Precies vijf jaar na zijn overlijden, verscheen op 30 oktober 2015 een nieuw boek van een van Nederlands grootste schrijvers van de twintigste eeuw, Harry Mulisch. In de brochure kondigde De Bezige Bij aan: ‘In de nalatenschap […] bevindt zich het onvoltooide, mysterieuze manuscript van De ontdekking van Moskou.’ Helaas werd de roman, gebracht door Marita Mathijsen, emeritus-hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de UvA en cultuurwetenschapper Arnold Heumakers, zelfs al voor publicatie bestempeld als ‘mislukt’. Toch valt er een zekere waarde te behalen uit dit onmogelijke project.
In de documentaire Harry Mulisch, schepper van zichzelf vertelt Adriaan van Dis dat journalist en politicus Hans van Mierlo eens zei dat hij weleens wakker wordt met de gedachte: ‘vandaag faal ik, vandaag ga ik eraan, vandaag val ik door de mand.’ Waarop Mulisch reageerde: ‘Dat heb ik nou nooit. Ik word wakker met de gedachte: vandaag gaan ze er allemaal aan.’ ‘En dat was Mulisch,’ besluit Van Dis de anekdote. Het is bekend dat de schrijver zijn genialiteit niet onder stoelen of banken schoof. ‘Hoe ouder hij werd, hoezeer z’n ego uitdijde, tot het ongeveer de grootte had van het Concertgebouw,’ grapt de Vlaamse schrijver Herman Brusselmans in de Nieuwe Revu. Mulisch verzocht Prins Claus om hem enkel aan te spreken met ‘meneer’ en koningin Beatrix om zijn schoenen te poetsen. Toch lag onder deze arrogantie een keerzijde verborgen. ‘Als ik zeg: “Ik ben de grootste schrijver,” dan is dat natuurlijk zelfironie. En wie dat niet aanvoelt, is niet mijn vriend,’ aldus de schrijver zelf.
Want ook Mulisch kende zijn falen. Het is niet voor niets dat De ontdekking van Moskou van 1961 tot aan 2015 in zijn werkkamer is blijven liggen. Zes versies, bestaande uit drukproeven, typoscripten en manuscripten, hebben zich door de jaren heen opgestapeld. En dat zijn ze niet eens allemaal, volgens Mathijsen. Mulisch had namelijk de gewoonte zijn verhalen eerst met pen in een cahier te schrijven en vervolgens continu verbeteringen aan te brengen op zijn eigen werk. Daarnaast maakte de schrijver op losse papieren schema’s en aantekeningen, en had hij weer aparte schrijfblokjes voor sporadische invallen. Pas wanneer hij tevreden was, ging hij achter de typemachine zitten om de verzameling aan opschriften te bundelen in een typoscript – waar hij wederom met de hand wijzigingen op aanbracht, evenals op de drukproeven.
Het gegeven dat Mulisch daarnaast het derde typoscript in 1970 plunderde en hele paragrafen gebruikte voor Paralipomena Orphica, maakte het traceren van de ontstaansgeschiedenis niet gemakkelijker. Toch hebben Mathijsen en Heumakers uit deze derde versie het uiteindelijke verhaal weten te ontwaren. Het gaat zo: de journalist Dirk Herxen vertrekt naar een ruïne in Italië om te werken aan zijn roman over schrijver A die een boek schrijft over schrijver B (door schrijver A ‘A’ genoemd). Deze schrijver B, ofwel schrijver A, maakt een vergeefse expeditie naar Moskou. Bij dit drieledige Droste-effect blijft het niet: nog voordat Herxen het manuscript over de eerste schrijver A kan afmaken, verdwijnt de journalist plots. De taak komt in handen van zijn jeugdvriend, J. Brugman. Helaas lukt het ook hem niet om het karwei af te maken. Na zijn dood vraagt Brugmans weduwe aan een zekere H.M. om het over te nemen. Het boek eindigt met de simpele zin: ‘Hier breekt het manuscript af’.
Het overgeleverde typoscript van Mulisch bestaat dus uit het oorspronkelijke verhaal van Herxen over schrijver A, de stukken tekst die schrijver A heeft opgesteld over schrijver B, het commentaar van Brugman en de aantekeningen van H.M. De editeurs voegen hier, waarschijnlijk tot Mulisch’ vreugde, nog een laag aan toe. Met hun eindnoten geven ze de lezer inzicht in de ontbrekende paragrafen in het typoscript. Het resultaat is een onmogelijk te lezen boek. Het verhaal springt, mede dankzij de missende stukken, door tijden en plaatsen, en vaker wel dan niet is het makkelijk te ontwaren of schrijver A of B aan het woord is. Kortom, zoals journalist Arjen Fortuin in de NRC over de roman schrijft: ‘Van al te veel Droste wordt een mens misselijk.’
Eén dag voordat De ontdekking van Moskou uitkwam, verscheen er in lijn met deze kritiek een snerende recensie van voormalig Volkskrant-redacteur Arjan Peters in de krant. ‘Al schijnt hij op het ziekbed dat zijn sterfbed werd plotseling alles best gevonden te hebben, wat er nu gebeurt heeft Mulisch in de tientallen voorafgaande jaren met reden willen tegenhouden,’ schrijft hij op 29 oktober 2015. Het zou volgens Peters immers nooit Mulisch’ bedoeling zijn geweest om zijn feilbaarheid kenbaar te maken. Bovendien beschuldigt de criticus de editeurs ervan dat zij ‘de levenloze brokstukken van een onleesbare roman aan de man proberen te brengen als de sublieme spil in het oeuvre’.
Ergens heeft Peters gelijk. Hoewel Mulisch Mathijsen nadrukkelijk heeft gevraagd om De ontdekking van Moskou postuum te publiceren, vond ze na zijn dood tussen de paperassen een handgeschreven briefje waarop stond: ‘Dit is bloedeloos, gaat niet over mensen. Dit niet meenemen in het zevende decennium van mijn leven.’ Bij het volgende punt van kritiek gaat Peters echter finaal de fout in, Mathijsen en Heumakers hebben namelijk nooit beweerd een goed boek op de markt te brengen. Integendeel, volgens Heumakers oogt de roman als een ‘literaire midlife crisis’ en Mathijsen beschrijft het boek in 2007, acht jaar voor publicatie, als een foetus die nooit geboren wil worden.
De waarde van De ontdekking van Moskou ligt dan ook niet in het prachtige proza of het meeslepende verhaal, maar moet gezocht worden in wat het boek onthult over het schrijfproces van Mulisch. Dat de editie volgens Peters laat zien dat Mulisch ‘tijden vruchteloos kon worstelen en sleutelen, en dat niet alles wat hij aanvatte uiteraard in glanzend goud veranderde’ is, in contrast met wat de criticus beweert, juist wat het zo uniek maakt.
Gelukkig zijn er genoeg recensenten die dit destijds wel begrepen. ‘De ontdekking van Moskou was een doodlopend pad,’ schrijft Fortuin. Alhoewel hij hiermee in de schoenen van Peters lijkt te treden, differentieert hij zich vlug met de volgende zin: ‘Dat is jammer voor de onvoorbereide, losse lezer, maar het maakt het boek in het oeuvre van Mulisch des te interessanter.’ Ook schrijver Arie Storm deelt deze mening. De kracht van de roman ligt volgens hem in ‘de spanning die erin wordt opgeroepen tussen “lekker” schrijven en “verantwoord” schrijven’. Mulisch had het enkel beter kunnen doen als hij het nóg radicaler had aangepakt, beargumenteert Storm in Het Parool.
‘Dichter bij een schrijver aan het werk kan een lezer niet komen,’ stelt De Bezige Bij terecht in de aanbieding. Heumakers en Mathijsen hebben met hun commentaar een prachtige editie neergezet. De eindnoten, twee nawoorden en scans van het typoscript openbaren een nieuw perspectief op het werk van Mulisch, zowel met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van De ontdekking van Moskou als in relatie tot de inhoudelijke referenties naar ander werk. Het enige wat nog mist zijn Mulisch’ aantekeningen op het werk van de editeurs.
Tekst Isa Kistemaker
