De dwangmatigheid van het eenzame brein   

Tekst /// Tammie Schoots Beeld /// Bob Foulidis 

Hij was het soort stalker waar ik slechts van kon dromen. Terwijl de zomer voorbij flitste, verdween sociaal contact opeens uit mijn dagelijkse sleur. Niemand belt. Niemand bezoekt. Niemand praat. Mijn adressenboekje uitgeput, spendeerde ik de bloedhete dagen eenzaam tikkend in de bibliotheek. Om deze afzondering zowel naar anderen als mezelf te verantwoorden, waande ik me maar een literair wonder. Het zal je niets verbazen dat met de teksten nooit wat is gebeurd. 

Alhoewel de hele bieb uitgestorven was, kwam hij naast me zitten. Mannelijke aandacht beperkte zich al enige tijd tot vijfenzestigplussers zonder tanden, die dan zeggen: ‘Hoezo wil niemand daten met een transgender meisje zoals jij? Ik ben er toch.’ Het was op z’n zachtst gezegd een opluchting om voor een keer versierd te worden door een leeftijdsgenoot. Dit wordt mijn vriendje. De uit de kluiten gewassen puppy had zijn snoetje, met grote ronde ogen, ferm op me gericht. Zijn knieën staken bijna boven de armleuningen van de aftandse stoel uit. Dampende zweetvingers lieten glimmende sporen achter op het toetsenbord. Ongegeneerd probeerde hij mijn blauwe ogen in zijn blik te vangen. Dit wordt mijn vriendje. Loerend naar zijn handen, dwaalden mijn gedachtes af naar tedere aanrakingen. Ik stelde mezelf een geborgenheid voor die ik als zelfstandige vrouw niet mag willen. Zijn slungelige armen om me heen gedrapeerd, kon ik weer even zesentwintig zijn. Even weg uit de giftige klauwen van deze meedogenloze tijd waar hysterie en vervreemding zegevieren. Dit wordt mijn vriendje.   

Rustig pakte ik potlood en pen, hij begreep de hint. Vanzelfsprekend bleef ik even voor de bieb staan. Maar zoals op elk definiërend moment in mijn leven, speelde mijn vlijmende zelfbewustzijn me na enkele minuten parten: Denk je echt dat iemand een manwijf zoals jij leuk vindt? Idioot! Als vanzelf bewogen mijn benen: de bloemenmarkt, de Albert Heijn in aanbouw, verhip… hij stond opzichtig om zich heen te kijken voor de bieb. Dit wordt mijn vriendje. Resoluut draaide ik me om. Een zwerm toeristen omsingelde me. Mijn zo-even nog snelle pas kwam abrupt tot een einde. In de kluwen mensen raakte ik mijn zicht op de studeerfabriek kwijt. Toen ik paniekerig bij het gebouw aankwam, was hij al verdwenen.    

Terwijl ik dit schrijf is het precies zeven dagen geleden dat ik hem weer tegenkwam in de bieb. Twee stoelen verwijderd van waar ik hem voor het eerst aanschouwde. Zijn ongetemde spaghetti lijf moest bukken voor de verlaging in het plafond. Verlekkerd staarde ik naar de contouren in zijn donkere jeans. Grote lompe passen naar een prullenbak te ver, deden mijn brein spinnen: hij wil door mij gezien worden, dit wordt mijn vriendje. Nu waren het mijn priemende oogjes die niet van hem af gingen. Hij reageerde niet. Ik liet mijn pen hard op de grond vallen. Hij keek niet op. Ik deed mijn oplader in het stopcontact naast hem. In het smalle gangpad gleed mijn linker tepel langs zijn schouder. Hij gaf geen kik. Hij vond me simpelweg niet meer leuk. Er is geen enkele logische connectie te bedenken die het groot gapend gat tussen het nu en eerdere daden verklaart. Dat hield mijn dwangmatige denken echter niet in bedwang. Ik heb nog een aantal keer ‘geglimlacht’ naar de puppy-jongen. Misschien een open deur, maar hij gaat niet meer naast me zitten. 

De desillusionaire dwaling van mijn brein was geen unicum. Vier jaar geleden werd me terstond de liefde verklaard. Ik had zulke mooie ogen. Toen ik dan maar opperde om nummers uit te wisselen zei hij: ‘Als het lot het wil, komen we elkaar wel weer tegen.’ Drie uur een gezellig gesprek op een datingapp en in mijn hoofd trouwen we al. Om er de volgende ochtend achter te komen dat hij de match heeft opgeheven. Digitaal of niet, de hunkering van mijn fantasie dwaalt altijd naar dogmatische sprookjes. 

Enige zelfreflectie bevloog me toen een vriendin precies dezelfde streken uithaalde. Haar schijnvriendje was in de race om het volgende OP-1 gezicht te worden. Om het reproductieorgaan te zien van een van Neerlands potentieel leidende gezichten in het publieke debat, is op z’n minst een ‘bijzondere’ ervaring te noemen. Zijn antwoorden behelsden niet meer dan drie zinnen, maar het feit dat hij constant contact initieerde deed haar ‘voelen’ dat hij stiekem een onbeheersbaar verlangen naar haar koesterde. De boodschap kwam ook al niet aan toen zij stelde dat hun contact ongedwongen begon te voelen en hij stoïcijns antwoordde: ‘Ik vind het al de hele tijd niet meer zo ongedwongen.’ Ze hadden elkaar twee uurtjes op een blauwe maandag gezien. 

In de absentie van aanraking, creëert mijn brein narratieven om mannelijke typetjes. Wie zij zijn maakt niet zoveel uit, als ze maar de pretentie wekken mijn eenzaamheid op te heffen. Als je honger hebt, leidt je maag je naar de koelkast. Zo leidt mijn brein me naar talrijke fantasievolle en intieme avonturen, die allemaal op hetzelfde neerkomen: de onbedwingbare behoefte tot een arm om me heen.
 

Een gedachte

  1. 200% zo herkenbaar. Toch maar eens eerst een berichtje sturen en de bal direct binnenkoppen om toch maar een date te scoren.

    Ik ga ervoor. 2022 wordt mijn vriendje.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s