhoog leiden naar het absolute Goede. Het andere paard richt zich daarentegen op de lagere, materiële werkelijkheid, en raakt geobsedeerd door lichamelijke begeerten. De Rede, ofwel de wagenmenner, moet het linker paard in bedwang houden. Enkel door de lichamelijke afleidingen te overstijgen vindt men de weg naar het hogere, het goede en het schone.’

Hoewel Hanegraaff eerder een bescheiden houding aannam, durft hij als historicus wel een paar grote uitspraken te doen.

Het doel is dus niet om te ontsnappen aan onze lichamelijkheid, maar om het spirituele en het lichamelijke in een bezielde eenheid te verenigen.

‘Om een christelijke theologie te ontwikkelen, had men filosofie nodig. Daarvoor werd onder anderen door Augustinus veel aan Plato ontleend. Het Platonische dualisme is totaal fundamenteel geworden voor de leer van het christendom. Wat Augustinus hier echter aan toevoegde, was het idee van zondigheid. Volgens deze opvatting moeten we ons allen verheffen boven onze lichamelijke verlangens. Wie daar niet in slaagde werd als zondig beschouwd in de ogen van God. In deze visie was het immateriële niet alleen hoger en beter dan het lichamelijke, maar ook moreel superieur. Diegenen die zich door hun lichamelijke verlangens lieten leiden werden als slecht en zondig gezien.’

Het lichaam stond dus niet alleen voor het onverstandige, maar verkreeg later ook de connotatie van zondigheid. Het lichamelijke werd niet enkel gezien als inferieur, maar ook als inherent zondig, iets waaraan we behoren te ontsnappen. Hanegraaff maakt weer een sprong in de tijd.

‘De verlichting was een direct product van deze vormen van dualisme. Zonder Plato en de verwerking van zijn theorieën in het Christendom had Kant zijn theorieën niet kunnen ontwikkelen. De kritische hoofdwerken van Kant gaan over het schone, het ware en het goede. Ook deze theorieën zijn uiteindelijk “voetnoten bij Plato”.’ 

In de colleges van Hanegraaff bleef deze vorm van dualistisch-hiërarchisch denken tot grofweg de tweede helft van de twintigste eeuw dominant. Na de Tweede Wereldoorlog maakte het echter plaats voor een zogeheten ‘netwerksamenleving’, waarin niet een verticale hiërarchische dualiteit, maar complexe horizontale netwerkstructuren centraal staan. Toch ontkent hij niet dat er ook in de eenentwintigste eeuw nog steeds sprake is van dualistisch denken. Hij erkent dat het dualisme zich op nieuwe – extremere – manieren heeft voortgezet.

‘Wat ik nu meen te zien is een sterk verlangen naar onlichamelijkheid, een soort afkeer jegens het lichaam. Denk bijvoorbeeld aan het idee dat we onze geest zouden kunnen uploaden naar een computer, en daarmee onsterfelijk kunnen worden. De gedachte is dan dat we ons zouden kunnen bevrijden van het sterfelijke lichaam en dan daardoor niet meer afhankelijk zouden zijn van ons fysieke zelf. Dat is nog steeds een duidelijke samenwerking van het cartesiaans dualisme in de moderne technologische samenleving. Het lichaam wordt nog steeds gezien als gevangenis van de ziel, en door technologie hopen mensen zich van hun eigen lichamelijkheid te kunnen bevrijden. Ik denk dat veel van deze moderne computertechnologie aanleiding geeft tot irreële dromen over ontsnappen aan het lichaam, en zodoende aan de dood.’

Hanegraaff heeft weinig vertrouwen in deze droombeelden. Hij verwijst naar de Franse schrijver Michel Houellebecq.

‘Houellebecq beschrijft in een van zijn romans een wereld waarin mensen de sterfelijkheid hebben overwonnen door zichzelf te klonen voor de eeuwigheid. De hoofdpersoon gelooft dat hij het ultieme stadium van de menselijke evolutie heeft bereikt. Mensen hebben hun lichaam zo hervormd dat ze enkel nog prettige gevoelens kunnen genereren. Pijn, verdriet en lijden zijn uitgeroeid. Maar naarmate je de roman verder leest, wordt steeds duidelijker dat dit ideaal eigenlijk een nachtmerrie is. Gezamenlijk met de sterfelijkheid en het lijden is elke vorm van betekenis verloren gegaan. Onze lichamelijkheid is een essentieel aspect van menselijkheid; zonder ons lichaam heeft ons leven geen betekenis meer.’

Hoewel hij meent geen expliciete kritiek te hebben op het dualisme, uit hij zich er toch pessimistisch over.

‘Momenteel heeft dualistisch denken in onze huidige maatschappij gevaarlijke implicaties. We zien het onder andere terugkomen in de huidige debatten, bijvoorbeeld rondom genderverhoudingen en klimaatproblematiek.’

Veel van de moderne computertechnologie geeft aanleiding tot irreële dromen over het ontsnappen aan het lichaam, en zodoende aan de dood.

Toch pauzeert Wouter Hanegraaff even en reflecteert hij op zijn felle reactie. Na een korte stilte antwoordt hij in zorgvuldig geformuleerde zinnen.

‘Dualiteit is een gegeven van de mens. We kunnen niet anders dan in termen van dualisme denken. Er is bijvoorbeeld een onderscheid tussen “hier en daar”, “toen en nu” en tussen onze lichamelijkheid en een eventueel spiritueel principe. Natuurlijk is er wel sprake van dualiteit, maar het gaat er om de twee niet tegen elkaar uit te spelen, maar dichter bij elkaar te brengen. Het gevaar van dualisme ligt in het tegenover elkaar plaatsen van lichaam en geest als twee onverenigbare substanties, en daarmee het creëren van een zwart-wit wereldbeeld, waarin het lichaam wordt beschouwd als inferieur aan de superieure, immateriële wereld.’

Plato zou het met hem eens zijn. Althans, dat meent Wouter Hanegraaff vanuit het Symposium van Plato te kunnen stellen. 

‘In dit werk beschrijft Plato het lichaam eerder als een medium waardoor de ziel het Goede in de wereld kan brengen. De priesteres Diotima, die hier optreedt als de lerares van Socrates, vertelt hem dat liefde – eros, de kern van het Goede – niet alleen het verlangen naar een buitenwereldse schoonheid is, maar het er juist om gaat dat we schoonheid in de materiële wereld brengen. Het doel is dus niet om te ontsnappen aan onze lichamelijkheid, maar om het spirituele en het lichamelijke in een bezielde eenheid te verenigen. Moraliteit is hier het belichamen van het schone en het goede in de materiële wereld.’

Dat de geschiedenis ook een andere wending had kunnen nemen, is voor Hanegraaff duidelijk. 

‘Als maar een paar heel kleine dingen anders waren gelopen en Plato nooit was geboren, dan had de hele geschiedenis van de laatste twee-en-een-half duizend jaar zich anders voltrokken. Dan zag de wereld er compleet anders uit, zouden wij dit gesprek niet hebben gehad, en zou ik mijn studenten nu geen les geven over deze onderwerpen.’

Plaats een reactie