De zon in kijken

Napoleon Bonaparte zou ooit gezegd hebben dat, als hij een geloof moest kiezen, de zon ‘als universele levensgever’ zijn God zou zijn. De zon als universele levensgever, als God. Als we te lang naar deze god kijken, raken we verblind. Toch zijn er veel mensen geweest die het risico hebben genomen, elk met een andere kijk op dezelfde ster.

De zon is natuurlijk wel aanbeden, zoveel wist Napoleon ook. Er zijn veel mensen geweest die, verspreid over de hele planeet, over verschillende tijdperken, naar dezelfde zon hebben gekeken en besloten dat deze heilig was. Dat is in principe niet geheel vreemd; zoals Napoleon zegt: de zon is een universele levensbron. De bron van nagenoeg alles wat wij consumeren, van lucht tot een salade tot de stukken vlees op ons bord, die op hun beurt weer plantaardig voedsel eten. Wij en ons eten vertoeven in een klimaat dat wordt vormgegeven door de energie die de zon de atmosfeer in straalt, en we bestaan uit deeltjes die ooit in het hart van een ster zijn ontstaan. En ook de stoffelijke resten van organisch materiaal dat diep in de aarde in olie, kool of gas is veranderd, hebben onder dezelfde zon geleefd, en zich genuttigd aan calorieën die uiteindelijk te herleiden zijn tot de zon. Als we het over een Alfa en Omega willen hebben met zeggenschap over onze planeet, komen we met de zon een heel eind. De massa’s die zich op een zonnige dag neerwerpen om urenlang te baden in het licht doen toch ook haast gelovig aan. Op zonnige dagen in de hoofdstad is de zon voor de een een bron van leven, van comfort, en voor de ander een brandend oog waar de blik te allen tijde van moet worden gemeden. Er zijn nu eenmaal een hoop manieren om naar de zon te kijken, zoveel wijst het verleden ook uit.

Plaats en Tijd

Het associëren van de zon met heiligdom is op zichzelf geen apart verschijnsel. De Amerikaanse astrofysicus Carl Sagan schrijft daarover in zijn boek Cosmos. Hij stelt dat er uit de natuurlijke wereld ook een zekere onsterfelijkheid is af te leiden. In de duisternis van de eerste nachten van onze soort zullen we omhoog hebben gekeken en ons hebben vergaapt aan de sterrenhemel. Of men toen wist dat de zon en al die kleine lichtjes in het donker van hetzelfde spul zijn, is weer een ander verhaal, maar wat wel zou blijken na vele nachten is dat de sterren elke nacht hetzelfde pad door de hemel baanden. Dit patroon van herhaling, dag die overgaat in nacht, zomer naar herfst, winter en lente, vogels die wegvliegen en weer terugkomen, planten die verwelken en weer groeien, is overal. Elke nacht sterft de zon, elke dag wordt hij herboren. De zon waakt hoog in de lucht boven al die veranderingen en markeert deze, markeert het passeren van de tijd.

De herkenning van deze patronen, het lezen van de tijd, was van levensbelang. Als je de zomer- en winterzonnewende weet te herkennen kun je bepalen welke kruiden, groenten en planten er binnenkort in bloei zullen komen, en welke kuddedieren zich tussen de gebieden waar die planten groeien bewegen. Neem dan de Poolster, een felle ster die altijd te zien is. Zelfs in een gebied zonder veel natuurlijke oriëntatiepunten, zoals een toendra, kun je vervolgens richting deze gebieden navigeren. Kennis van de hemel was misschien niet de kortste weg naar een volle buik, maar zeker de betrouwbaarste weg die op handen was. 

Dit belang duurde voort, ook nadat de mens aan landbouw en veehouderij was begonnen. Er zijn een aantal voorbeelden uit de vroege steentijd die ons leren dat men zich destijds nog altijd bewust was van het belang van astronomie, en zelfs bereid was enorme inspanningen te leveren om deze te beoefenen. Neem een Stonehenge. Het gigantische monument werd in de vroege steentijd gedurende pak ‘m beet 1500 jaar op een veld nabij Salisbury opgezet door verschillende generaties prehistorische mensen. Stonehenge werd naar schatting tussen 3100 en 1600 voor Christus gebouwd, in de eerste plaats op een grafheuvel. Rond 2600 voor Christus kreeg het een nieuwe, kenmerkende eigenschap: de zonsondergang op de winterzonnewende valt precies tussen de massieve stenen door. Stonehenge was op zijn minst ten dele een soort zonnewijzer. Waarschijnlijk is de doorgang daar speciaal voor verbreed. Hoewel hetzelfde geldt voor een ander punt van het complex en de zomerzonnewende, wijst archeologisch onderzoek uit dat de plek het meest bezocht werd bij de winterzonnewende. Zo bleek uit opgravingen in de buurt van Stonehenge, in de resten van een dorp uit de vroege steentijd, dat men rond de winterzonnewende op 21 december grote vieringen hield, of in ieder geval plotseling meer consumeerde. De grote hoeveelheden etensresten, onder andere van dieren rond de negen maanden oud, geboren in de vorige lente, kunnen ook impliceren dat er groepen mensen bijeenkwamen om het einde van de winter en de terugkeer van de zomer te vieren. De zon, de zomer, was hier, net zoals nu, een gegeven om te vieren. 

Dat de zon belangrijk was, dat zijn terugkeer om te vieren was, is inmiddels duidelijk. Maar hoe maak je van de zon een god? Dat het vanaf de aarde gezien verdraaid veel lijkt alsof de zon om óns heen draait, in plaats van andersom, helpt. Turend met het blote oog, zoals men in de vroege steentijd gedaan zal hebben, is het bijzonder moeilijk te destilleren dat er planeten zijn die soms tegen hun baan in lijken te gaan, als de aarde ze inhaalt in hun baan rond de zon. We zouden het verschijnen van de goden kunnen verklaren aan de hand van een doodlopend einde in de meetkunde. Zover het blote oog kan meten, wat te voorspellen valt, dat is bekend. Wat onbekend is, wat buiten onze controle valt, dat heet God. Barry Taylor, theoloog en gitaartechnicus voor AC/DC, zou ooit gezegd hebben:’God is the name of the blanket we throw over the mystery to give it shape’. De patroonherkenning van de mens was misschien in staat om te herkennen dat de zon, sterren en seizoenen in cycli bewegen, maar wat beweegt ze? Zelfs millennia later zou Newton nog zijn hoofd breken over ongeveer dezelfde kwestie: ‘Zwaartekracht verklaart de bewegingen van de planeten, maar het kan niet uitleggen wie de planeten in beweging heeft gezet. God regeert alle dingen en weet wat wordt of kan worden gedaan’. Newton trok het doek wat terug, maar kon ook maar een deel van het mysterie blootleggen. Achter de massale sluier waar de Stonehenge-bouwers op uit keken zullen zich misschien de eerste contouren hebben uitgetekend van wat later een volgroeide zonnegod zou zijn.

De estafette der goden

De zon heeft duizend gezichten, elke beschaving zag het in een ander licht. Toch zijn er gemene delers, verspreid over tijd en ruimte, waarmee we enkele thema’s kunnen onderscheiden die met de zon worden geassocieerd. 

In de meeste vertellingen is er een reden dat de zon door de lucht heen baant. Logisch: het heliocentrisme was tot de 16e eeuw als idee nauwelijks geopperd, laat staan in trek. Daarom reed Helios, later Apollo, door de Griekse hemel in zijn zonnekoets, voer Ra over de hete Egyptische lucht in een zonnebootje, trok een draak de koets van de Chinese zonnegodin Xihe en joeg de Azteekse Huitzilopochtli achter zijn broers en zussen, de sterren aan. 

Dan de rol als universele levensgever, zoals Napoleon het zou duiden. Zonder licht is er geen leven, zonder zon is er geen licht. In verschillende mythen speelt de zonnegod uit een gegeven pantheon een rol bij de schepping, soms in de hoofdrol, soms als figurant. De Egyptische Ra zou alle levensvormen hebben geschapen, nadat hij zelf als eerst uit een bloem geboren zou zijn uit de chaos. Ra’s zoon Shu werd geassocieerd met het leven. Nzambi, de zon in de Kongo cultuur van West-Afrika, schiep al dat bestaat uit een gigantische vonk. De Noord-Europese Samen associeerden Beaivi als zonnegodin met vruchtbaarheid en geestelijke gezondheid.  

De zon wordt ook vaak in een dualistisch verband samengetrokken met gerechtigheid en waarheid. Daartegenover staat dan vaak een idee van kwaad en duisternis. Het licht onthult wat eerst in schaduwen verhuld was, legt bloot wat verscholen wilde blijven. Denk bijvoorbeeld aan ‘iets aan het licht brengen’. Ra’s dochter Tefnut wordt geassocieerd met gerechtigheid. De Mesopotamische Shamash bestreed met zijn licht de duisternis en het kwaad. Misschien is het dan ook in dit kader van gerechtigheid dat zonnegoden soms in verband gebracht worden met een heersende, vrij absolute monarchie. Zo was Ra naar het schijnt de eerste farao en is de Japanse Amaterasu de oermoeder van de Japanse keizerlijke familie. Als jouw familie ontsprongen is van het licht der gerechtigheid is er een erg goed tegenargument nodig om je de macht te ontzeggen. Ook in het late Romeinse keizerrijk bleek ‘de onoverwinnelijke zon’, Sol Invictus, een nuttig vehikel om de heerschappij van de gens Aurelia te versterken. 

En dat brengt ons tot het christendom, waarin de esthetiek ook wars is van de zonnegoden. Dat valt misschien te verklaren aan de hand van juist die cultus van Sol Invictus die, net voor de instelling van het christendom als officiële staatsgodsdienst, de grootste populariteit genoot in het Romeinse keizerrijk. In de estafette der goden wordt nogal wat doorgegeven, en sommige goden dragen wat van hun voorganger met zich mee. Zo denken sommige historici dat 25 december als geboortedatum van Jezus gekozen werd, omdat dat nuttig samenviel met de Dies Natalis Solis Invicti, de geboortedatum van de zonnegod. In de vroege dagen van het christendom zou ene Celsus in de tweede eeuw beargumenteren dat het sowieso maar slappe hap was, dat christendom.

Celsus schreef het Alethes Logos, het ‘ware woord’. Hij meende dat het christendom bevolkt werd door – vrij geïnterpreteerd – blind gelovige idioten die met slecht verwoorde, leugenachtige teksten over saaie mensen een excuus vonden om geen verdere vragen te stellen voorbij het wel of niet bestaan van God. Het zou actief prooien op de zwakkeren en dommeren van het rijk omdat dat de enigen zouden zijn die in staat waren zulke kul zonder moeite aan te nemen. Christenen bekeerden zich door ‘slechte mensen te leiden met lege hoop’. Maria was ook helemaal geen maagd, die ging gewoon vreemd, en Jezus was met een hink-stap-sprong vanuit Egypte, via Perzië, naar Rome gekomen en eigenlijk niet veel meer dan een Oosterse zonnegod die een semitische makeover had gekregen. Celsus liep, zodat Nietzsche kon rennen.

Dat onze Jezus wat weg had van andere goden is vaker beargumenteerd, al was Celsus er vroeg bij. De 19e eeuwse Belgische academicus Franz Cumont boog zich ook over de gelijktijdige opkomst van de cultus van Mithras, Perzische god van zonlicht, en de vroege christenen. Mithras zou op zijn beurt weer een Perzische versie zijn van Mitra, een Indiase godheid wier takenpakket zowel de zon als waarheid en kosmische orde besloeg. Jezus de messias wordt ook wel ‘zon der gerechtigheid’ genoemd in Maleachi 4:2. Mithras smolt vermoedelijk samen met Sol Invictus, en gedurende enkele tientallen jaren aan kruisbestuiving van kunst en ideeën tussen de twee kreeg ook de christelijke iconografie een wat zonniger verschijning. 

Afijn, in de volgende eeuwen was de zon slechts één van de vele facetten van de schepping die onder de controle viel van één God. Op de vierde dag schiep God de zon, de maan en de sterren en vanaf toen zouden de hemellichamen braafjes om de aarde heen zwaaien. 

De zon als middelpunt

Nu, hoe de iconografie, de organisatie van het christelijk geloof en de opkomst van de Renaissance samenvallen is een onderwerp voor een geheel ander stuk. Wel was er een Poolse wiskundige die in 16e eeuw in een nieuw licht naar Plato en Aristoteles kon kijken, en daarmee de planeten bewoog. In Copernicus’ De revolutionibus orbium coelestium berekent hij dat niet de aarde, maar de zon het centrum van ons heelal is. Daarmee was de geest uit de fles. Met een hele grote stappen baande de sterrenkunde vanuit hem een pad naar figuren als Johannes Kepler en Christiaan Huygens, die de ruimte verdere kleur gaven met hun eigen revolutionaire ontdekkingen. De vroegmoderne tijd maakte plaats voor de Verlichting. Hoe kenmerkend dat de periode die mede dankzij de ontdekkingen van deze wetenschappers, die tegen de strenge en foutieve kerkleer in gingen, de ‘Verlichting’ heet, geheel in lijn met de waarheid die zo vaak onder het takenpakket van de een of andere zonnegod werd geschaard. Nog iets verder, en we zijn dankzij al dit voorwerk op de maan geweest, en hebben onszelf gezien vanuit kosmisch oogpunt. Een blauwe knikker in een zwarte zee. 

De zon is redelijk ontsluierd. We weten inmiddels wat hem beweegt, en wat de zon de zon maakt. De gehele geschiedenis die in dit stuk kort wordt beschreven speelde zich af onder dezelfde zon, die zich steeds in dezelfde baan over alle betrekkingen bewoog. Alle ontwikkelingen, alle terugvallen, elke grasspriet, elke mier, elk kind en elke bejaarde deelden hun tijd op in dezelfde gang van de zon die één dag beslaat. En zo geldt het ook voor de komende 3000 jaren aan menselijke ontwikkeling. Je kunt je afvragen hoe we dan naar de zon kijken. We hebben de zon in onze tijd op kleine schaal weten te recreëren, in kerncentrales en in atoombommen. Daar zit een grootheidswaan in, zoals dat vaak het geval was met degenen die zich de zon probeerden toe te eigenen. Aardopwarming, waarin de zon natuurlijk een cruciale rol speelt, doet denken aan de keerzijde daarvan. Zal er, met de nodige ontwikkelingen in hernieuwbare energie, een nieuwe waardering voor de zon ontstaan? Zullen we zonder die ontwikkelingen de zon beginnen te schuwen, als bode voor klimaatrampen en zengende hitte?  Tegelijkertijd is er ook een morgen voorbij al deze kwesties van vandaag. Er opent zich, hopelijk, een pad naar een slimmer benutten van de zon. Zonnepanelen zo ver het oog reikt met een kans op kernfusie, dat kan ook achter de komende nacht liggen. We weten het niet. Gezien vanaf de oppervlakte van de zon zijn wij slechts één lichtpuntje in een zee van anderen, zachtjes dobberend rondom ‘onze’ ster. 

Beeld Eelke Bijlsma

Plaats een reactie