ménage à trois

Tekst /// Teuntje Ott  Beeld /// Bob Foulidis

I

ik zag ze flaneren langs de 

boulevard, 

hij in pak met rood fluwelen vlinderdas, 

zij op torenhoge 

naaldhakken. 

op het ritme van een ontspannen metronoom 

struinden ze onverstoord 

door smalle straten, 

langzaam 

verzonk ik in gedachten. 

mijmerend over mijn stukgelopen huwelijk en lang vergeten 

geluk 

tot zijn lach de mijne vond. 

haar tong gleed speels zijn mond binnen, 

om de seconde 

keek hij me hongerig aan. 

kon haar kus bijna proeven op mijn gehemelte 

tot ze stopten, 

op naar een volgende hotspot. 

tintelend. 

sluimerend. 

zout 

in mijn open wonden strooiend als een zeelucht die geen genade kent. 

alsof verdriet me niet met rust liet. 

omringd 

door verloren parfum en een uitgestrekte kust. 

ergens 

stelde het me gerust. 

II 

ik viel 

voor zijn nonchalante handen en de plooien 

in haar avondjurk. 

wikkel ze als ringen om mijn vingers, dansend 

in het kuiltje van mijn wang 

als 

bedolven onder de golven van onze lichamelijkheid. 

pulserend 

tussen eb en vloed in een zoektocht naar ons 

samenzijn. 

omhul me in florale smaken en het kussen 

van je lijf. 

puzzel me 

in en uit elkaar, laten we varen, 

ieder van ons strelen en de lakens uitdelen, 

verdeel me. 

begrijp en verbeeld me. 

maak me luid, luider dan het schrapen van mijn keel, 

stil me. 

bedwelm me in een roes van drie paar handen, 

laat me landen 

in de verzoening van ons zijn. 

onthoud me 

van de angst om mezelf vast te houden. 

ik verhoud me tot de aderen in haar lijf, 

beklijf me. 

klamp me vast aan zijn adem, 

mijn wimpers 

haarfijn. 

III 

even later lagen we over elkaar, 

niet geheel waterpas. 

alleen bijeen, ergens in het midden. 

bemin me 

tot we niets meer kunnen geven, 

spreek me, 

tussen zes ogen, kleed me uit van onder 

tot boven. 

laat me niet alleen, kan nu al niet 

zonder, 

beadem me mond op mond op mond, 

keer me binnenstebuiten. 

luisterend naar het genot van ons samen, laat me 

het hier en nu bewaren, 

als een ware lichaamsfluisteraar. 

vertaal me 

naar een gedicht, ik bevind me 

in een stadium tussen alles wat er mag zijn.  

krul me 

langs de randen van de sprei en vrij me 

in het bijzijn van de ander. 

ik zie hem, haar 

en mezelf er tussenin 

verstrengeld door armen die zich om me heen sluiten als een 

liefkozende deken, me doen vergeten 

waar ik gisteren was.  

zie me 

in de bochten van ons drie als versmolten 

polyamorie.

laat me denken aan ons. 

vang me zachtjes op, laat me 

verzanden

in het lichaam van een ander. 

zijn haar, mijn 

zijn, 

een fijne lijn en 

zij,

wier lijf bijna rijmt met het mijne, 

verleid me. 

laat ons verdwijnen en samen 

komen als vrijheid en gelijkheid in elkaars gezelschap. 

wees mijn lach 

vanachter de tranen die niet willen huilen.  

hou me nog eens vast, laat me 

verhuizen.  

haar armen strekken zich voor me uit, 

mijn zicht verblindend,  

zijn lippen 

trillen zachtjes met me mee,  

ik til ze op. 

zoals we zijn verbonden door het lot, 

zoals we gedrieën 

liefhebben

voor

twee.  

Plaats een reactie