Waar suïcide collectief is, voltrekt lijden zich in eenzaamheid

Tekst /// Tammie Schoots   Beeld /// Fieke de Groot

Lijden doen we in stilte maar de consequenties zijn een collectief goed. Toen ik getergd toegaf dat ik speelde met suïcide, was de terugslag onverwachts. Men werd slechts heel erg boos op me. Ik heb het woord egoïsme vaker gehoord dan tijdens mijn daadwerkelijk zelfzuchtige tienerjaren. Als ik er een eind aan zou maken dan zou het een collectief drama worden terwijl mijn pijnlijke mentale staat slechts een individuele aangelegenheid leek te zijn. De gemene opmerkingen, elkaar prestatie gek maken, de hevige sociale druk die we op elkaar uitoefenen: die collectieve schuld leek niet meegerekend te worden.  

We zaten tegenover elkaar in zo’n hip café waar iedereen altijd lacht. Alle huidjes leken porselein door de dekkende gezichtsmake-up, netjes op afbetaling besteld. Buiten stormde het. Om niet aan de ruige weersomstandigheden toe te geven had het café ‘leuke’ lampjes opgehangen. Dat noemt men dan gezellig. De vele kleuren grijs die de muren van het etablissement kleurden, waren perfect in lijn met de vale gezichten die het overwerkte personeel met zich meedroeg. Terwijl de serveerster onze bestelling op de tafel pleurde maakte ze nauwelijks oogcontact. Het bittere oplosgoedje stak grauw af tegen het eminent belichtte meesterwerk, frivool afgebeeld op de koffiekaart.

Ik staarde in de bruinige drek, ik durfde haar niet aan te kijken. Natuurlijk had zij ook wel door dat er iets aan de hand was, misschien zelfs wel dat ik zelfmoordneigingen had, maar zolang het niet uitgesproken was bestond het niet. Dan konden we in de illusionaire bedrijvigheid van de moderne maatschappij andermans ellende aan ons voorbij laten gaan: ik heb het te druk. Er bestaat niet meer zoiets als gemeenschappen, en als er nog een schim van over is dan is het vooral om zelf verder te komen. Toen het hoge woord eruit was kon zelfs mijn gespeelde stoïcisme niet verbloemen dat ik snakte naar haar affirmatie. Ik zou het zo graag willen horen: verlichtende woorden zodat mijn penibele mentale staat in ieder geval de volgende paar dagen getemperd werd. In plaats daarvan begon een ondervraging die erop gericht leek dat kleine restje positiviteit uit me te trekken. Als een rat op zoek naar dat minieme ontsnappingsgaatje, vuurde ze relativerende zinnen op me af. Het werd mijn taak haar gerust te stellen. Het was zo’n typisch moment waar twee mensen de deur door willen komen, maar daardoor consequent elkaars weg pareren. Deze gelijktijdige beweging werd perfect nagebootst in de semantiek van ons gesprek.   

Toen zij eenmaal doorhad dat het een dichte deur zou blijven, begon ze door te vragen. Met een stem alsof ze een bestelling bij het lokale afhaalrestaurant plaatste, vroeg ze me of ik al wist hoe ik het zou doen. Ik begon zachtjes frutselend de ideeën die ik allang had uitgedacht als voorzichtige hersenspinseltjes te presenteren. We hadden een schimmige vriend die op de universiteit veel betekenis droeg maar in de transitie naar het echte leven zijn eigen loser status moest accepteren. Om belangrijk te blijven, neukte hij niet één maar meerdere negentienjarigen, die natuurlijk wel allemaal zijn onzin nodeloos bevestigden en dealde hij drugs onder zijn leeftijdsgenoten. Ik had bedacht om mijn spaargeld aan te snijden en een heel scala aan drugs te bestellen. Alcohol en dramatische muziek erbij, veel zelfmedelijden en het verrotte boek genaamd mijn leven kon gesloten worden. Als vleesgeworden karikatuur kon ik de verleiding niet weerstaan om mijn einde te emuleren naar de dramatische films. Het verschil is alleen dat een acteur weer opstaat voor zijn volgende blockbuster. 

Zolang iemand niet zegt suïcidaal te zijn, kunnen we in de illusionaire bedrijvigheid van de moderne maatschappij andermans ellende aan ons voorbij laten gaan: ‘ik heb het te druk’

“Ik vind dat je het niet kan maken naar hem,” ergens had ze misschien wel gelijk. Elke directe verbinding tussen de daad van suïcide en de instrumenten impliceert een causaal verband. Had hij maar niet die tien pillen verkocht zonder een mentale ondervraging te doen. Zolang men ze alleen maar koopt om uit een overweldigende realiteit te ontsnappen dan is er niets aan de hand. Het wordt pas een schuldvraagstuk wanneer iemand stopt met ademen. We doen elkaar constant trauma’s aan, maar zolang er nog wat lucht uit de ander komt hoeven we daar geen verantwoording voor af te leggen. Ik nam haar mijn verdriet ergens ook kwalijk. Spendeer ik meeste dagen niet alleen starend naar mijn plafond? Haar opmerking over dat ik net een ‘echte’ vrouw leek had me ineen doen kruipen. Een mentale optelsom van momenten van eenzaamheid implodeerde in de wens te willen verdwijnen.

Suïcide

Er is een discrepantie in reactie te zijn tussen het ontstaan van suïcidale gedachten en het daadwerkelijk ernaar handelen. In de dagelijkse sociale realiteit doen we elkaar van alles aan, ik inbegrepen, waar men maar tegen zou moeten kunnen. Als transgender persoon word ik constant geconfronteerd met andermans mening over mij. Zo blijkt dat 95 procent van de Nederlanders weigert met iemand zoals ik een liefdesrelatie aan te gaan. Niet dat ik met zo’n aanzienlijk deel van de bevolking een intieme band aan wil gaan, maar het blijft lastig als degene waar je verliefd op bent je afwijst omdat hij zich niet kan onttrekken aan het idee dat je ‘eigenlijk een man bent’. Op microscopisch niveau herinnert de maatschappij mij er consequent aan dat ik een monster ben. Als ik me uitspreek over mijn eigen rechten lijkt dit echter iets te zijn wat bij mij ligt. Transgender emancipatie is mijn probleem, niet jouw vooroordeel. Waar het bij mij heel concreet is, ervaren zovelen andermans semantisch geweld op dagelijkse basis. Over hoeveel cisgender vrouwen wordt wel niet heengestaard als ze een goede bijdrage aan het debat proberen te leveren? Of de witte cisgender hetero man, jawel, die constant niet mag huilen. Hij moet goed verdienen en een mooi leven opbouwen, er is niets aan zijn identiteit waardoor hij zou kunnen mislukken, alle schaamte en schuld van een gefaald leven dient hij zelf te dragen. 

Ik zeg dat niet zomaar. De eerste zelfmoord die ik meemaakte was in het befaamde Noord-Holland, bij uitstek kampioen suïcide. De jongen was knap, wit, cisgender, volgens progressief dictaat rijp voor een succesvol leven. We werkten allebei in een fastfood keten. Voor mij was het een opstapje totdat ik op de universiteit kon beginnen, op weg naar een beter leven, voor hem was het een plek waar hij was gestrand. Zijn MBO-4 diploma was voor hem te hoog gegrepen. Hij vertelde me dat tijdens een nachtshift toen we samen boven de frituurpannen hingen. Het was een zeldzaam moment, wanneer de snackbar vol stond met collega’s was hij niet zo kwetsbaar. Ik kon me niet onttrekken aan de gedachte: “wat heb jij nou toch te zeuren?” Of ik dat daadwerkelijk gezegd heb weet ik niet meer. Een aantal maanden later las ik in de lokale krant dat iemand zich voor het spoor tussen Hoorn en Heerhugowaard had gegooid. De plek was groot uitvergroot in de krant, op de achtergrond zag ik piepklein de snackbar waar we die nacht samen hadden gestaan. Tijdens mijn eerstvolgende shift hoorde ik een collega grappend zeggen: “Had hij dat niet lekker ergens anders kunnen doen? Ik was uren te laat op mijn werk doordat hij zichzelf voor de trein had gegooid.”

Op microscopisch niveau herinnert de maatschappij mij er consequent aan dat ik een monster ben

De tweede suïcide die ik meemaakte was die van een volwassen vrouw in mijn             therapiegroep. Ik werd opgehaald door mijn maatje die me naar de ochtendsessie reed. Op Facebook had iemand op haar pagina een lang bericht achtergelaten, waarom ze zo vroeg had moeten gaan. Na hysterische tranen waren mijn therapiemaatje en ik het erover eens dat ze ons dit niet aan had kunnen doen. De hele sessie stond vervolgens in het teken van hoe wij ons erover voelden, niet over wat we eraan hadden bijgedragen. Ik had namelijk een belletje van diezelfde vrouw ontvangen een week ervoor. Ze zocht iemand die haar werk als serveerster kon overnemen voor een avondje. Ik vond dat al zo vreemd, ik werkte daar helemaal niet. Achteraf bleek dat de avond te zijn dat ze is gegaan.

Ik weet niet hoe ik dit stuk moet concluderen. Misschien schrijf ik dit wel gewoon om gehoord te worden. Ik poneer een anekdotische analyse en daar wil ik het bij laten. We zitten allemaal gevangen in een sociaal web waar we maar niemand uitlaten. Waar ik snak naar begrip en erkenning, gun ik dat ook een ander niet. Zou het anders zijn gelopen wanneer ik die ene nacht een arm om die jongen had heen geslagen in plaats van hem glazig aan te staren? Zou die ene vrouw uit mijn therapiegroep nu nog leven als ik haar shift had overgenomen, of na mijn geërgerde reactie simpelweg had gevraagd: hoe gaat het met je? In groepen leven gaat gepaard met gewelddadige culturele praktijken. Jouw problemen zijn die van jou en daar hoef je niemand mee lastig te vallen, dat is de boodschap die onze ‘moderne’ liberale maatschappij ons opdringt. Alles om ons als individu af te schermen van enige schuld. Misschien wenst die vriendin ooit wel: had ik haar maar een knuffel gegeven in plaats van een volatiele ondervraging. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s