Mij krijgen ze niet klein

26 september kwam het nieuwe boek van Marjolein Faber uit: Mij krijgen ze niet klein. Wat dat betreft geen woord gelogen. Klein, dat was de minister al. De politieke memories geven een goed beeld van de vrouw Marjolein, die schuilgaat achter haar veelbesproken ministerschap. Toch zat ik in dubio. Moest ik wel over de oud-minister van Migratie willen schrijven? Want zoals de wijsgeer annex politicus Hugo de Jonge eens zei: Alles wat je aandacht geeft groeit. De PVV-politica is namelijk meer dan haar lengte. Kan je het kunstwerk scheiden van de kunstenaar? Of in dit geval: het boek van een omstreden minister?

In Den Haag is een groeiende groep aan politici die vindt van wel. Neem de PVV-staatssecretaris Janssen, die afgelopen jaar nog hevig onder vuur kwam te liggen. 

Aanleiding: bij WNL had hij bekend nog altijd achter de ‘minder, minder’-uitspraak van Wilders te staan. Op z’n zachtst gezegd natuurlijk niet heel handig, gezien Wilders voor de genoemde uitspraken vervolgd is. Uiteindelijk lostte Janssen de aangewakkerde controverse ingenieus op. Ja, als staatssecretaris nam hij wel degelijk afstand van Wilders’ woorden, maar als privépersoon? Dat was een ander verhaal. Ook de fractievoorzitter van de VVD, Yeşilgöz, scheidt meer dan alleen haar afval. Als minister van Justitie steunde ze in 2023 het kabinetsbeleid om de spreidingswet in te voeren én stemde ze tegen de wet. Maar, dat was als fractievoorzitter. Aha! Of deze politieke manoeuvres overtuigend zijn? Ik betwijfel het. Toch sluit ik mij ter gelegenheid aan bij de trend. Ik bespreek niet het ministerschap van Faber, maar haar boek. 

In het eerste hoofdstuk van Mij krijgen ze niet klein, gaat Faber in op haar jeugd. Faber, een slagersdochter uit Amersfoort, groeit op in een simpel naoorlogs gezin. ‘We hadden een heleboel niét. Geen mobiele telefoon, chips of cola.’ Toch komt Faber naar eigen zeggen niks tekort. Ze brengt, net zoals andere kinderen, haar dagen door buiten, op straat, in de bossen. Nadat Faber de havo heeft afgerond, besluit ze niet door te leren. ‘Het was tijd voor de praktijk’. Eerst werkt ze als laborant in een ziekenhuis, later belandt ze in onder andere de IT- en financiële sector. 

Laatst omschreef iemand de havo als de plek tussen hemel en hel in. ‘Het is niet heel erg, maar je gaat ook geen hele leuke tijd tegemoet’. Faber is het daar niet mee eens. De havist is diep en diep ongelukkig als minister van Asiel en Migratie. Elf maanden lang hijst ze zich iedere ochtend in het ‘harnas’, om ‘s avonds uitgeblust thuis te komen en op de lakens, die ze eens in de twee weken verschoont, in slaap te vallen. Faber deed het niet voor zichzelf – ‘het was de hel’ – maar voor Nederland. Elf maanden lang is ze gegijzeld door plichtsbesef, dat begon op het bordes bij de koning. In het hoofdstuk met de pakkende titel Op naar het ministerie van Geluk beschrijft Faber uitgebreid hoe dat eraan toe ging.  Na de beëdiging wordt Faber door de chauffeur – de gijzelnemer – in een ‘dikke bmw (7 serie)’ met geblindeerde ramen gezet, die haar verplaatst naar ‘een hoge bruine toren’: het ministerie van geluk. Binnen staat Faber een lastige tijd te wachten: ze wordt genegeerd, getraineerd en bovenal tegengewerkt door iedereen en alles. Woordvoerders en juristen worden bij haar weggehaald, hele beleidsplannen worden door NSC geweigerd en bij overmaat van ramp krijgt ze ook nog eens een grote vergadertafel als werkplek, in plaats van een bureau. ‘Dat wilde ik helemaal niet, want hoe meer mensen je aan tafel hebt, des te meer discussies.’ Tja, discussies, je zal ze maar hebben als politicus in een democratie. 

‘Ik zei: […] Ik wil een bureau.’ 

‘Maar de vorige bewindspersoon zat altijd aan de vergadertafel.’ 

‘Ik ben niet de vorige bewindspersoon. Ik heb een bureau nodig met een ladekast.’ 

‘De tafel is al besteld.’ 

‘Dan moet die maar ergens anders heen. Want ik wil hem niet.’ 

Dit voorbeeld lijkt klein. Toch staat het voor iets groters. Faber laat zich in haar harnas niet van de leg brengen. Dit is het ‘nu doorpakken’, waar de campagne van Wopke Hoekstra in 2021 om draaide. Dit is idealisme. En met resultaat. Een paar weken later arriveert haar bureau alsnog. 

Op de achterkant van Mij krijgen ze niet klein schrijft Faber dat ze ondanks de ongekende kritiek en ‘haat op haar beleid’ zonder wrok terugkijkt op haar ministerschap. In de talkshow Pauw en de Wit herhaalt ze: ‘Ik heb geen wrok’. Maar iedereen die Marjolein een beetje kent, heeft bestudeerd of haar boek heeft gelezen, weet dat die stelling past in het rijtje ‘ik ben geen racist, maar’, ‘ik ben geen wappie, ik stel alleen vragen’. Het boek loopt over van wrok. Iedereen is slecht, behalve Faber zelf. Van Henri Bontenbal die ‘denkt dat hij het monopolie heeft op de moraal’, tot Schoof die ‘bij de VVD op schoot’ zat, tot moslims.  Over de laatste groep schrijft ze: ‘Ik heb niets tegen moslims, maar tegen de islam’. Deze uitspraak is natuurlijk door en door racistisch en – als dat al niet in het verlengde ligt – behoorlijk dom. 

Gelukkig wisselt Faber rancune en racisme hier en daar af met wat lichtzinnigheid en ruimte voor het alledaagse. Zo komen we te weten dat Faber al meer dan twintig jaar vaste klant is bij de LIDL. Dit feitje gebruikt ze vervolgens om te stellen dat, in tegenstelling tot wat de media beweerde, ze nooit een kappersrekening van 570 euro kan hebben gedeclareerd. Wat impliceert ze hiermee? Dat klanten van de LIDL nooit kapperskosten declareren? Of gaan LIDL-klanten simpelweg niet naar de kapper? Toch mooi, als een boek je achterlaat met vragen. Bovendien begint elk hoofdstuk met een bijbehorend citaat van veelal dichters en schrijvers. Friedrich Nietzsche passeert de revue, evenals Renate Rubinstein en de filosoof en studiegenoot van Hegel, Schiller. In het hoofdstuk Slagersdochter, waarin ze vertelt over haar jeugd en familie, komt de dichter Gerrit Achterberg voorbij: ‘Familie duurt een mensenleven lang’. Wellicht niet de meest gelukkige spreuk, aangezien diezelfde Achterberg het met familie en levens niet al te nauw nam. In 1937 schoot hij zijn hospita dood nadat hij haar dochter probeerde te verkrachten. Alhoewel de verwijzingen naar Schiller, Nietzsche en Rubinstein het boek nog iets van een intellectueel cachet toekennen, blijft de keuze voor de betreffende citaten onduidelijk. Het was interessant geweest als ze de denkers in verband had gebracht met haar visie op Nederland. Hoe heeft Nietzsche haar beïnvloed? Nu blijft de lezer achter met de vraag: heeft Faber de denkers die ze aanhaalt wel gelezen? Heeft Faber überhaupt wel een boekenkast? Of is de citatenreeks afkomstig van citaten.net

Al met al is Mij krijgen ze niet klein een veelzijdig boek, dat laveert tussen sappige anekdotes, tirades, wrok en levenslessen. Helaas blijft het daar niet bij. Zo wordt de lezer geconfronteerd met een flinke dosis aan racisme en xenofobie. Daarom is het beangstigend om te bedenken dat Faber niet alleen als extreemrechtse minister de boeken, maar ook de boekenkast ingaat. 

Mij krijgen ze niet klein, want dat was ze al. In lengte, maar ook in geest en empathie. 

Tekst Noam Grünfeld, beeld Bert Slenders

Plaats een reactie