Anselmus de anti-filosoof

In een interview met Tirade zei Gerard Reve: ‘Of God bestaat, weet ik niet, en kan ik ook nooit weten. Maar als hij zich in mijn leven aan mij openbaart, is mij dat genoeg, en vraag ik niet verder. Waarschijnlijk heeft God het bestaan niet eens van node, om zich te openbaren.’ Hij wendt zich tegen mensen, zoals Jan Wolkers, met een al te dingige voorstelling van wat God zou moeten zijn. ‘Ze willen God op de foto hebben, of in een doos, en liefst in een stopfles. Ze willen zijn soortgelijk gewicht weten. En als dat niet lukt, dan worden ze nijdig.’ De christenheid heeft zich onuitputtelijk vermoeid het bestaan van God te bewijzen, maar zou je een geopenbaarde God nog moeten bewijzen? De massa is ook niet overtuigd. Toch nat het christelijk zweet zinloos nog steeds de grond.

Inmiddels mogen we het streven wel opgeven om denkend een voorstelling van God te construeren, zodat we dan die voorstelling tot schepper en redder kunnen verklaren en zo Zijn bestaan vast te stellen. Daarmee zeg ik waarschijnlijk niet veel controversieels. De filosofie heeft natuurlijk nog wel interesse om de werkelijkheid fundamenteel te begrijpen, maar ze staat raar te kijken als ze God zou vinden, liefdevol en almachtig, alwetend maar barmhartig. Dat hoeft voor het geloof natuurlijk geen probleem te zijn. Zoals Gerard Reve zei, hoeft iemand God niet te bewijzen, als God hem al openbaar is. Hooguit als de gelovige zou beweren dat zijn waarheid algemeen geldt, maar dat spreekt het openbaringskarakter van het christelijk geloof tegen. Geloof is reactie op een gebeurtenis, een antwoord op aanspraak. Zolang die aanspraak er niet is, is het geloof fundamenteel onwaar. Geloof zonder aanspraak is slechts religie, of met een moderner woord: zingeving. Een omgangsvorm met de zinloosheid van onze moeiten, het project van een absoluut doel. Pas als God zich heeft geopenbaard, kun je geloven. Als een Christen zijn geloofswaarheid gaat bewijzen, kan getwijfeld worden aan zijn geloof.

Welke interesse kan de theologie dan nog hebben in de Godsbewijzen? Langs die weg zullen Zijn eigenschappen niet gevonden worden, Gods liefde is alleen geopenbaard. Een fundamenteel begrip van de werkelijkheid is nog geen God. Toch heeft de theologie altijd godsbewijzen in haar systematiek opgenomen, en ondanks het voorgaande, meen ik dat daar reëel belang bij is. Maar dat belang heeft de theologie niet daarin, om het het gelijk van het geloof te bewijzen, zelfs niet voor een deel. Het epistemologisch onderscheid tussen theologie en filosofie is geen verschil in graad. Het absolute recht van de geloofstitels van God kan een mens niet bewijzen. Dat God barmhartig is, kan een mens alleen weten omdat God dat zelf heeft laten zien, toen hij aan het kruis hing om de mens van zonden vrij te spreken. Dat weet de mens omdat God zelf de mensen heeft willen genezen, omdat God zelf bij de mensen wilde zijn, de maaltijd met hen wilde delen, Johannes op zijn borst liet liggen en glimlachte toen een overspeelster voor hem stond.

Nadat God zich heeft geopenbaard staat er echter nog een vraag open voor de theologie: wat heeft zich hier geopenbaard? Dat ‘wat’ kun je ‘God’ noemen en de meeste mensen zullen daarbij ongeveer de juiste voorstelling hebben. De menselijke zingevingsprojecten bieden over het algemeen het inzicht dat het woord ‘God’ belangrijk is. Maar het belangrijke kun je nog altijd links laten liggen. De theologie moet duidelijk maken dat hetgeen zich geopenbaard heeft voor de hoorder een absoluut belang heeft. De christen moet niet denken dat God weliswaar belangrijk is, maar er ook wel andere belangrijke zaken zijn. Daarom is er belang bij over het absolute te spreken, het fundamenteel ware te thematiseren. Dat is de functie van de Godsbewijzen. Dat is geen terugval in de geloofsbewijzen, omdat nog steeds niet bewezen wordt dat de inhoud van de christelijke verkondiging het fundamenteel ware is. Die bewering is zelf inhoud van de verkondiging, maar om dat te verkondigen, moet het woord ‘God’, het fundamenteel ware, wel gedacht worden en als noodzakelijk begrepen zijn. Daarom moet de theologie altijd terugvallen op dit ene filosofische thema.

Dat betekent niet dat de filosofie de weg bereidt voor de theologie. Het gaat er niet om de mens al voor de openbaring tot ‘Hörer des Wortes’ te verklaren, zoals theoloog en jezuïet Karl Rahner dat deed. De mens is geen natte grond die alleen nog door zaad bezwangerd hoeft te worden. De mensen zijn haast zonder uitzondering goed op weg met hun zoektochten naar zin. Natuurlijk zijn er nihilisten, defaitisten, maar die verwachten dan ook geen woord te horen. Weinigen verwachten een antwoord van het absolute, weinigen hopen op een woord, maar een vraag stellen is hem beantwoorden. Door te vragen is het antwoord al voorgegeven en alleen het gehoopte antwoord wordt begrepen. Zelfs door zich het zuiverste systeem van het absolute uit te denken, maakt de mens zich niet vruchtbaar voor het woord van God. Als christelijke wetenschap komt de godsdienstfilosofie inhoudelijk na de theologie hoewel ze systematisch aan het begin van een theologisch boek moet komen, omdat er zonder bepaling van het woord God van de rest weinig te begrijpen is.

De beruchte God-bewijzer Anselmus van Canterbury wordt vaak verdedigd door naar de volgorde van zijn tekst te kijken. Hij zou God helemaal niet bewijzen, want hij begint bij het geloof. ‘Gij hebt mij geschapen, en opnieuw geschapen, en alle goede dingen hebt Gij mij gebracht, maar ik heb U nog niet gekend.’ Nadat hij al gelooft, vraagt hij God of hij Hem ook mag begrijpen. Dat is wel een goed punt, maar de verdediging valt of staat met de vraag of die volgorde wezenlijk of slechts toevallig is. Met andere woorden, wordt aan het einde van het werkje datgene gekend dat eerst slechts werd geloofd? Als dat zo is, zou het Christelijk geloof per ongeluk alsnog bewezen zijn en tot algemene waarheid verworden zijn.

In zijn afleiding van het Godsbegrip schrijft Anselmus het een aantal eigenschappen toe, dat is hem natuurlijk niet te vergeven, maar veel inhoud heeft een begrip als ‘goed’ hier eigenlijk niet. Hij zegt alleen maar dat niet gezegd kan worden dat God niet goed is, hij ontkent een ontkenning. Er valt geen ontkennend oordeel over God te vellen. Ook het bewijs van Gods barmhartigheid bestaat vooral uit de ontkenning van barmhartigheid als bepaald begrip. De afleiding van Gods eigenschappen heeft eerder een apofatisch, ontkennend en leegmakend, karakter.

Op het moment dat Anselmus bij de vergeving van zijn zonden aankomt, wordt hij zich bewust van de onmogelijkheid het natuurlijk-theologische project: ‘als het dan Godslastering is om te zeggen, is het toch toegestaan te geloven dat Gij U over de slechten ontfermt!’ Uiteindelijk loopt de hele poging spaak: ‘U bent niet alleen datgene dan welk niets groters gedacht kan worden, U bent iets dat groter is dan gedacht kan worden. … Nog altijd verbergt gij U, Heer. … mijn ziel hoopte al op verzadiging en weer wordt ze door gebrekkigheid vertrapt.’ Inhoudelijk komt het nog altijd op geloof aan, daarom moet het geloof eerst gekomen zijn en het geloof blijft het eerste, ook na de hele denkoefening. Waarom komt Anselmus dan met zijn Godsbewijs? Omdat God ‘kleiner is dan het grootste dat gedacht kan worden’ als God niet groter dan het grootste is. ‘De schepping zou boven haar schepper uitstijgen en oordelen over haar schepper.’ Het gaat dus alleen maar om de identificatie van ‘God’ met het ‘nog hogere’! Datgene dat zich in het evangelie geopenbaard heeft moet wel het fundamenteel ware zijn. Die identificatie wordt dan tot lofzang, een lied van vreugde en verheuging.

Om te weten wat zich geopenbaarde toen God zich openbaarde, thematiseert Anselmus het absolute. Daarmee identificeert hij dan de zich Openbarende. Hij is datgene waarover de mens zijn eigen logische oordeel moet onthouden. De mens kan God niet tot een eigenschap beperken. Maar God oordeelt zichzelf, onderwerpt zichzelf aan particulariteit en openbaart zich zo. Het moment van geloof is het moment waarop het vertrouwen ontstaat dat deze particulariteit, Jezus Christus, identisch is met de fundamentele werkelijkheid waaraan een mens zich niet kan onttrekken. Psalm 147 beschrijft precies deze gedachte, of dit wonder: het is juist de Albeheerser die zich aan Israël openbaart: ‘Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien heen. // Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend.’ Geloven in Jezus Christus is betekenisloos als deze persoon niet op een Godsbegrip betrokken kan worden. Dit is ook de zin van het Johannesevangelie. Het wil laten zien hoe pas in Jezus Christus het licht van God, dat anders niet gezocht wordt, gevonden wordt. ‘In den beginne was het Woord … het Licht der mensen. En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft Hetzelve niet begrepen.’ Zonder de openbaring blijft God nog altijd het onbepaalde absolute, maar dan komt die openbaring, wordt Jezus Christus geboren: ‘Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.’ (Joh. 1:1,5,9)

Reve had gelijk. God heeft het bestaan inderdaad niet van node om zich te openbaren. God is het licht dat zich aan het oog onttrekt. God is, met Anselmus gesproken, de werkelijkheid voordat het oordeel geveld wordt en kennis tot stand komt. Kan van die werkelijkheid gezegd worden dat ze bestaat zoals ook een fietsventiel bestaat? Eigenlijk niet. Toch openbaart hij zich en dat is het wonder en een groter wonder is het geloof. De theologie vraagt werkelijk niet veel van de filosofie, alleen dat de gedachte van een fundamentele waarheid gevat wordt, dat datgene waarover de mens geen macht heeft gethematiseerd wordt. Dan kan de verkondiging zeggen dat de mens het laatste woord ontnomen is, dat hij niet zelf kan oordelen over de aanspraak die God aan hem richt, dat het enige eerlijke antwoord geloof is.

Tekst Tim Smit, beeld Kian Moradi

Plaats een reactie