De puzzelstukjes van mijn ‘ik’

Tekst door Dominique Seelen, beeld door Ieke Meijer

Soms vraag ik me af hoeveel van mijn eigen karakter en eigenschappen nou echt bepaald zijn door mezelf. We zijn toch voor een groot deel genetisch bepaald? Maar is kennis van onze voorouders dan niet cruciaal om volledig te ontdekken wie we zelf zijn?

Stambomen hebben mij altijd geïntrigeerd. Het idee dat ik verbonden ben met vele generaties voor mij, geeft me het gevoel dat mijn ‘ik’ bestaat uit meer dan alleen mijn leven nu. Dat was dan ook de aanleiding om de afgelopen jaren mijn opa’s en oma beter te leren kennen. Wie waren zij? Wat deden ze? En hoe herken ik mezelf daarin? 

Oma 

Mijn oma – de moeder van mijn moeder – is archivaris. Al meer dan twintig jaar werkt ze voor Pulchri Studio in Den Haag, waar ze door de jaren heen een archief heeft aangelegd waar je u tegen zegt. Wanneer ik bij haar op bezoek ben, vertelt ze me af en toe verhalen over haar jeugd. Zo woonde ze vroeger als kind op een zolder waar geen warm water was en de ramen allemaal enkel glas waren. In de winter was het daar dus ijskoud en hingen de ijspegels aan de binnenkant (!) van de ramen. Toch liet ze zich niet uit het veld slaan en fietste elke week voor al haar korfbaltrainingen enkele kilometers door welke weersomstandigheid dan ook. Ze was getalenteerd en speelde zelfs in het nationale team. Helaas heb ik haar sportieve genen niet geërfd, maar haar doorzettingsvermogen is wel een eigenschap die ik bij mezelf herken.  

Ondanks dat ze inmiddels de 80 gepasseerd is, is mijn oma nog springlevend en zit vol energie. Ook haar doorzettingsvermogen is nog aanwezig: elke maandag springt ze op haar ‘hipsterfiets’ naar Pulchri en ondanks dat haar keuken noch verwarming noch dubbel glas heeft, staat ze er elke winter zelf de afwas te doen.   

Opa

Mijn opa – de vader van mijn moeder –  is kunstschilder. Hij is geboren in 1932 en heeft een veelbewogen leven gehad. Hij herinnert zich hoe hij als klein ventje tijdens de Hongerwinter met zijn vader op de fiets stapte om kilometers lang op weg te zijn voor een zak aardappels of iets anders te eten. Ook vertelt hij me een bijzonder verhaal over zijn moeder. Ze was een potige en eigenwijze vrouw waar je niet zomaar omheen kon (ze werd uiteindelijk meer dan 90 jaar, was tonnetje rond en stierf tijdens het ramenzemen). Toen de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de deur kwamen om jonge mannen te rekruteren, bedacht mijn oma een listig plan om haar mannelijke gezinsleden thuis te houden. Ze kleurde hun gezicht rood, liet ze enorm zweten en legde ze vervolgens in bed. Toen de Duitsers eenmaal aan de deur stonden, vertelde ze met een stalen gezicht dat er een zeer besmettelijke ziekte heerste in haar huis en dat ze zelf maar moesten weten of ze binnen wilden komen aangezien ze er dan gegarandeerd net zo kreupeltjes bij zouden komen te liggen. De Duitsers sloegen op de vlucht en zo wist mijn oma haar familie te redden. De daadkracht en stalen zenuwen die mijn overgrootmoeder had, vind ik bewonderenswaardig. Hopelijk zijn die erfelijk.

Mijn opa nam na de oorlog de taak op zich om het gezin waarin hij was opgegroeid te onderhouden. Middels een drukke kantoorbaan zorgde hij voor brood op de plank voor zijn ouders en 6 (!) broers en zussen. Toch had mijn opa een andere toekomst voor ogen. Hij was namelijk door de docenten op zijn middelbare school helemaal betoverd geraakt door literatuur en proza (net als ik), en wilde zich eigenlijk volledig daarop storten. Als lid van de Openbare Leeszaal kwam mijn opa in aanraking met boeken over tekentechnieken en raakte besmet met het ‘schildersvirus’. Zijn latere baan bij het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen wist hij dan ook te combineren met een avondopleiding aan de Kunstacademie in Den Haag. Hij kreeg tijdens zijn studie zelfs de mogelijkheid een half jaar in Antwerpen vakken te volgen: een wereld van verschil met de verplichte militaire dienst waar hij een aantal jaar eerder nog deel van uitmaakte. Na jaren hard werken kreeg hij het voor elkaar zichzelf en het gezin dat hij ondertussen had gesticht volledig te onderhouden van zijn bezigheden als beeldend kunstenaar. Mijn opa is nu 92, staat elke dag in zijn atelier te werken en exposeert nog steeds meerdere keren per jaar. Zijn liefde voor kunst is nog altijd even sterk als toen hij voor het eerst een kunstboek opensloeg.  

Zo kwam ik tot de realisatie dat mijn ‘ik’ voorbij gaat aan de grenzen van mijn eigen leven

Andere opa

Mijn andere opa – de vader van mijn vader – groeide op in Brabant in een simpel boerengezin. Hij wist als eerste kind te studeren aan de universiteit en specialiseerde zich in chemie. Hoewel mijn opa niet opgroeide in een rijk gezin, heeft hij zich door de jaren heen weten te ontwikkelen tot een welgestelde, intellectuele en nieuwsgierige man. Hij gaf mij en mijn broertje altijd cadeautjes met kerst. Met die cadeautjes probeerde hij onze nieuwsgierigheid voor de wereld te voeden. Zo kregen we boeken over ‘grote mensen vragen’ en gaf hij mijn broertje een geavanceerde robot. Zijn nieuwsgierigheid is zeker doorgesijpeld in mijn karakter: op vakantie dartel ik met mijn reisgids door de stad en lees ik bij elke bezienswaardigheid zoveel mogelijk informatiebordjes – soms tot ergernis van de rest van het gezin… 

Een typische eigenschap van mijn opa was dat hij bijzonder a-muzikaal was: geen gevoel voor ritme, toonhoogte of wat dan ook. Maar hij vond het fantastisch dat ik viool speelde. Hij heeft me drie keer meegenomen naar het Concertgebouw. Ondanks dat hij af en toe wat onrustig op zijn stoel zat te schuiven, waren het hele speciale herinneringen die we daar samen maakten. 

Ondanks zijn a-muzikaliteit was mijn opa erg betrokken bij mijn vioolstudie. Een bijzondere vakantie met hem in Italië staat daarom ook in mijn geheugen gegrift. Vlak voordat ik aan mijn opleiding aan het conservatorium begon, was ik namelijk op zoek naar een nieuwe viool. Omdat we in Italië op vakantie waren, en Italië hét land van de vioolbouwers is, ging ik met mijn ouders op ‘violenjacht’. Uiteindelijk kwamen we uit op twee instrumenten die goed bij me pasten. Mijn opa was toen ook in de buurt van Turijn, de stad waar we verbleven, en moest nodig langskomen om deel te nemen aan het ‘violen-beoordelings-panel’. Ik speelde op beide violen een stuk voor hem. Bij het tweede instrument waarop ik speelde zei hij: ‘dit is hem’. En verrek, hij had gelijk: dat was de viool die we kochten, waar ik op speelde tijdens zijn begrafenis en die ik nu nog elke dag in mijn handen heb. 

Ik

In veel van deze anekdotes over mijn opa en oma herken ik eigenschappen en passies van mezelf. Het lijkt alsof ik de puzzel die mijn ‘ik’ vormt nu kan aanvullen met puzzelstukjes die bepaald zijn door mijn voorouders. De liefde voor geschiedenis, kunst en literatuur van mijn moeders ouders is bijvoorbeeld absoluut in mijn genen aanwezig. En de oneindige nieuwsgierigheid van mijn vaders vader heb ik ook geërfd. Zo kwam ik tot de realisatie dat mijn ‘ik’ voorbij gaat aan de grenzen van mijn eigen leven en dat het in gesprek blijven met opa’s en oma’s je veel kan vertellen over wie je zelf bent.

Plaats een reactie