De uniforme ander in het Fomo park

Parkhangen is een zomers begrip, een cultureel fenomeen. De sociale angst die het teweegbrengt is iets wat iedereen wel eens heeft ervaren maar waar niemand over praat. Elke dag weer kijk ik naar het steeds veranderende groepje mensen dat het zo leuk lijkt te hebben. Ik snak ernaar erbij te horen, niet bewust dat ik stiekem bijdraag aan die eeuwige fomo bij anderen. 

Tekst/// Tammie Schoots    Beeld/// Bob Foulidis

Op broeierige zomerdagen wissel ik de eenzame uren in mijn donkere kamertje af met een paar passen door het park. Welke wandeltuin het precies is maakt eigenlijk niet zoveel uit. Dat ene groepje hangt er altijd rond, je kent ze wel: degene die het altijd gezellig lijken te hebben. In mijn hoofd tel ik mijn vrienden. Het zijn er zeker niet genoeg om mijn dagen luierend in het park te spenderen. Ik heb niet eens genoeg vrienden om iemand te verleiden om een paar dagen de stad te verlaten. Het is de prijs die je betaalt als je een zogenaamde ‘weirdo’ bent. Wanneer ik het park binnenwandel zijn de straatstenen gevuld met draaiende bierdoppen die dansen in de penetrante pislucht. Het ronde prieeltje is het middelpunt van het park, alle wegen leiden naar deze plek. Ieder wandelingetje weer. Zelfs wanneer een groepje door een inschattingsfout aan de overkant van het water is gaan zitten, draaien de zongebruinde snoetjes allemaal naar de overdekte hut. Dáár is waar het gebeurt. Dáár is waar ‘ze’ zitten.  

Wie ‘ze’ zijn is afhankelijk van wie jou opvalt in de generieke groepjes. Iedereen heeft daar diens redenen voor. Het kan aantrekkingskracht zijn, adoratie, aspiratie of simpelweg een herinnering aan de pesters van vroeger. De ander bestaat niet zonder jou. Voor mij zijn het de hockeyjongens: niet gespierd genoeg om als ‘asociaal’ aangeduid te worden en net iets minder bekakt dan de echte Jan-Willems. Allemaal uitgedost in gelijksoortige shorts tot boven de knie, halflang haar en een Carhartt shirtje of een ander futiel merk wat hip is op dat moment. Op maandag hadden ze donker haar en witte shirts. Op dinsdag waren ze voornamelijk blond. Op woensdag kwam ik net dichtbij genoeg om een Brabants accent te bespeuren. Natuurlijk zijn het steeds weer andere mensen, maar in mijn hoofd vormen ze samen een vast blok genaamd ‘de parkhangers’. Elke dag bespeur ik een variatie in die uniforme ander. Er is iets niet écht aan ze. Het is alsof je aan het begin van een videospelletje een karakter moet uitkiezen en het aanbod slechts uit minuscuul kleurverschil bestaat. Mijn ogen glijden over hun lijven en in mijn hoofd ben ik eventjes een Britt of Maartje die lachend een hand op de borstkas van ene Harm slaat. Ach, wat maakt het ook uit hoe ze heten. Ik wil ze zijn, opgaan in de groep. Uitgedost in een blonde paardenstaart en mom-jeans. Dan hoefde ik me even geen zorgen te maken over gekke blikken. “Wat is ze lang,” en “wat een manwijf,” zijn opmerkingen die dat soort meisjes niet te verduren krijgt. Hoe heerlijk zou het zijn om er zorgeloos bij te horen? De conversaties reiken niet verder dan hun studie Psychologie en wat die ene chick die er niet echt bij hoort, nu weer heeft gedaan.  

Een van de jongens in het groepje parkhangers wendt zijn blik af. Met dronken twinkeloogjes kijkt hij me aan. Ik schrik. Hij lacht. Ik zie hem een vriend aanstoten en naar me wijzen. De doemscenario’s in mijn hoofd beginnen te dagen; angstige gedachten zoals ‘heb ik iets op mijn gezicht zitten,’ en ‘lacht hij me nou uit?’ passeren de revue. Het is zo’n beetje het ergste wat de gemiddelde millennial kan overkomen: sociale verstoting. De jongen doet een stap in mijn richting. Ik versnel mijn pas. Nog twee stappen. Terwijl ik de uitgang van het park bijna bereik voel ik een hand op mijn schouder. 

Ik zit opeens naast iemand die ik niet echt aardig vind maar de angst om alleen te zijn overheerst. De cirkel is rond. Nu ben ik even onderdeel van ‘ze’. Ik hoor mezelf verhalen vertellen die ik net even wat aanzet. Wanhopig speur ik hun gezichten af, op zoek naar gelach en de erkenning dat ze mijn verhalen waarderen. Is dit het nou? Er sjokt iemand langs met hetzelfde verslagen postuur soortgelijk aan wanneer ik mijn wandelingetjes doe. Hij kijkt net iets te lang naar het groepje en ik zie het verlangen in zijn ogen. Wanneer ik naar hem probeer te glimlachen schrikt hij en loopt hij weer snel verder. De ironie wil dat ik mijn aanwezigheid bij de parkhangers, die ik zo-even nog veridealiseerde, als benauwend ervaar. Het liefst vlucht ik weg wanneer ik tot hun exclusieve clubje behoor. Snel maak ik een foto voor op mijn Instagram stories en pak ik mijn biezen. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s