Mijn opa gaat schuil achter raadsel en mysterie. Het schijnt dat ik hem heb gekend toen ik een baby was, maar daar kan ik me vanzelfsprekend niets meer van herinneren. Ik kan me niets herinneren van de manier waarop hij lachte, hoe hij sprak en wat hij dan zou zeggen. Gelukkig spreekt het werk dat hij deed aardig tot de verbeelding. Mijn opa was namelijk geheim agent bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst, waar hij personen en organisaties bespioneerde die mogelijk een gevaar vormden voor ons land. Tussen staatsgeheime informatie en onderschepte brieven, vormde hij een werkveld dat zich aan het zicht onttrok.
In zijn borstzakje droeg mijn opa een pen waarin een microfoontje verstopt zat, in de poot van zijn bril zat een klein cameraatje en in de laden van zijn bureau lagen opschrijfboekjes vol codetaal. Elke ochtend werd er thuis een anonieme koerier voorgereden, die discreet een grote aktetas bij mijn opa achterliet. Wat er in die tassen zat, mocht zijn dochter, mijn moeder, nooit weten. Haar werd op het hart gedrukt dat de mensen in de stad vooral moesten denken dat mijn opa een doorsnee man was met een normale baan. Als haar klasgenootjes vroegen wat haar vader deed, zei ze dat hij ‘rijksambtenaar’ was; een antwoord dat zo saai was dat niemand er verder nog vragen bij stelde.
Door zijn ondoorgrondelijke taken is mijn opa in gedachten uitgegroeid tot een man van haast mythische proporties. Soms voelt hij zo heroïsch, dat het bijna lijkt alsof ik hem verzonnen heb. Maar als ik bij mijn ouders ben, valt mijn oog op een foto die ingelijst op een plankje in de boekenkast staat. Op de foto zitten mijn grootouders in sandalen en met blote benen op twee klapstoeltjes in de tuin. Mijn opa heeft de mouwen van zijn hemd ver opgestroopt en kijkt met gefronste wenkbrauwen op van zijn krant, terwijl mijn oma naast hem met een pannetje op schoot aardappels aan het schillen is. Hoewel de foto op meerdere plekken is verschoten, is de krant die bij mijn opa op schoot ligt onaangetast gebleven. Als ik goed kijk, kan ik zelfs nog een krantenkop op de opengeslagen bladzijde lezen: ‘Astronauten in Vacuüm Verpakt’.
Het beeld van mijn opa in korte broek in de tuin, brengt een klein gevoel van opluchting met zich mee. Het is alsof hij zich, voor deze foto, van zijn heldenstatus heeft losgemaakt en welwillend tot mijn normale-mensen niveau is afgedaald. Het doet me denken aan het gevoel dat ik als kind weleens had, als ik in de CosmoGirl van mijn oudere zus las welke celebrities er die week onder troosteloze omstandigheden waren gespot. Het was een geruststellende gedachte dat zelfs de grootste namen door echte mensen gedragen werden. Eenzelfde soort gevoel heb ik nu, als ik kijk naar mijn opa in de tuin. Het is een fijne ontdekking dat zelfs een geheim agent gelukkig weleens op een doodgewone dag, fronsend met een krant op schoot zit.
Om mijn opa nog een stukje dichterbij te brengen, zoek ik die middag in online krantenarchieven naar astronauten in vacuüm ruimtepakken. Ik wil weleens weten wat er op die gewone middag in de krant te lezen stond. Dat gaat veel makkelijker dan gedacht, want na één enkele zoekopdracht vind ik een complete scan van de krant die mijn opa op de foto aan het lezen is. Omdat ik er zo van geniet om voor het eerst door zijn ogen te kunnen kijken, vergeet ik even op te merken dat deze krant een vrij merkwaardige focus heeft: bijna alle artikelen blijken namelijk over ruimtepakken, sterrenkundigen en spaceshuttles te gaan. Als ik terug blader naar de voorpagina, doe ik daar een historische ontdekking van uitzonderlijk formaat. Bovenaan de pagina zie ik in dikke zwarte letters staan: ‘Mens op maan, de Eagle is geland’. De krant die mijn opa vast heeft is het Algemeen Dagblad van 21 juli 1969 en deze ‘gewone’ dag is de dag nadat Neil Armstrong als eerste mens de maan betreedt.
Als ik dit ontdek, rijst de mystiek van mijn opa weer torenhoog boven mij uit. Het is net alsof alle fantasieën die ik over hem had, in één beeld samenkomen. Er is weinig zo geheimzinnig als een landing op de maan – bedacht in achterkamers en omgeven door complotten –, natuurlijk kon mijn opa nooit ver weg zijn. Zo’n gewichtige dag als deze, is precies het decor waarin ik hem had voorgesteld. Misschien is het eigenlijk wel dé manier om een geheim agent te portretteren: onopvallend achter een krant, in een onbeduidend hoekje. Dan lijkt hij verdacht veel op een gewone man, maar ik zie daar voortaan dwars doorheen.
Tekst Rozemarijn den Dulk, beeld Norah Sanders
