
Menstruatie, begraafplaatsen, hartproblemen, filosofische theorieën, en allerlei andere onderwerpen worden behandeld binnen het populaire genre theatercolleges. Deze educatieve voorstellingen zijn de nieuwste theaterrage. Bekende Nederlanders, podcastmakers en psychologen betreden het podium om daar te vertellen over hun specialisme aan een betalend en leergierig publiek. Elk college maakt gebruik van een host, interactie met het publiek en een onderwerp waar de toehoorder, volgens de makers, écht niet genoeg over weet.
De organisatie Theatercolleges, een grote producent van theatercolleges in Nederland, met een hele originele bedrijfsnaam, beschrijft op haar LinkedIn-pagina dat ze educatieve, inspirerende en amuserende avonden organiseren. Een andere maker van theatercolleges, Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug, beschrijft haar voorstellingen als ‘een inspirerende combinatie van ontspanning en leren’. De Theater Dominee beschrijft haar colleges als de plek om ‘inspiratie, kennis en nieuwe inzichten’ op te doen.
Theatercolleges worden dus geadverteerd als een samensmelting van vermaak en educatie. Het sentiment dat leren nergens anders zo leuk en makkelijk is, maakt dat de theatercolleges nu als paddenstoelen uit de grond schieten. Dit is een opvallend uitgangspunt, aangezien er ook te stellen valt dat elke theatervoorstelling, welk genre dan ook, zijn publiek iets meegeeft en onderwijst. Is er niet van elke theatervoorstelling wat te leren of moet het woord ‘college’ in de titel zitten voordat men gelooft er werkelijk wat van op te steken?
Theater en onderwijs gaan al duizenden jaren hand in hand. Lezingen geven in een theaterachtige setting is een eeuwenoud concept. De oude Grieken en Romeinen probeerden met hun tragedies en komedies hun toeschouwers iets te leren en tegelijkertijd een spektakel neer te zetten. Toen al was theater een manier om verhalen te vertellen, gedachtegoed in stand te houden en ideeën te verspreiden. Voor lange tijd lag de nadruk echter nog wel op het vermaak. Theatercolleges zoals we die nu kennen, kwamen rond het jaar 1000 op en waren het resultaat van het middeleeuwse christendom. Paus Gregorius VII (1015-1085) vond dat zijn geestelijken beter onderwezen moesten zijn in de leer van het christendom. Om dit zo effectief mogelijk te laten gebeuren, bracht hij een grote groep religieuzen samen in een ruimte om daar gelijktijdig te luisteren en te leren. Theatercolleges zijn ontstaan vanuit orale tradities en religieuze educatie, in een tijd waarin lezen en schrijven nog niet vanzelfsprekend waren.
De theatrale lezingen zijn daarna nooit meer van het podium verdwenen. Wel zijn de meer wetenschappelijke colleges overgenomen door de universiteiten. In de afgelopen eeuwen zijn theatercolleges vooral gericht geweest op theater zelf. In de twintigste eeuw zaten theatercolleges vol theatergeschiedenis, informatie over specifieke genres en tips voor het bouwen van decors.
In de laatste vijftig jaar is de insteek van colleges radicaal veranderd. Het eerder genoemde bedrijf Theatercolleges beschrijft hun avonden als ‘een combinatie van leren en lol’. Hoogleraar erfrecht Bernard Schols beschrijft in een interview met NPO Radio 1 zijn voorstellingen als ‘erfrechtelijke verhalen met een deuntje erbij’. Dit lijkt de crux te zijn van de hedendaagse theatercolleges: het moet mensen iets leren, maar nog belangrijker, het moet vermaken. Het publiek moet onderwezen worden vanuit de schouwburg, maar onder de voorwaarde dat het absoluut niet saai is. Hoe de colleges dat doen, verschilt per voorstelling. De makers maken het hun toeschouwers makkelijk door heel duidelijk te zijn in wat er geleerd moet worden en welke informatie belangrijk is. De colleges zijn geen dansvoorstellingen met verschillende interpretaties en betekenissen. Het denkwerk is al gedaan door de makers van de theaterles. Alles is uitgekauwd en netjes onder elkaar gezet, de toeschouwers hoeven alleen nog maar te luisteren. Een perfect, productief avondje uit.
Toch blijft dit genre aan mij knagen. Want voor wie doen de makers, sprekers en programmeurs dit allemaal? Zitten de zalen van de theaters niet al vol met gelijkgestemden en ingelezen kenners? Ik blijf mij afvragen in hoeverre mensen naar deze theatervoorstellingen gaan om iets nieuws te leren. Of komen de toeschouwers naar de colleges om hun eigen, al bestaande ideeën bevestigd te zien? Met de verkiezingen in aantocht zijn er een aantal voorstellingen in de theaters over politiek, verkiezingen en lijsttrekkers. Zo ging ook mediapersoonlijkheid Tim Hofman het theater in met het programma BOOS. Hofman hostte een BOOS-theatercollege waarin hij samen met gastsprekers het belang van de aankomende verkiezingen benadrukte en de rol van de burger besprak. Toegang verkrijgen tot deze voorstelling en meer over de materie leren, was echter niet zo makkelijk. Een potentiële toeschouwer moest eerst een betaald lidmaatschap bij de BNNVARA aanschaffen, om daarna ook nog een los kaartje te kopen. Het college loopt zo, naar mijn mening, zijn doelgroep volledig mis. Want de mensen die bereid zijn om meer dan twintig euro neer te leggen voor een voorstelling over de verkiezingen, zijn zich hoogstwaarschijnlijk allang bewust van het belang van de aankomende stemperiode. Is de drempel van het theater niet te hoog, en bovenal te duur, om met een onwetend publiek in contact te komen? Komen niet alleen de kennis-hebbenden op zulke voorstellingen af? Antwoorden op deze vragen zijn moeilijk vast te stellen. Misschien moet er een theatercollege georganiseerd worden om ons hierover te onderwijzen!
Tekst Hannah Born, beeld Winonah van den Bosch
