‘Dames en heren, ik heb gezegd’

‘Ik was eigenlijk van plan om naar de kunstacademie te gaan’, zegt Lisa Kuitert. We zitten op een woensdagmiddag in haar kantoor op het BG-terrein tussen de stapels boeken die zij daar door de jaren heen verzameld heeft. En anders wilde ze wel naar de School voor Journalistiek – allesbehalve studeren, vertelt ze, ‘ook omdat dat zo een ontzettend uitgestippelde route was’. En toch loopt de hoogleraar Boekwetenschap, die volgend jaar met pensioen gaat, al sinds haar kandidaats rond op de Universiteit van Amsterdam.

In 1980 begon ze aan de opleiding Nederlands – aan de kunstacademie en de School voor Journalistiek werd ze immers niet toegelaten. ‘Ik was wel kunstzinnig’, zegt Kuitert hierover. Snel voegt ze daaraan toe: ‘Althans, dat vond ik zelf.’ Als een ware autodidact had ze echter nooit les gehad in het vak; haar ouders, broer en zussen gingen allemaal naar de universiteit en op het gymnasium kreeg ze evenmin de mogelijkheid om een kunstvak te volgen. ‘Alle tijd ging op aan Grieks en Latijn.’ 

‘Dan maar Nederlands.’ In tegenstelling tot een saaie studie als rechten, leek Kuitert deze keuze tenminste nog een beetje kunstzinnig. Het leren over boeken en schrijvers bracht haar immers dichter bij een van haar helden: Mensje van Keulen. ‘Dat was zo een coole gast’, zegt de hoogleraar Boekwetenschap. ‘Ik dacht: als je zo kunt worden… Maar je werd natuurlijk geen schrijver door Nederlands te studeren.’ Er liepen destijds wel een aantal toekomstige schrijvers rond op de UvA. Ze somt op: ‘Connie Palmen, Joost Zwagerman, Jessica Durlacher.’ 

Van student tot promovendus  

Kuitert rondde haar kandidaats af met een historisch onderzoek naar de positie van Betje Wolff en Aagje Deken tegenover de vernieuwde tijd. ‘Ik had een leuke woordspeling als titel, dat weet ik nog heel goed’, grinnikt ze. Die luidde: ‘De zucht van de verlichting’. Tijdens haar doctoraal besloot ze echter toch de kant van de Moderne Letterkunde op te gaan: ‘Dat leek me meer passen bij mij.’ Uiteindelijk studeerde de studente Nederlands af bij toenmalig hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Marita Mathijsen op een onderzoek naar boekhandelaren in het interbellum, waarbij ze hen in interviews de vraag stelde of zij toentertijd lezers met literatuur probeerden op te liften uit alle ellende. ‘Het bleek dat de ene helft dat wel deed, en de andere helft niet. Ja, goed… Het was toch een heel interessant onderzoek.’ 

‘Mijn scriptie was zo experimenteel dat de tweede lezer het maar raar vond met die interviews’, vertelt Kuitert wanneer ik haar vraag naar haar vervolgstappen. Ze maakte hiervoor gebruik van een nieuwe methode, oral history, die kort daarvoor door haar begeleider binnen de opleiding was geïntroduceerd. Mathijsen vond het onderzoek naar de boekhandelaren integendeel zo goed dat ze Kuitert wees op een nieuwe vacature als aio (assistent in opleiding) – nu bekend als PhD. ‘Het was voor het eerst dat er vanuit universiteiten betaalde posities kwamen voor promovendi.’ Volgens Kuitert probeerden ze hiermee meer jonge onderzoekers aan te trekken. ‘Daarvoor was het iets wat je naast je werk als docent deed’, zegt ze. Deze constructie zag er toentertijd echter iets anders uit dan nu. Als aspirant-assistent in opleiding moest je namelijk zelf een voorstel insturen, maar mits dit werd aangenomen, konden andere mensen vervolgens even goed op de gecreëerde positie solliciteren. De pas afgestudeerde Neerlandica schreef haar project als vervolg op de doctoraalscriptie over boekhandelaren en uitgeverijen. Meerdere mensen stelden zich kandidaat; gelukkig werd Kuitert zelf aangenomen. ‘Zo kwam ik dus in de wereld van de wetenschap.’

 ‘Dat had ik nóóit gedacht, echt helemaal nooit’, lacht ze. ‘Ik wilde naar de kunstacademie, ik woonde inmiddels in een kunstenaarshuis. Ik zat in een band. Ik was gewoon een hele ruige tante.’ Enerzijds vonden verscheidene mensen in haar omgeving het daarom heel gek dat Kuitert de wetenschap in ging, anderzijds was het gezien haar familiesituatie een logische volgende stap. Alhoewel ze zich eerder nog afzette tegen de uitgestippelde route van haar ouders, heeft het feit dat al haar gezinsleden hoogopgeleid waren haar in de jaren 80, die gekenmerkt werden door werkloosheid onder jongeren, toch enorm geholpen: ‘Als je uit een milieu komt waarin niemand gepromoveerd is, kan je je niet voorstellen om dat te gaan doen’, vertelt ze. ‘Dat kon ik wel.’ 

Tijdens haar promotietraject, waarin ze onderzoek deed naar literaire uitgevers in de negentiende eeuw, bleef Kuiterts voorliefde voor de kunst prominent aanwezig. Zo recenseerde ze boeken voor Vrij Nederland – wat toen, volgens haar, een podium was waar je trots op kon zijn als je erin stond. Daarnaast zat ze in andere redacties – ‘zoals jij doet met Babel’ – en probeerde zich op die manier hogerop te werken. ‘Je bent natuurlijk niets en niemand aan het begin van je loopbaan en je moet maar zien of iemand je opmerkt.’  

Vol trots vertelt ze dat ze binnen vier jaar promoveerde én dat haar proefschrift, dat speciaal werd vormgegeven alsof het zelf uit de negentiende eeuw kwam (inclusief belachelijk lange titel, gemarmerd schutblad, en versierde initialen), verkozen werd tot een van de Best Verzorgde Boeken van dat jaar. Vooral van het eerste heeft ze bij volgende sollicitaties veel profijt gehad. Ze verklaart: ‘Het is heel moeilijk om je aan deadlines te houden binnen de wetenschap. Als ik zei: “Ja, maar ik heb mijn proefschrift in vier jaar geschreven”, dan vond men dat behoorlijk bijzonder.’ 

Tijdelijke aanstellingen 

Desalniettemin was het na haar verdediging niet gemakkelijk om een baan te vinden. ‘Ik heb toen heel lang tijdelijke aanstellingen gehad’, vertelt Kuitert. ‘Vervanging van deze of gene, een paar uur per week, of soms een volledige week, dan weer een tijdje helemaal niks. Ik heb ook nog wat cursussen gegeven in bibliotheken en schreef dus die stukjes voor Vrij Nederland. Zo zong ik het wel een beetje uit, maar echt een baan had ik niet.’

Nog steeds is het gangbaar dat de universiteit onderzoekers met moeite een vaste aanstelling aanbiedt. Op de vraag of zij hier last van heeft gehad, antwoordt Kuitert twijfelend: ‘Ik was daar helemaal niet depressief over.’ Eenmaal moest ze in 1995 bij de HR-afdeling komen voor een outplacementgesprek – ‘Ik was er helemaal van ontdaan en ben huilend weggegaan.’ Als geluk bij een ongeluk, besefte ze vanaf dat moment dat ze graag haar werk op de universiteit wilde doorzetten. Ze stelt: ‘Iedere kleine aanstelling die je hebt, zorgt ervoor dat je blijft hangen.’ Uiteindelijk is dat haar gelukt doordat een collega één dag aan haar kon vergeven. ‘Financieel was het lastig, maar ik vond het ook een magisch leuke tijd,’ zegt Kuitert over deze onzekere periode. ‘Ik heb toen veel boeken gemaakt, en daarmee kreeg ik ook een beetje naam in het wereldje. Er kwamen heel veel leuke dingen uit voort.’ 

Pas vele jaren later kreeg Kuitert, met een ronde op de universiteit voor talentvolle jonge medewerkers, een vaste aanstelling aangeboden als fellow. Tijdens deze periode heeft ze, op aanraden van Mathijsen, de opleiding Redacteur/editor opgezet, die toen nog als minor (met stage) werd aangeboden. Zelf had ze toen dus al een aantal boeken op haar naam staan. Tijdens haar fellowship schreef ze bijvoorbeeld in opdracht van De Bezige Bij een verzameling van vijf boekjes over reeksen tussen 1945 en het jaar van publicatie, 1997, genaamd Het uiterlijk behang. De schrijfster was daarom zeer enthousiast om een studie op te zetten met vakken over redigeren en de werking van het boekenvak – ‘Heel veel studenten, en dat is nu nog steeds zo, beginnen aan de [de opleiding, red.] Redacteur/editor […] met het idee dat de uitgeverijen hele leuke bedrijven zijn waar idealisme de boventoon voert en het nooit over geld gaat’, vertelt Kuitert. ‘Dat is natuurlijk helemaal niet zo; die mensen hebben wel idealen, maar het kost ook heel veel moeite om zo een uitgeverij in de lucht te houden.’ 

Boekwetenschap

In 2001 werd er op de UvA een vacature gepubliceerd voor de positie hoogleraar Boekwetenschap. Frans A. Janssen, expert op het gebied van vroegmoderne drukken en Willem Frederik Hermans, die ervoor de betreffende leerstoel bekleedde, was echter een heel ander persoon dan Kuitert, vindt ze zelf. ‘Ik was echt wel een beetje een hups meisje, zal ik maar zeggen. Ik liep in paardrijbroeken en met gekke mutsen op, helemaal niet het type van een hoogleraar.’ En toch was ze op dat moment al een aantal jaren bezig met zichzelf te profileren als een ware kenner van boeken. Kuitert onderbouwt: ‘De boeken die ik recenseerde voor Vrij Nederland en de stukjes die ik schreef, gingen daar ook allemaal over.’ Op aandringen van haar omgeving solliciteerde ze voor de positie en werd, zoals we nu weten, aangenomen. 

Op 22 maart 2002 hield ze haar oratie over de culturele en economische positie van het schrijverschap. Vergelijkbaar met de motivatie achter het opzetten van de opleiding Redacteur/editor beargumenteert ze hierin: ‘Het is een paradox die ook nu nog het schrijverschap kenmerkt, waar geld een non-issue is, en ware kunst met armoede wordt geassocieerd. De paradox van de schrijver als hoer en heilige.’ Kuitert eindigt de inaugurele rede met de woorden: ‘Dames en heren, ik heb gezegd.’

Inmiddels werd de minor Redacteur/editor omgezet tot een master en kreeg Kuitert ook de master Boekwetenschap onder haar vleugels. Ze vertelt: ‘Bij Neerlandistiek was nog niet het besef dat Redacteur/editor zo een belangrijke poel voor talent zou zijn voor studenten. Ik kreeg voor mijn gevoel heel weinig support, totdat Everdien [Rietstap, red.] op de proppen kwam.’ Aan haar gaf ze de coördinatie van de master over, en de verse hoogleraar stortte zich vanaf dit moment bijna volledig op de andere opleiding, bijna, omdat ze nog wel een kernvak bleef geven bij Neerlandistiek. 

‘Het is een prachtige master, maar het heeft altijd in de gevarenzone gezeten’, zegt Kuitert over Boekwetenschap. ‘Ik moest iedere keer alle zeilen bijzetten om genoeg studenten binnen te halen en ook om te laten zien dat dit echt een eigen programma is.’ De relevantie van het vak ligt volgens haar vooral in de kennis van oude boeken – het herkennen van deze werken, hoe ze in het verleden hebben gefunctioneerd, het inschatten van hun waarde, het nadenken over hun herkomst, het weten hoe je ze moet bewaren, te bedenken hoe ze ontsloten kunnen worden voor volgende gebruikers, en ga zo door. ‘De hele boekcultuur is een samenspel van verschillende elementen’, volgens Kuitert. ‘Bij Geschiedenis kijken ze natuurlijk ook weleens naar een uitgeverij of naar een boek, maar dan is er niet genoeg oog voor het samenspel tussen lezers, schrijvers, drukkers, bibliotheken en boekhandels. Je moet dat hele veld eigenlijk overzien.’ Ze beargumenteert dat boeken de overblijfselen zijn van de mentaliteiten van vroeger: ‘Dichter bij het verleden kun je eigenlijk niet komen dan door middel van een boek.’ En juist daarom blijft haar vakgebied ook in het digitale tijdperk interessant: ‘Het besef dat een boek een onveranderlijk document is waar gewoon al eeuwenlang hetzelfde in staat – tenzij het een nieuwe druk is – dat kweek je wel bij Boekwetenschap.’

Het papieren boek 

In Het boek en het badwater uit 2015 pleit Kuitert dan ook voor het behoud van het papieren boek. Ze stelt dat het zien van fysieke boeken leeslust opwekt, een papieren boek makkelijker te gebruiken is, en dat het verzamelplezier bij het opbouwen van een digitale bibliotheek ontbreekt. Als dat nog niet overtuigt, doet dit het citaat van de Argentijnse schrijver Alberto Manguel dat de schrijfster aanhaalt in haar pleidooi: ‘De handeling van het lezen leidt tot een intieme, fysieke relatie waaraan alle zintuigen meewerken: de ogen die de woorden van de pagina opnemen, de oren die de gelezen klanken weergeven, de neus die de vertrouwde geur van papier, lijm, inkt, karton of leer opsnuift, de tastzin die de ruige of zachte bladzijde streelt, de gladde of harde band, zelfs de smaak, als de bladzijde bevochtigd worden bij het omslaan.’ 

Kuitert vertelt dat uit onderzoek inderdaad is gebleken dat de leeservaring van een papieren boek verschilt van die van een e-book. Hierin wordt beargumenteerd dat lezers zich beter kunnen verdiepen in een boek, dat het verhaal daardoor langer blijft hangen en er uiteindelijk meer gebeurt in het brein. ‘Ik herinner me nog heel goed een gesprek met iemand die mij interviewde in 2006 over de toekomst van het boek’, zegt ze. ‘En ik zei: “Nou, ik denk dat we over twintig jaar nog steeds papieren boeken lezen.”’ Ze lacht en slaat met haar hand op haar been om de reactie van de man die destijds tegenover haar zat te imiteren: ‘Die begon me toch te schateren! Die dacht echt dat ik gek geworden was.’ Hij was van mening dat digitaal lezen de toekomst zou overnemen en dat het papieren boek daarmee zou verdwijnen. Maar, zoals Kuitert al raadde, was hij zelf geen lezer. ‘Mensen die graag lezen weten wat een plezier het is om een papieren boek vast te hebben’, besluit ze de anekdote.  

Met pensioen

Ter afsluiting van deze zeer bewogen loopbaan aan de universiteit, geeft de hoogleraar Boekwetenschap vanaf aankomende september nog één jaar les. ‘Ik ga heel erg genieten van het laatste jaar college geven, en tegelijkertijd ben ik ook wel blij als het voorbij is’, zegt ze. Evenals het lesgeven, slorpt vergaderen en het bijhouden van de administratie haar namelijk enorm op. Kuiterts toekomstplannen weerspiegelen, in tegenstelling tot deze bureaucratische taken, wederom haar kunstzinnige karakter. Ze vertelt: ‘Mijn hoofd zit vol met boekenplannen; ik kom mijn tijd wel door.’ 

Zo is ze bijvoorbeeld van plan om haar onderzoek naar bibliotherapie voort te zetten, wil ze over de geschiedenis van de literaire uitgeverijen in Nederland schrijven en blijft ze bezig met de koloniale geschiedenis van het boekenvak in Nederlands-Indië. Volgend jaar komt er daarnaast een nieuw boek uit van Kuitert – ‘dat is wel een sneak preview die ik je nu geef’ – over de bibliotheek van Henny Vrienten, de zanger van Doe Maar en poëziegek. Met drie studenten heeft ze de 7.500 boeken uit de boekenkast van de in 2022 overleden artiest geïnventariseerd. In 2009 gaf ze een soortgelijk boek uit, De lezende Lucebert. ‘Het zegt wel iets, wat iemand op de plank had; zeker als het een verrassende combinatie is’, vertelt ze over deze twee projecten. Van de dichter wist ze van tevoren dat hij een grote lezer was, maar bij het onderzoek naar Vrienten werd ze verrast – ze had geen idee dat hij zoveel werken in bezit had. ‘Dan vind ik het echt heel leuk om te kijken naar wat iemand heeft, wat hij ermee heeft gedaan en wat hij er zelf over zegt.’ 

Het is tijd voor de fameuze slotvraag: ‘Wat zou je de lezer van Babel, als aspirant-onderzoeker, nog willen meegeven?’ De moed is mij na de studentenprotesten en bezuinigingen de afgelopen jaren immers steeds dieper in de schoenen gezakt. Kuitert beantwoordt: ‘Solliciteer op alles wat je tegenkomt en zet het vervolgens naar je eigen hand. Dus als je een onderzoeksvoorstel voorbij ziet komen naar troubadours in de achttiende eeuw, maak je er gewoon zangers in de eenentwintigste eeuw van.’ Ik kijk haar verbaasd aan. ‘Bij wijze van spreken’, ze glimlacht. ‘Nee, echt bij wijze van spreken.’ 

‘Heel veel van die onderzoeksvoorstellen moeten voldoen aan een bepaald soort thema – dat is mij een doorn in het oog; in mijn tijd bestond dat nog niet’, onderbouwt Kuitert haar advies. De bedenkers ervan hopen, volgens haar, dat een promovendus van deze soms vergezochte voorstellen vervolgens een serieus onderzoek weet te maken. ‘Over het algemeen wordt het in de wetenschap gewaardeerd als je zelf met ideeën komt. Ook als die niet helemaal aan het profiel voldoen, kunnen ze toch zo slim en leuk zijn, dat je daarmee verder komt.’ Een andere mogelijkheid is om als buitenpromovendus aan de slag te gaan en aanvragen te doen bij verschillende stipendia. Ze sluit af: ‘Het moet ook wel een beetje uit je tenen komen.’ 

Beeld Gregor Servais

Plaats een reactie