Tekst door Pleun Kraneveld
Wanneer ik in een Engelstalig gesprek mijn gevoelens probeer uit te drukken, loop ik al snel tegen de eigenaardigheid van de Nederlandse taal aan. ‘I feel like the water is up to my lips,’ zeg ik tegen mijn internationale vriendin terwijl ik de bibliotheek uit strompel, een week voor mijn beruchte scriptie deadline. Na een verwarrende blik van mijn gesprekspartner reflecteer ik op mijn uitspraak: ‘Oh, sorry, I just mean that I am really stressed’. Wel vaker merk ik hoe diep de Nederlandse beeldspraak met mijn denkwijze is verweven. Na een aantal vergeefse pogingen om een Nederlands gezegde aan een buitenstaander uit te leggen, begin ik me toch af te vragen waar mijn beeldspraak zijn oorsprong vindt.
Het gezegde ‘Het water komt tot aan de lippen’ verwijst naar een situatie van nood en acuut gevaar. Het water functioneert hier als beeldspraak voor het niveau van nood, de grens tussen gevaar en veiligheid. Wanneer het water de lippen raakt, betekent dit dat het punt van nood is bereikt. Water wordt in dit geval als figuurlijke grens gebruikt, een vorm van beeldspraak die, wanneer je erover nadenkt, vaker voorkomt in de Nederlandse taal. De rol van water als beeldspraak is niet enkel figuurlijk, zeker in een land als Nederland.
In de geschiedenis van ons kikkerlandje reikt de rol van water als grens verder dan de beeldspraak. Historisch gezien is de zeespiegel namelijk meermaals bepalend geweest voor onze vrijheid en veiligheid. De beeldspraak ‘Het water boven hoofd willen houden’ heeft niet enkel betrekking op de overwerkte Nederlander, maar verwijst ook létterlijk naar de situatie waar de Nederlander zich nog geen eeuw geleden in bevond. De laatste nationale crisis omtrent de watergrens deed zich voor in de winter van 1953, toen een hoge springtij de dijken langs de rivieren en zeeën doorbrak. Grootschalige overstromingen hebben door de eeuwen heen talloze mensen hun huis ontnomen en vele levens geëist. Het is dan ook geen verrassing dat de angst voor water nog steeds in de Nederlandse taal en cultuur voortleeft.
Hoe ver reikt deze relatie daadwerkelijk? Misschien is het tijd om er een letterkundige bij te halen. In haar boek Wij tegen het Water verkent Neerlandica Lotte Jensen de diepgewortelde relatie tussen de Nederlandse taal en de eeuwenoude strijd tegen het water. Elk land voelt zich verenigd door een nationale vijand, stelt Jensen. In het geval van Nederland is deze vijand altijd de zeespiegel geweest. De provinciale uitspraak van Zeeland, Luctor et Emergo – vertaling: ik worstel en kom boven – toont de voortdurende dreigende rol van water in de Nederlandse geschiedenis, waarbij het ‘bovenkomen’ symbool staat voor het uitstijgen boven de zeespiegel. Symbolisch taalgebruik en de strijd tegen water zijn volgens Jensen niet los van elkaar te zien in de Nederlandse taal. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd de Zeeuwse uitspraak hét motto van de strijd tegen de Spanjaarden, waarbij de voortdurende dreiging van de zeespiegel symbool kwam te staan voor het Nederlandse doorzettingsvermogen. Ook verkreeg de zeespiegel als vijand een nationale naam: de waterwolf. Er werd een beeld geschetst van een gulzig waterbeest, hongerig voor land.
Hoewel de zeespiegel ons leven niet meer direct beïnvloedt, blijft water optreden als gebruikelijke symbolische grens.
Goed, wij zijn inmiddels een vlugge geschiedenisles verder. Het is tijd om het tij te keren en ons weer te richten op het moderne Nederland. Niet alleen in de Nederlandse geschiedenis, maar ook in het figuurlijke taalgebruik heeft de zeespiegel onuitwisbare sporen nagelaten. Jensen concludeert dat de Nederlandse beeldspraak nog steeds een spiegel vormt van een tegen-water-strijdende gemeenschap. Een onderzoek naar de vorming van de Nederlandse identiteit bevestigt dit beeld; als er iets is wat de Nederlander samenbrengt, steekt de strijd tegen water er met kop en schouders bovenuit. En deze strijd heeft meer gebracht dan enkel een kwetsbaar volk. De overwinning van het water heeft de Nederlander gevormd, met een onwankelbaar geloof in zelfredzaamheid en maakbaarheid. Jensen benoemde het deltaplan als tekenend voor de Nederlandse mentaliteit: Als de zeespiegel stijgt, zet je zoden aan de dijk.
Hoewel de zeespiegel ons leven niet meer direct beïnvloedt, blijft water optreden als gebruikelijke symbolische grens. In de Nederlandse taal blijft de waterwolf als dreigend figuur terugkomen. Ook ik ben niet aan zijn invloed ontsnapt. Wanneer ik diep in de nacht de helft van mijn leerstof nog steeds niet heb doorgewerkt, voelt een poging door te studeren als water naar de zee dragen. De nood is ver boven de grens gestegen, en iedere poging tot herstel lijkt vruchteloos. De zeespiegel als beeldspraak blijft overal opduiken, zelfs in het leven van een wanhopige student.
Hoe ik nu mijn slordig vertaalde uitspraak tijdens een koffiepauze aan mijn internationale vriendin kan uitleggen, weet ik nog even niet zo goed. Wat ik wel weet, is dat ik niet ontsnap aan de geschiedenis van mijn nationaliteit. De waterwolf blijkt dieper in mijn wezen geworteld te zijn dan ik ooit had vermoed.
