Een interview met promovendus Eline Kortekaas over het boekbedrijf van Van Hoeve in (koloniaal) Indonesië.


Dit voorjaar publiceren achttien studenten van de master Redacteur/editor de bundel Archipel in inkt: Reflecties op het literair erfgoed over (koloniaal) Indonesië. In samenwerking met het Literatuurmuseum in Den Haag onderzoeken zij in de archieven hoe de relatie tussen Nederland en (koloniaal) Indonesië resoneert in het werk van schrijvers, redacteuren en uitgevers. Op 2 juni 2026 promoveert boekwetenschapper Eline Kortekaas aan de UvA met een onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlandse uitgeversbedrijf in Indonesië. Zij vertelt ons waarom dit onderwerp, tachtig jaar na de onafhankelijkheid, nog altijd van belang is. 

Eline Kortekaas studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, en vervolgde haar opleiding aan de UvA met een master boekwetenschap. In 2017 begon zij aan haar PhD onder leiding van Lisa Kuitert en Remco Raben. Tijdens haar promotietraject werkte ze als redacteur bij literair-historisch tijdschrift Zacht Lawijd, co-cureerde ze verscheidene tentoonstellingen en is ze tot op heden conservator bij het Literatuurmuseum in Den Haag. 

Zou je ons kunnen meenemen in jouw promotieonderzoek?

Mijn onderzoek gaat over een Nederlandse uitgever, Wilhelmus van Hoeve, die, net nadat de onafhankelijkheid was uitgeroepen, eigenaar werd van een boekbedrijf in Bandung, Indonesië. Dit was niet de eerste keer dat hij hier actief was; in de tijd dat Indonesië nog een kolonie was, van de jaren 20 tot halverwege de jaren 30, heeft hij in Surabaya in een boekhandel gewerkt. Daar heeft hij zijn hart verloren aan het land, aan de mensen en aan de cultuur. 

Terug in Nederland heeft hij na deze eerste periode in Indonesië in Deventer een boekhandel overgenomen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij officieel erkend als uitgever en ontmoette hij Carel Wilhelm Wormser, de directeur van de boekhandel Maatschappij Vorkink in Bandung. Omdat deze tijdens de oorlog schulden had gemaakt en de boekhandel binnen zijn krantenimperium een vreemde eend in de bijt was, wilde hij deze verkopen. Toen Wormser zocht naar iemand om zijn boekbedrijf over te nemen, heeft Van Hoeve dat gedaan. 

In eerste instantie nam Van Hoeve slechts de helft van de aandelen over. Er werd afgesproken dat hij de tweede helft zou kopen wanneer men wist wat de waarde hiervan was. Niemand wist immers hoe het bedrijf er op dat moment uitzag. De Indonesische revolutie was nog volop gaande en de Japanners hadden kort daarvoor het land bezet. Deden de machines het nog wel? Hoe zat het met de boekenvoorraad? Stond het bedrijf überhaupt nog overeind? Geen idee. 

Nog voordat Van Hoeve de kans kreeg om het hele bedrijf over te nemen, overleed Wormser plots. Hierdoor kreeg de zoon van de pas gestorven directeur automatisch het recht op zijn vaders deel van de aandelen. Na heel wat juridisch gesteggel, zijn deze uiteindelijk toch in handen van Van Hoeve gekomen. 

Ontstond er na de onafhankelijkheid concurrentie met Indonesische uitgevers? 

Er kwamen zeker meer Indonesische uitgeverijen op. Maar je moet je bedenken dat de vraag enorm was; het ontplofte gewoon. 

Waardoor kwam dat?

Een belangrijke factor was dat het onderwijs voor iedereen beschikbaar werd gemaakt. Hiervoor waren nieuwe boeken nodig. Daarnaast was de taal constant in ontwikkeling. In de koloniale tijd werd er Maleis gesproken, daarna had je het Bahasa Indonesia – een afgeleide van het Maleis. Bijna elke dag kwamen er nieuwe begrippen bij. 

Om boeken te vertalen waren er dus experts nodig die zowel de taal beheersten als kennis hadden van de Indonesische bevolking. Er waren alleen niet veel hoogopgeleide Indonesiërs door het gelimiteerde koloniale onderwijssysteem. Daarnaast had de meerderheid van de hoogopgeleide Indonesiërs op dat moment wel iets anders aan het hoofd dan boeken schrijven en vertalen. Dit was bovendien een slecht betaalde klus en werd vaak naast een vaste baan gedaan. De nationale overheid zat in een spagaat: ze wilde zowel lokale uitgeverijen stimuleren als genoeg boeken produceren. Van Hoeve heeft hier heel slim, en een beetje sluw, op ingespeeld. 

Van Hoeve stuurde namelijk in de jaren 50 een Indonesische adviseur, Sumarto Djojodihardjo, naar Bandung. Deze verbond onder andere Indonesische auteurs aan het fonds van de uitgever, liet Nederlandse boeken vertalen naar het Indonesisch en schakelde zogenaamde sensitivity readers in. Zo paste Van Hoeve zijn bedrijf aan op de nieuwe doelgroep van het boekbedrijf. 

Bestaan er nu nog Indonesisch-Nederlandse uitgeverijen?

Eind 1957 werd er een start gemaakt met de nationalisatie van Nederlandse bedrijven in Indonesië. In het geval van Van Hoeve betekende dit dat zijn boekhandel in Bandung van de Indonesische staat werd, maar dat zijn eigen uitgeverij, die officieel in Nederland was gevestigd, via een sluiproute in zijn eigen handen bleef. Via de uitgeverij Manteau in België wist Van Hoeve toch nog boeken in Indonesië te krijgen. 

Mijn onderzoek stopt bij het overlijden van deze man. Omdat niemand in zijn familie interesse had in het bedrijf, heeft hij het voor zijn dood verkocht aan de Nederlandse uitgeverij G.B. van Goor. Hierna was hij nog kort adviseur van de uitgeverij en nog altijd geïnteresseerd in de verkoop in Indonesië. Er blijft een soort culturele uitwisseling bestaan. Of dat nog steeds in uitgeverijen gebeurt, durf ik je niet te zeggen. Maar er wordt wel degelijk gestreefd naar een soort samenwerking. 

Hoe werd de relatie tussen Nederland en (koloniaal) Indonesië beïnvloed door de literatuur?

Er gingen veel boeken vanuit Nederland naar de kolonie. Andersom was het echter niet zo dat er veel boeken vanuit de kolonie naar Nederland kwamen. Er was hiervoor in Nederland zelfs heel weinig interesse. Veel mensen kenden Nederlands-Indië slechts uit de brieven van familieleden. Nee, het leefde niet erg. Van Hoeve probeerde daarom met zijn uitgeverij de kolonie onder de aandacht te krijgen bij het publiek. 

De schrijvers die zich nu bezighouden met dit onderwerp zijn vaak de tweede of derde generatie nakomelingen van bijvoorbeeld ouders of grootouders die in Indonesië zijn opgegroeid of er geboren zijn. Zij dragen dat koloniale verleden met zich mee en proberen in de literatuur daar een plek voor te vinden. Het land waar zij, of hun opa of oma, geboren zijn, bestaat in zekere zin niet meer. Want dat was de kolonie. Om dit te verwerken wordt er nu nog steeds geschreven over deze periode. 

Onlangs is De tienduizend dingen van Maria Dermoût heruitgegeven. Waarom denk je dat men juist nu geïnteresseerd is in boeken die gesitueerd zijn in Nederlands-Indië?

De tienduizend dingen speelt zich af in de koloniale tijd, maar het overstijgt de pijnlijke stereotypen wat mij betreft. Het is geschreven op een heel eigen manier; het lijkt opgebouwd te zijn uit losse verhalen die je apart kunt lezen als een soort lugubere sprookjes, maar samen vormen ze toch één roman. Tijdens het (her)lezen ontdek je in de verschillende lagen steeds weer wat nieuws. De manier waarop Dermoût de koloniale overheersing in haar schrijven heeft verwerkt, maakt het tot een heel bijzonder boek. Het leeft, al durf ik je niet precies te zeggen waarom dat zo is. 

Waarom is het belangrijk om de band tussen Nederland en (koloniaal) Indonesië te onderzoeken via zowel de literatuur als via de geschiedenis van uitgeverijen, zoals jij met je promotieonderzoek hebt gedaan?

Mijn onderzoek richt zich op uitgeverijen in (koloniaal) Indonesië en het hele bedrijf achter deze boekproductie. Het interessante daaraan is dat hiervoor eigenlijk niemand nog naar dit onderwerp had gekeken. Toen ik als eigenwijze 26-jarige het archief van Van Hoeve in mijn schoot geworpen kreeg, werd het gaandeweg duidelijk dat een uitgeverij tweeledig is: het is ontworpen om geld te verdienen, maar verspreidt daarbij ook kennis. Het is daarom interessant om te kijken naar wat voor boeken de maatschappij in kwamen, wat mensen lazen en waarom ze dit lazen.

Ik denk dat er de laatste jaren in Nederland vrij veel aandacht is geweest voor Indische schrijvers. Dat zijn mensen met bijvoorbeeld een Indonesische moeder en een Nederlandse vader, er zijn een heleboel variaties. Er is echter veel minder aandacht geweest voor Indonesische auteurs die schreven in de koloniale tijd en de periode daarna. Zij hebben een heel andere kijk op wat wij schreven – of wat wij lazen, moet ik zeggen. De tijd is rijp dat we leren dat er een heleboel verschillende perspectieven zijn. De geschiedenis wordt vormgegeven door een heleboel grijstinten die bestaan ter gratie van die meerstemmigheid. Dat maakt literatuur zo interessant: het biedt de kans om in andermans schoenen te staan en zo telkens iets nieuws te leren over een bepaalde zaak. Eigenlijk zou je willen dat we alle verhalen naast elkaar kunnen leggen. Alleen dan kunnen we recht doen aan de geschiedenis. 

Tekst Isa Kistemaker, beeld Eline Kortekaas

Plaats een reactie