Bloed, zweet en bananen: de koloniale erfenis van Chiquita

Dat bananen krom zijn, weet iedereen. Dat de praktijken die achter deze vrucht schuilen echter net zo krom zijn als het gele fruit zelf, is minder bekend. Achter de vrolijke blauwe sticker van Chiquita schuilt een zwarte geschiedenis van uitbuiting, staatsgrepen en kolonialisme. 

Ze kijkt me vrolijk aan vanaf het fruitschap in de Albert Heijn. Miss Chiquita, tropisch jurkje, grote glimlach, fruitschaal op haar hoofd. Haar lach belooft zon, warmte en vrolijkheid, zelfs in het herfstige Nederland waar het buiten regent dat het giet. Ik verheug me nu al op het dampende bananenbrood dat straks uit mijn oven zal komen. 

Maar terwijl ik droom van bananen, kaneel en walnoten, is de glimlach van Miss Chiquita allesbehalve onschuldig. Achter haar tropische charme schuilt een bedrijf dat ooit over hele landen regeerde. Wie dacht dat fruit politiek neutraal was, heeft duidelijk nog nooit een banaan geanalyseerd. 

Going bananas

Na de introductie op de Wereldtentoonstelling van 1876 in Philadelphia, werd de banaan razend populair in de VS. Hij was exotisch, goedkoop en makkelijk te eten, al met al een tropische vrucht die zelfs op de ontbijttafel van de ‘gewone man’ paste. De banaan werd al snel het symbool van vooruitgang en globalisering. 

Om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen, moesten bedrijven de productie opvoeren en bijkomende kosten drukken. De grootste speler? United Fruit Company, opgericht in 1899, vanaf 1970 onderdeel van United Brands Company, dat later bekend geworden is als Chiquita Brands International. Dankzij grootschalige productie, strakke logistiek en harde controles op arbeid en transport, voorzag het bedrijf miljoenen Amerikanen van hun dagelijkse dosis vitamines. 

UFC was groot. Heel groot. Zeg maar gerust niveau Elon Musk, maar dan met meer bananen en minder raketten. Ze bezaten spoorwegen, schepen, telegraaflijnen, en hadden na verloop van tijd zelfs macht over hele regeringen. In sommige Midden-Amerikaanse landen had United Fruit tot 40% van de bruikbare landbouwgrond in handen. Landen als Honduras, Guatemala en Costa Rica werden compleet ingericht rond de belangen van het bedrijf. Regenwouden werden verwoest om plaats te maken voor bananenplantages, steden werden uit de grond gestampt om arbeiders te huisvesten en havens werden gebouwd om de bananen te verschepen. Zelfs infrastructuur werd bepaald door de banaan: spoorlijnen liepen niet van dorp naar dorp, maar van plantage naar haven. Alles draaide om export. 

De octopus die Latijns-Amerika omarmde (en niet meer losliet)

Men noemde UFC ook wel El Pulpo (Spaans voor ‘de octopus’): haar tentakels reikten overal en hielden de landen waarin ze actief was in een stevige greep. UFC beheerde alles, nou ja, behalve hun moreel kompas dan.

De omvang van El Pulpo’s macht werd namelijk pijnlijk duidelijk in 1954, toen de democratisch gekozen president van Guatemala, Jacobo Árbenz, land wilde afnemen van UFC om het te onteigenen en vervolgens te herverdelen onder boeren. Het bedrijf nam contact op met het Witte Huis, dat vervolgens de CIA inschakelde om de UFC te helpen een staatsgreep te plegen. Het resultaat: dertig jaar militaire dictatuur en burgeroorlog, met naar schatting 200.000 doden. Alles voor het gouden fruit. 

Hier ontstond ook de term bananenrepubliek: landen die rijk zijn aan een enkel exportproduct, waar buitenlandse bedrijven de touwtjes in handen hebben en politieke structuren sturen. De term is bedacht door de Amerikaanse auteur O. Henry, pseudoniem van William Sydney Porter. Hij gebruikte hem in zijn boek Cabbages and Kings uit 1904, toen hij een fictief land genaamd Anchuria beschreef, gebaseerd op zijn ervaringen in Honduras.

Alles voor het gele goud

De UFC sloeg echter niet alleen op het hogere niveau met de zweep. Op de bananenplantages zelf werkten de arbeiders in vreselijke omstandigheden tegen extreem lage lonen (soms zelfs niet in echt geld, maar een soort inwisselbare vouchers voor enkele geselecteerde winkels), urenlang, met nauwelijks rustdagen en geen schadevergoeding voor arbeidsongevallen. 

De erbarmelijke arbeidsomstandigheden brachten sommige arbeiders in Ciénaga in Colombië ertoe een officiële staking te organiseren. In 1928 richtten ze de Unión Sindical de Trabajadores del Magdalena (USTM, de Arbeidersvakbond van Magdalena) op. Deze vakbond eiste onder andere wekelijkse (in plaats van tweewekelijkse) betalingen, betalingen in echt geld en een zesdaagse werkweek. Vrij redelijke eisen, zou je zeggen. UFC vond dit te duur. Je zou bijna denken dat het Nederlanders waren, zo gierig. 

Daarom pleegde het bedrijf een paar belletjes en op 6 december 1928 stond het Amerikaanse Korps Mariniers in Ciénaga op de stoep. Of de Colombiaanse regering even wilde ingrijpen, want de belangen van de UFC moesten natuurlijk wel beschermd worden. Dan ‘nee’ zeggen is zo’n beetje gevaarlijker dan wanneer je gaat Netflixen terwijl je moeder duidelijk gezegd heeft dat je éérst je kamer moet opruimen. 

De Colombiaanse regering besloot te handelen in het belang van de UFC en opende het vuur op de protesterende bananenarbeiders. Er is geen officieel dodental, maar ongeveer een maand later stuurde de Amerikaanse ambassadeur in Bogotá, Jefferson Caffery, een bericht naar Washington waarin stond: ‘Het totale aantal stakers dat door het Colombiaanse leger is gedood, overschreed de duizend.’ De verslagen van deze dag waren zo indrukwekkend dat ze zelfs Gabriel García Márquez inspireerden tot zijn bekende boek Honderd jaar eenzaamheid.

Miss of misleiding? 

Tja, gewapende munities zijn niet echt de beste marketingtruc. In 1944 werd daarom Miss Chiquita geboren: een zingende, dansende mascotte die het imago van de bananen bij Amerikanen moest verbeteren. Want zeg nou zelf: niets lost massamoord zo goed op als een vrolijk liedje in C-majeur. Ze was ontworpen naar het stereotype van de ‘vrolijke Latina’: bruin, zwoel, een zwaar accent en een fruitmand op haar hoofd. In de radioreclames zong Miss Chiquita over de bananen: ‘You can put them in a salad, you can put them in a pie,’ terwijl arbeiders op de plantages zo weinig loon kregen dat ze niet eens voedsel konden kopen. Dan ben je een fruitbedrijf en verdien je miljoenen aan vrolijke jingles over gezond eten, terwijl je de mensen waardoor je je centjes verdient letterlijk laat verhongeren. 

In zekere zin is Chiquita’s grootste marketingsucces niet Miss Chiquita zelf, maar onze bereidheid om te geloven dat ze onschuldig is. Ze is de façade waarachter verachtelijke praktijken schuilgaan. De banaan werd gebracht als goedkoop, gezond, vriendelijk geel; daar valt verder niks aan te problematiseren. Chiquita weet haar koloniale verleden te verpakken in vrolijkheid. Macht die glimlacht, uitbuiting die swingt. De banaan is het symbool van vrolijk empirisme.

Ook de natuur moest eraan geloven. Bananen werden massaal in monoculturen geplant: eindeloze rijen genetisch identieke planten, makkelijk te oogsten, maar extreem kwetsbaar voor ziekten. Toen in de twintigste eeuw de Panamaziekte toesloeg, verdween bijna het hele ras dat tot dan toe overal geplant werd: de Gros Michel-banaan. United Fruit schakelde over op een nieuwe variant, de Cavendish. Die eten we nog steeds, maar ook die wordt nu bedreigd door eenzelfde soort ziekte. 

Hoewel de naam van het bedrijf in 1984 veranderde naar Chiquita Brands Company, bleef de werkwijze grotendeels hetzelfde. In 2007 bekende Chiquita dat het jarenlang miljoenen had betaald aan paramilitaire groepen in Colombië, zogenaamd als ‘bescherming’. In werkelijkheid financierde het bedrijf milities die lokale gemeenschappen intimideerden en arbeiders monddood maakten. 

Greenwashing in bananengeel

Chiquita promoot inmiddels duurzaamheidsprogramma’s, certificeringen en eerlijke handel, maar die claims zijn ook vaak omgeven door ambiguïteit: hoeveel controle hebben boeren echt? Wat krijgen ze betaald voor de bananen die ze leveren? Hoe diep reiken de ongelijkheden nog? 

Het bedrijf pronkt dan wel met de termen ‘duurzaamheid’ en ‘fairtrade’, maar produceert nog steeds grotendeels in dezelfde regio’s, met vergelijkbare arbeidsomstandigheden. Zelfs de taal is onveranderd: waar men vroeger sprak over ‘ontwikkelingslanden’, spreekt men nu over ‘emerging markets’. Het koloniale frame heeft een nieuw kleurtje gekregen, maar de basis blijft. Het is nu goudgeel in plaats van kanariegeel. 

Ik laat de bananen voorlopig maar even liggen en loop verder. Geen bananenbrood voor mij vandaag. Ach ja, dan bedenk ik wel iets anders.

Tekst Suzanne Toussaint, beeld Noa May Blom

Plaats een reactie