Gods warme zon

De zomer is een tijd van algemene zegen. De zon straalt warm licht over een nieuwe wereld. De rechtgeaarde Hollander stuift naar alle windhoeken uit om daar door de zon beschenen te worden. Hij zal zijn ledematen in dankgebed spreiden. De zon is onverschillig in haar gunsten, ze beschijnt eenieder. Daarmee is de zon volgens Jezus een voorbeeld. Ook wij kunnen tot zegen zijn voor ieder, zoals God de zon laat opgaan over goede en slechte mensen.

Jezus zegt in de Bergrede. ‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” Dit zeg Ik daarover: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen; alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen.’ (Matt. 5:43-45) Hoewel de vergelijking op het eerste oog een zekere inzichtelijkheid aan het leerstuk biedt, verandert het gemak van de voorstelling van een licht verwarmende zon al snel in irriterende ontevredenheid. Hoe kan het liefhebben van medemensen, van vijanden, vergeleken worden met het meest neutrale gegeven van het menselijke bestaan: dat de zon opkomt? De richting van de vergelijking draait om: het extreem bewuste dat het liefhebben van een vijand en vervolger vereist, wil nu betekenis geven aan de opkomende zon.

Anti-ethiek

De Bergrede is Jezus’ verkondiging van een anti-ethisch leven. Hoewel een groot deel van de tekst en alle aansporingen teruggaan op Jezus, is het duidelijk dat Mattheus de tekst sterk heeft gecomponeerd en er de mooie preek van heeft gemaakt die ze nu is. In het Lukasevangelie komen we een veel kortere Bergrede tegen en is de inhoud die Mattheus in een lange preek weergeeft verspreid. Juist uit Mattheus’ compositie kunnen we twee belangrijke punten afleiden over hoe hij, en de vroege christenen om hem heen, deze teksten van Jezus hebben begrepen. Ten eerste opent Mattheus de Bergrede, die over drie hoofdstukken loopt, het eigenlijke corpus van zijn evangelie. Daarvoor komt alleen de voorgeschiedenis van Jezus. De Bergrede geeft, in de samenhang van het Mattheus-evangelie, het interpretatieve kader voor al Jezus prediking en handelen, tot op zijn dood aan het kruis toe. Ten tweede maakt Mattheus van deze teksten een preek die voor een grote menigte gehouden wordt. Daaruit wordt duidelijk dat Mattheus en zijn toehoorders van mening waren dat de prediking van de Bergrede voor alle volgelingen van Jezus gold, niet alleen voor de discipelen.

Het is dus niet mogelijk te zeggen, zoals in de kerkgeschiedenis vaak wel gezegd werd, dat de Bergrede slechts voor een bepaalde kerkelijke kaste bedoeld is, dat de rest de Bergrede rustig kan negeren. Ook gaat het niet op te zeggen dat het helemaal niet nodig is de onmogelijk hoge eisen van de Bergrede in de praktijk te brengen en dat je alleen maar hoeft te denken dat het eigenlijk goed zou zijn als deze praktijken wel uitgevoerd werden – dan wel met een martelend schuldgevoel, dan wel met trots op de eigen geestesgesteldheid. De laatste parabel of vergelijking van de Bergrede zet namelijk precies twee hoorders, twee kerkmensen tegenover elkaar: degene die doet, en degene die niet doet. De laatste van deze gaat te gronde. Dan zit de lezer echter met een probleem. Als moreel voorschrift is de Bergrede weliswaar mooi, maar ook totaal krankjorum, op de laatste letter toe. Zo valt niet te leven, zo valt er geen samenleving op te bouwen. Het lijkt wel aardig om je geen zorgen te maken over de dag van morgen, maar het zal je vaak hongeren.

Dat is het anti-ethische van de Bergrede. Dat wordt in de vergelijking met Aristoteles, de typische ethicus, snel duidelijk. Zijn vraag is hoe hij moet leven als hij gelukkig wil worden. Zijn morele systeem gaat uit van een doel, en nadat dat doel gesteld is, is er alleen nog de praktische vraag hoe dat doel te bereiken. De ‘ethiek’ van Jezus laat iedere praktische overweging links liggen, ze gaat namelijk niet van een doel uit, maar van een feit. Het feit van de verlossing en de verzoening die in Christus naar de mensen is gekomen en met het kruis en de opstanding is volbracht. Het doel is al bereikt. Dat betekent voor de volgeling van Jezus – want voor hen en alleen voor hen kan deze boodschap gelden – dat het al goed is, dat er niets meer bewezen hoeft te worden en dat niets meer wat kan veranderen aan de zin of onzin van het leven. De zinvraag is voor de Christen passé. Dat geeft de Christen een absolute vrijheid die hij in de absolute naastenliefde jegens allen kan laten zien en wie dat niet kan, is kennelijk niet vrij. In deze vrijheid bestaat het koninkrijk van God.

Tegelijk is duidelijk dat die beoefening van de liefde voortdurend problematisch is. Het hele leven raakt ontspoord als men het voorschrift van de liefde navolgt, dat is misschien haar geheim. Het weigeren van geweldsuitoefening komt je als persoon duur te staan en is voor een land ondenkbaar. Het gelijkzetten van de liefdeseis voor alle personen leidt tot absurde situaties waarin het goede niet zonder zonde gekozen kan worden. Het leven van degenen die Jezus navolgen is daarom evengoed een leven in afwachting van de tijd waarin dit leven onproblematisch wordt. Dat is de verwachting van het einde der tijden, ofwel het einde van de tijd waarin de omstandigheden de liefde onmogelijk maken, het einde van de tijd waarin de vergeving een verborgen feit is. Die eindtijd is de apocalyps, letterlijk de ‘onthulling’. Die zal een openbaar – offenbar en öffentlich – liefdesleven mogelijk maken.

Ondanks dat moet in het nu, de tijd van verwachting, Jezus’ anti-ethiek uitgevoerd worden, en nu leidt ze altijd tot tegenstrijdigheid. Dan wel de absolute tegenstrijd met de wereld die leidt tot de marteldood, omdat de geldende waarden niet als absoluut worden erkend, dan wel de tegenstrijdigheid van collaboratie met de wereld omwille van de liefde, waarbij voor Gods aangezicht deelgenomen wordt aan een verrot systeem. Het leven dat Jezus voorstelt, is dus een praxis van liefde in de spanning tussen het al vergeven zijn en het nog openbaar moeten worden van de vergeving.

Wees als de zon

Dat de liefde werkelijkheid moet worden, maakt Jezus in de Bergrede duidelijk door een zestal antithetische uitspraken, die als voorbeelden dienen voor het handelen dat bij het Koninkrijk van God hoort. ‘Jullie hebben gehoord/dit zeg Ik daarover’. Steeds wordt tegenover een praktische leefregel de onpraktische eis van de liefde gezet. De laatste daarvan is de eis om vijanden lief te hebben. Hierin wordt het punt van de voorbeelden van christelijk liefdevol handelen samengevat: het maakt niet uit wie het is, je bent de mensen om je heen liefdevol toegekeerd. ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ (Matt. 22:39) Dat is een eis die alle praktische vragen overstijgt. Juist als het onpraktisch is, moet een christen zich de vraag stellen: waarom heb ik nu niet toch lief? Zelfs voor de meest lachwekkende kleinzieligheid staat een christen open: ‘als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op’. (Matt. 5:41) Als we zo liefhebben, zelfs onze vijanden en vervolgers, dan zijn we werkelijk kinderen van onze Vader in de hemel. ‘Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen.’ (Matt. 5:45)

Dat wij kinderen van God worden doordat wij vijanden en vervolgers liefhebben zoals God de zon over goeden en slechten laat opgaan, schijnt nieuw licht op wat het betekent dat God de zon laat opgaan. De zonsopkomst, een zonnestraal op een mooi gezicht, het warme avondlicht op de bomen, ze zijn allemaal geen nuchter gegeven, ze zijn liefdeshandelingen van God. Als deze daad van God wordt vergeleken met de liefde die een Christen gevraagd is voor zijn medemens te hebben, is het niet een afstandelijke, algemene, onbedoelde gave tegenover de uitdrukkelijke, zich vernederende, liefdevolle redding in Jezus Christus’ kruisdood. De zonsopkomst, als tijd van ommekeer en overwinning, is de tijd waarin God te hulp komt (Ps. 46:6), is een zegen van God en als zegen is het niet vanzelfsprekend dat de zon over de goeden en de slechten opkomt, maar dat komt ze, en in die zin is Gods gave onverschillig. De goeden en de slechten delen beiden in de gave van de zonsopkomst, God maakt daarin geen onderscheid.

De zonsopkomst kan echter ook anders begrepen worden. Het licht van de zon staat in de Bijbel ook voor het openbaar worden van God. God zelf is namelijk de zon die de wereld wil verlichten. ‘De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar de HEERE zal u wezen tot een eeuwig Licht.’ (Jes. 60:19) God is dan ook gekomen om de wereld tot een licht te zijn. Christus namelijk ‘was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.’ (Joh. 1:9) Aan drie van zijn leerlingen toonde Jezus zichzelf als het licht der wereld, toen hij verheerlijkt werd boven op een berg. ‘Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.’ (Matt. 17:2) Het licht van Christus is over goede en slechte mensen uitgegaan, en in dat licht zijn de verschillen vervaagd die eerder bepaalden wat wel en niet lovenswaardig is. De trots die onder de mensen terecht geldt, geldt niet bij God. (Rom 4:2) De grauwtinten van onze oordelen van goed en kwaad zijn allemaal grauw en in het licht van Christus verdwijnen ze als schaduwen in het zonlicht. Christus is voor alle mensen gekomen, om allen licht te geven, een licht waaronder in de ‘volheid der tijden wederom alles tot één’ gebracht wordt (Ef. 1:10).

Het zonlicht heeft ook een tegengesteld effect. Datgene waaraan de zon zich openbaart, wordt ook zelf in zijn waarheid geopenbaard. Het zonlicht toont de verschillen die eerst niet zichtbaar waren, de zon onderscheidt. In Psalm 19 lezen we: ‘Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.’ (Ps. 19:5) Alles ligt open voor de zon, de zon ziet alles. Datgene wat onder de zon is, is wat in de algemene ruimte gebeurt. Als de profeet Nathan onheil over de familie van koning David verkondigt, omdat David een onderdaan heeft laten sterven om diens vrouw, Bathseba, voor zich te nemen, zegt God uit de mond van Nathan: ‘Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans Israël, en voor de zon.’ (2 Sam 2:12) Dat wat voor de zon is, is voor allen zichtbaar. Ook in deze blootleggende gestalte is God zelf het ware licht. God is de zon die alles openbaar zal maken, die de ware aard van het wereldgebeuren zal tonen. De Christen moet weten: ‘al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden’. (Luk. 8:3)

Het opkomen van de zon heeft op verschillenden een verschillend effect. ‘Want zie, die dag komt, brandende als een oven; dan zullen alle hoogmoedigen en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal hen in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel noch tak laten zal. Ulieden daarentegen die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen als mestkalveren.’ (Mal. 4:1-2) Het verschillende effect volgt echter niet uit datgene wat zichtbaar wordt als het licht van God gaat schijnen. Integendeel, de twee groepen die in de hierboven geciteerde tekst van Maleachi tegenover elkaar gezet worden verschillen niet uitdrukkelijk in daden, als zou de tweede groep door en door goed zijn. Het verschil zit hem in de reactie op dat licht, op deze openbaring van het eigen gebrek. De tweede groep laat het zich zeggen, aanvaardt het oordeel, blijft niet hoogmoedig. Daarom is er voor die tweede groep vergeving, de Zon van gerechtigheid maakt die rechtvaardig. Deze mensen gaan juist bloeien als het licht van God op hen schijnt. Hun is de vergeving samen met het oordeel geschonken. Voor deze mensen wordt God openbaar in het licht dat verschijnt, voor hen is God een licht.

De eerste uitleg, waarbij de liefde voor vriend en vijand wordt vergeleken met het opkomen van de zon zoals we dat iedere dag waarnemen, heeft een zekere voorrang in het uitleggen van de tekst. De allegorie van Gods openbarende, oordelende en reddende werk is geen noodzakelijke toevoeging. Ze komt in de tweede plaats, ook daarom dat ze afhankelijk is van de letterlijke uitleg. Toch is het ‘over goeden en slechten’ bij uitstek ook van toepassing op het in de wereld komen van Christus, het openbarende werk van God en de helende werking van Gods licht op de mensen. Daarom laat de allegorie wel iets zien. Namelijk dat het anti-ethische project dat Jezus zijn leerlingen voorstelt, dat op de vergeving stoelt, hetzelfde patroon volgt als de vergeving die de leerlingen van Christus zelf hebben ontvangen. (Matt. 18:32-33) Ze vraagt niet eerst of mensen het wel waard zijn om gered te worden. Bij het volgen van een God, Die gekomen is om mensen te redden, van wie Hij wist dat ze Hem aan het kruis zouden slaan, hoort ook zelf bereid te zijn dit risico te lopen, zelf zo onvoorwaardelijk liefdevol te zijn als Hij die de zon laat stralen. 

Beeld Ieke Meijer

Plaats een reactie