Tekst door Jiske Benedictus
Bij Shonaleigh Cumbers stromen de verhalen door het bloed. Shonaleigh is een drut’syla, een Joodse verhalenvertelster uit een traditie die al honderden jaren bestaat. De duizenden en duizenden verhalen die zij bij zich draagt zijn krachtig, complex, fantastisch – maar de meesten van ons zullen ze niet kennen. Shonaleigh is namelijk misschien wel de laatste die ze nog weet.
Als je duizenden verhalen kent, welke vertel je dan aan het grote publiek? Toen Shonaleigh begon op de podia van de Engelse storytelling-scene, was dat voor haar aanvankelijk slechts een fractie. ‘Ik dacht dat mensen geen interesse hadden in heel lange verhalen,’ vertelt ze. Uit haar gigantische repertoire koos ze daarom alleen de vlotte, grappige verhalen, niet langer dan twintig of dertig minuten. Met name als comédienne deed ze het daarmee heel goed. ‘Mensen zeiden: wauw, zo’n jong meisje! Zomaar ineens uit het niets opgedoken, en zo goed al! Maar ik kwam helemaal niet uit het niets. Ik was al mijn hele leven aan het leren.’
Voor Shonaleigh is dat niets teveel gezegd: als drut’syla – een woord afgeleid van het Jiddische dertseyler – begon zij met het leren van verhalen toen ze slechts vier jaar oud was. In die tijd woonde ze nog in Nederland, maar toen ze zeven was verhuisde ze met haar familie naar Engeland, waar ze nu nog steeds woont. Ze werd opgeleid door haar bubbe, haar grootmoeder, Edith Marks. Dat is immers hoe het ging in de traditie van de drut’syla’s. ‘Het was een volledig mondelinge traditie,’ vertelt Shonaleigh. ‘De verhalen werden overgedragen van grootmoeder op kleindochter. Binnen Joodse gemeenschappen luisterde iedereen naar de verhalen van de drut’syla’s. Mijn grootmoeder vertelde op bruiloften en feesten, maar het was ook gebruikelijk dat ze iedere avond, na het eten, een verhaal vertelde.’
De traditie vindt haar oorsprong op Nederlandse bodem, waarschijnlijk in de zeventiende eeuw, maar de verhalen zijn vaak veel ouder en komen uit alle hoeken van de wereld. Samen vormen ze een gigantisch, complex, prachtig geheel, kleurrijk als een tapijt, dat zich afspeelt op talloze plekken en in talloze periodes, en talloze personages langs hun kronkelende wegen volgt. Sommige zijn slechts enkele minuten, andere kunnen dagen duren om te vertellen. Shonaleigh noemt het zelf een “lattice” – een vlechtwerk –, want de verhalen zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden. Ze vallen in elkaar als matroesjka’s, borduren op elkaar voort en keren naar elkaar terug. Personages uit het ene verhaal kunnen soms plotseling heel ergens anders opduiken. De verhalen zijn zo met elkaar verweven dat ze sub-cycli vormen: grote, omvattende verhalen, die op hun beurt weer samenkomen in twaalf grotere cycli. Shonaleigh weet niet precies hoeveel verhalen het zijn. ‘We hebben berekend dat het er tussen de drie- en vierduizend zijn, maar we hebben geen exact aantal.’
Dat is echter niet het enige wat Shonaleigh niet weet. ‘De traditie was mondeling, er werd niets van opgeschreven, en het werd alleen gedragen door vrouwen. Zelfs binnen Joodse gemeenschappen had de traditie daardoor geen hoge status. Het was zo dagelijks, zo gewoon – als een oude kartonnen doos die je zonder nadenken weggooit. Er werd nauwelijks waarde aan gehecht.’ Bovendien heeft de Tweede Wereldoorlog zijn sporen nagelaten. ‘Na de oorlog was de traditie bijna in één klap uitgestorven,’ vertelt Shonaleigh. ‘Je kan je voorstellen dat een klein, oud Joods vrouwtje tijdens de oorlog geen goede kansen heeft. In zeer korte tijd was zo bijna iedereen die de traditie droeg verdwenen.’
Maar Shonaleigh’s bubbe, Edith Marks, was nog jong en sterk. Zij overleefde de kampen. Alles wat Shonaleigh van de traditie weet heeft ze dus voornamelijk van haar bubbe geleerd – en soms, realiseert ze zich nu, is dat pijnlijk weinig. ‘Het voelt soms als een groot verlies,’ zegt ze. ‘Mensen stellen me vragen over de traditie, en heel vaak moet ik gewoon zeggen: ik weet het niet. Er zijn zoveel dingen die mijn bubbe me nooit over de drut’syla’s heeft verteld, en waar ik als jong meisje ook nooit naar heb gevraagd. Ik weet niet eens wat mijn bubbe voor ogen zag toen ze de verhalen aan me overdroeg. De gemeenschappen waarin zij vroeger vertelde bestonden immers niet meer – hoe dacht ze dan dat ik de verhalen zou gebruiken, waar zou ik ze moeten vertellen?’
Een verhaal moet zich heel stilletjes in je hoofd nestelen. Een verhaal kan je op een heel subtiel niveau veranderen, je precies geven wat je nodig hebt
De antwoorden zijn nergens meer te vinden. Al sinds 2009 probeert Shonaleigh een andere drut’syla te vinden, maar tot nu toe heeft haar zoektocht weinig vruchten afgeworpen. ‘In Oost-Europese landen, of binnen Joodse gemeenschappen, zijn er nog een aantal mensen die zich kunnen herinneren ooit een drut’syla te hebben gehoord. Of soms komt er iemand naar me toe die naar mijn verhalen heeft geluisterd, en zegt: ik denk dat mijn overgrootmoeder een drut’syla was, want ik herken deze verhalen en de manier van vertellen.’ Maar tot nu toe heeft ze niemand kunnen vinden zoals zij: niemand die al van jongs af aan in de verhalen is ondergedompeld, niemand die deze traditie nog draagt. Voor zover zij het weet, is Shonaleigh de laatste drut’syla.
Sinds een aantal jaren is Shonaleigh daarom bezig om de verhalen vast te leggen. Drie dagen per week vertelt ze online stukjes van de verhalen aan een trouw publiek van ongeveer dertig mensen – ‘een ode aan wat mijn bubbe vroeger deed,’ zegt Shonaleigh. Bovendien vertelt ze ook live, soms in lange weekenden, aan kleinere groepen. De vertellingen worden opgenomen en getranscribeerd. ‘Dit is de eerste keer dat de verhalen worden vastgelegd – het is nog nooit eerder gebeurd in de hele geschiedenis van deze traditie.’ Daarnaast leert ze de verhalen aan haar zoon, Isaac, en is ze de technieken van de drut’syla’s – die de drash of de midrash worden genoemd – aan anderen aan het leren, zodat ook die niet verloren gaan.
Zo is ze langzaam een – zowel levend als digitaal – archief van de traditie en haar verhalen aan het aanleggen, in de hoop dat ze bewaard zullen blijven. Een grote verantwoordelijkheid, die soms zwaar op haar schouders drukt. ‘Vroeger werd ik soms midden in de nacht wakker, met één gedachte die door mijn hoofd spookte: wat als de traditie met mij zou sterven? Wat als de traditie zou verdwijnen? Soms word ik er moe van,’ geeft Shonaleigh toe. ‘Soms wil ik het liefste loslaten en iets voor mezelf doen. Maar ik kan het niet loslaten – het is een onderdeel van wie ik ben. Dat zou zijn alsof ik mijn eigen hart uit mijn borst zou rukken.’
Als Shonaleigh dat zegt, dan meent ze het ook bijna letterlijk. De technieken van de drut’syla’s zijn namelijk heel erg geworteld in het lichaam: je leert de verhalen niet uit je hoofd, maar je neemt ze als het ware op in je hele lijf. ‘In de westerse wereld denken we alleen maar met dit deel van ons lichaam’ – ze houdt haar ene hand boven haar hoofd, de andere bij haar sleutelbeen. ‘Het is allemaal heel cerebraal. Maar je lichaam is heel holistisch. Het bewaart je herinneringen in iedere cel. En dus leer je ook om de verhalen te dragen in ieder deel van je lichaam.’ De techniek van de drash is bijvoorbeeld gekoppeld aan de handen, voor ieder vingerkootje een oefening om het verhaal te leren. Daarnaast leer je de verhalen door heel veel te wandelen – walking the story, zoals Shonaleigh het noemt.
Als ze het strikt volgens de traditie wilde doen, zou ze de verhalen dus ook op die manier aan haar eigen kleindochter over moeten dragen. ‘Maar misschien krijgt mijn zoon wel helemaal geen dochter,’ zegt Shonaleigh. ‘Of misschien pas heel laat, als er niet genoeg tijd meer is.’ De traditie verandert dus – iets wat volgens Shonaleigh niet erg is. ‘Traditie moet zich aanpassen, moet leven. Anders is het als een vlieg, gevangen in amber: mooi om naar te kijken, maar het is dood. Het is geen vlieg meer. Natuurlijk vertel ik de verhalen niet zoals mijn bubbe ze vertelde; zij leefde in een totaal andere wereld. Ik vertel anders dan zij, en mijn zoon en mijn studenten zullen anders vertellen dan ik. Maar doordat we nu zo veel mogelijk vastleggen zal de context van deze verhalen wel blijven bestaan, hun geschiedenis. En de technieken, de drash, zullen worden voortgezet. Zo kunnen de verhalen, zelfs als ze ooit van de tong van mensen af zullen vallen, toch in leven blijven.’
Maar natuurlijk hoopt ze dat het nooit zo ver zal komen. ‘Het zijn prachtige, ongelofelijke verhalen.’ Bovendien, zegt Shonaleigh, zijn de verhalen ook heel krachtig. ‘In deze verhalen zit alle complexiteit, alle hardheid, alle subtiele details van het mens-zijn. Ze zijn een weerspiegeling van hoe hard, hoe lelijk de wereld kan zijn. En er zitten zoveel waarheden in: over wijze vrouwen die worden ondergewaardeerd en gebruikt als stukken op een schaakbord; over de wonden die oorlog aan kan richten; over mensen met een honger naar macht, zonder dat ze weten hoe ze die macht moeten gebruiken. Over hoe de kleinste dingen soms de grootste gevolgen kunnen hebben.
‘Maar ook over hoe er altijd outrageous hope is geweest. Over hoe de meeste mensen gewoon harmonie willen, verbinding met elkaar, geluk. Of de verhalen echt gebeurd zijn, of de personages echt hebben bestaan, is daarom helemaal niet belangrijk – want al die waarheden zitten er in, en die zijn echt, en die zijn waar.’ Als kind had ze daardoor heel veel aan de verhalen. ‘Ik was een jong meisje dat ook nog eens dyslectisch was. Door de verhalen realiseerde ik me dat ik veel krachtiger was dan de wereld me deed geloven. Ik voelde me nooit minderwaardig: ik keek naar de verhalen en ik wist dat ik slim was, dat ik mooi was, dat ik sterk was. Dat heeft me door zoveel heen geholpen.’
Traditie moet zich aanpassen, moet leven. Anders is het als een vlieg, gevangen in amber: mooi om naar te kijken, maar het is dood
Dat wil echter niet zeggen dat een verhaal altijd een les moet bevatten – iets waarin sommige verhalenvertellers nog weleens de plank misslaan. ‘Als bubbe de storytelling-scene van vandaag de dag zou kunnen zien, zou ze heel hard moeten lachen,’ zegt Shonaleigh met een glimlach. ‘Mensen denken vaak dat verhalen altijd een moraal moeten hebben. Maar als verhalen een moraal hadden, wat moesten we dan leren van een verhaal als Jaap en de Bonenstaak? Dat het oké is om iemands huis binnen te vallen, om te stelen, om te moorden? Nee, verhalen hebben geen moraal of boodschap waar ze voortdurend op hameren. Een verhaal moet zich heel stilletjes in je hoofd nestelen. Een verhaal kan je op een heel subtiel niveau veranderen, je precies geven wat je nodig hebt.’
In de wereld van vandaag – waar problemen zo groot en onoverkoombaar lijken, waar alles lawaai maakt en alles soms hopeloos lijkt – kan dat misschien voelen alsof het te klein is, alsof het niets teweegbrengt. Maar dat is niet waar, zegt Shonaleigh. ‘Mijn bubbe zei altijd dat je de wereld niet kan veranderen, hoe graag je het ook wilt. En soms wil je het echt heel graag – soms staat de wereld in de fik. Maar het vertellen van verhalen zal de wereld niet veranderen; als het dat had gekund, was het allang gebeurd, want er zijn al duizenden en duizenden jaren verhalenvertellers.’ Maar, zegt Shonaleigh, dat betekent niet dat er vandaag de dag geen plek is voor verhalen. Juist in een wereld vol conflict creëren verhalen namelijk kansen. ‘Tijdens het verhalen vertellen ontstaat een ruimte waar het mogelijk is om in gesprek te gaan met mensen met tegenovergestelde ideeën, om moeilijke gesprekken te voeren. Het creëert de kans om lastige vragen te stellen en lastige antwoorden te horen. Het creëert empathie en veiligheid. En dát,’ concludeert ze, ‘kan wel zeker de wereld veranderen.’
Voor wie nieuwsgierig is naar de verhalen van Shonaleigh: elke dinsdag-, woensdag- en vrijdagavond om 19:30 vertelt ze tijdens “Twilight Tales” op Zoom een stukje van de verhalen. Luisteren is gratis. Voor meer informatie en een toegangslink, zie de Facebook-pagina van Twilight Tales: https://www.facebook.com/groups/twilighttales. Shonaleigh heeft ook een website met meer informatie over haar en de traditie: shonaleigh.uk.
