Tekst door Job Korten, beeld door Kian Moradi
Vuur fascineert me eindeloos. Bij elkaar opgeteld durf ik te stellen dat ik dagenlang heb besteed aan het vuur maken, onderhouden en simpelweg bekijken. Vuur vernietigt maar leeft, het ademt en het kan stikken, er zijn brullende en lopende vuren. Wat zien wij toch in dat vlammenspel?
Allereerst: hout is in het universum zeldzamer dan diamanten. De volgende keer dat je door een park of bos wandelt, zou je er goed aan doen om je dat te herinneren. Als schaarste waarde is, is de mens de Croesus van de kosmos. Een goed houtvuur is dus logischerwijs ook verschrikkelijk zeldzaam. Maar op vergelijkbare manier met de diamant weet de fonkeling van het vuur ons tot geen einde bezig te houden. Hoeveel mensen zullen er in de hele geschiedenis bijeen zijn gekomen rond een vuur, en op hoeveel plekken? Zeker weten kunnen we het niet. Maar in een nog redelijk dichtbij verleden, voor de beteugeling van elektriciteit of gas, was het vuur waar we ons op beriepen om de wereld van licht en warmte te voorzien. En door de trillende lucht boven een vuur vertellen wij elkaar al millennia lang verhalen over vernietiging en heiligheid.
Heiligheid en hellevuur
Om maar ergens te beginnen gebruikten de vroegste mensen natuurlijk al vuur. Het verre verleden is giswerk, en niemand is zo beleefd geweest om ergens een grotschildering van een vuur te maken, maar in de vele grotschilderingen van de kuddedieren gebruikten ze wel rode oker. Rode oker wordt vervaardigd door het verbranden van ‘rauwe’, of gele oker. Naast het gebruik van vuur om hun pigmenten te roosteren zijn er ook archeologen die aanhouden dat het vuur een rol speelde bij de belevenis van de grotschilderingen zelf. In El Castillo staan nog altijd grotschilderingen die 40.000 jaar geleden zijn aangebracht, en de afgebeelde dieren zijn complementair aan de natuurlijke bressen en bulten in de rotswand getekend. Toen archeologen het licht van een vuur in de grot namaakten, merkten ze op dat de tekeningen in de flikkering van de vlammen leken te bewegen, alsof de kudde in het schaduwspel over de muren schoof. Een soort bioscoop avant la lettre. Maar dan letterlijk voordat er ook maar één letter bestond.
De magie van het vuur wordt ook daarna nog voor geruime tijd aangewakkerd. Met een hele grote sprong door de tijd kunnen we aankloppen bij Heraclitus, die in ongeveer 500 voor Christus ideeën formuleerde over vuur. In Heraclitus’ fragmenten vinden we een hele hoop, waaronder het alleroudste gebruik van het woord ‘filosoof’, maar ook een visie van vuur als oerelement. Volgens Heraclitus was ‘vuur’ niet alleen in de zin van het brandende, maar ook als warmte en licht, het element waar al het andere uit voortkwam.
Heraclitus ziet in het vuur, in de energie, een herscheppende kracht. Vuur vernietigt niet, maar maakt opnieuw. Het herschikt elementen en creëert daarmee iets nieuws. Het vuur is de motor van een oneindige elementaire cyclus. Hij noemde vuur (vermoedelijk voor de vorm) hier en daar ook bliksem, zodat Zeus en consorten zich niet weggezet hoefden te voelen. In mythen zoals die van Prometheus en Icarus lezen we immers dat men beter oppast bij het spelen met vuur. De latere stoïcijnen zouden dit principe van omwenteling door vuur overnemen in hun concept van de ekpurōsis, de ‘wereldbrand’, waarin de wereld in vlammen herboren zal worden aan het einde der tijden.
En zo is er natuurlijk ook het hellevuur uit het christelijk denken. Een notie die wat meer is ingegeven door de vernietigende kant van vuur. Maar in de Judeo-christelijke traditie is er veel meer aan de hand met vuur. In het Oude Testament wordt ‘vuur’ maar liefst 380 keer genoemd, vaker dan niet een teken van goddelijke aanwezigheid. Denk hierbij aan Mozes, die God hoort spreken uit een braambos dat in brand staat, maar niet opbrandt. Dit is dan weer een soort perfect vuur dat brandt, maar niet verbrandt. Het energie-equivalent van Maria en de onbevlekte ontvangenis. In Leviticus staat dat de Heer zelf het offervuur heeft ontstoken en dat het altijd moet branden. Vuur is in de Bijbel een duiding van goddelijke komst, maar ook van Zijn toorn. In het Oude Testament regent vuur en zwavel over Sodom en Gomorra, en in het Nieuwe Testament worden de wereld en de hemelen ‘ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.’ (2 Petrus 3:7). God lijkt in al zijn heiligheid en haat in de vorm van vuur te verschijnen, zij het in een braambos of het einde van de schepping.
Turend in een vuur heeft men in het verleden duidelijk allerhande goden tussen de vlammen weten te vinden. Ik sta niet alleen in mijn fascinatie. Maar ik studeer filosofie, en weet ook dat God dood is. Dus met de afgelopen 600 woorden zijn we eigenlijk geen meter opgeschoten. Wat nu?
De wetenschap vind ik wat koud om de strekking van het vuur te dekken. Ik voel niet veel overeenkomst tussen wat ik voel bij een vuur en simpelweg zeggen dat het een alledaagse verbrandingsreactie is, een vrijkomen en ontsteken van houtgas wanneer een gegeven stuk hout voldoende verhit raakt. Ik zal mezelf, geheel in traditie van de durende betoveringen die hierboven beschreven zijn, even toestaan mijn eigen betovering te verwoorden.
Wij waakvlammen
Bij een vuur gebeurt een hoop. In het dansende licht ziet hij een schouwspel waarin de vlammen om elkaar heen dansen, even snel weer weg als dat ze verschijnen. Weerspiegeld in de pupillen van de waarnemer is de rode gloed als smeulende kolen, een voorbode van wat ervan over zal blijven. Het vuur leeft… Het vuur danst met de nacht; ze omwentelen elkaar. Het duister van de nacht lijkt te drukken op het vuur, verstikkend en zwaar. Het vuur beantwoordt die gigantische duisternis met gepassioneerd verzet, hoe schamel ze ook moge zijn vergeleken met het grote duister.
In het ervaren van natuurgeweld kan een mens zich vreselijk klein voelen. Zo strekt de zee zich verder uit dan het oog ziet, kan ook de grond zich onder onze voeten in golven voortbewegen, en vliegen lichamen als herfstbladeren rond wanneer een krachtige storm ze treft. De grote natuurkrachten waar wij nog steeds onderhevig aan kunnen zijn, misschien zelfs nietig in vergelijking. Het vuur is minstens even groots als deze krachten; als element van vernietiging raast het bossen onderuit, en maakt steden tot geraamtes van as en steen. Maar toch spreekt het vuur ons aan zoals geen van de andere krachten dat kan. Zeeën drogen op, de aarde zal vergaan, en de wind zal daarbij de ruimte in verdwijnen. Allemaal waar, sterfelijk in hun eigen recht, maar niet zoals het vuur dat naast ons is.
Ademt vuur niet zoals wij? Groeit het niet met iedere teug lucht die het binnenhaalt? Likt zij niet met haar vele tongen het hout, consumeert ze niet? Is zij niet net als wij sterfelijk? Waar het vuur is, is de tijdelijkheid vormgegeven, stoffelijk, tot ze opgebrand is. Wij zien in het vuur misschien iets van onszelf terug, energie en passie gevangen in bewegende ledematen. En na haar aanwezigheid volgt een stilte. Het geknetter, gesis, het blazen van haar adem valt weg en sterft een eenzame dood. Van een heel leven kunnen we toeschouwer zijn bij een vuur, van conceptie tot de laatste adem kunnen we ons inleven, met de belofte dat je zelf ooit ook zo tot een einde komt. De steekvlam van onze jeugd zal ooit verworden tot een waakvlam van volwassenheid, steeds krimpend tot de sintels van ouderdom zullen doven in de wateren van vergetelheid.
Het vuur doet ons herinneren, het trekt onze aandacht naar zich toe, houdt onze ogen bezig om zo ons hoofd de loop te kunnen geven. Het fluistert ideeën, spreekt over een verleden dat met haar is beleefd. Ook de schrijvers van de teksten die in dit stuk zijn genoemd zullen dat in bijzijn van een vlam hebben gedaan. In de flikkering vertellen honderd generaties honderd verschillende verhalen, ze verlicht de hallen van ons geheugen zoals haar aanwezigheid ontelbare hallen heeft verlicht. Volgens Heraclitus is het de oorsprong en het einde van alles dat in haar geboren is en ten vure bewaard. Het is energie, licht dat vecht tegen de eindigheid, een strijd die ons niet vreemd is.
