Tekst door Eva Marx, beeld door Ieke Meijer
Voor dit Babel-nummer praatte ik met schrijfster Marian Donner over haar Zelfverwoestingsboek, waarin ze de lezer aanspoort niet te luisteren naar adviezen uit TED-talks en zelfhulpboeken. We moeten juist meer stinken, drinken, bloeden, branden en dansen. Alleen zo kunnen we misschien onze maatschappij, immer gericht op zelfoptimalisering en productiviteit, veranderen en verbeteren, aldus Marian.
Op een van de buitengewoon zonnige eerste lentedagen ontmoet ik schrijfster en essayiste Marian Donner (1974) bij café Latei op de Zeedijk in Amsterdam. Ik was al binnen gaan zitten, maar Marian vraagt verontschuldigend of we misschien naar buiten kunnen verplaatsen zodat ze kan roken. Natuurlijk kan dat, ik rook zelfs graag een sigaret mee. Roken ziet Marian als een bijna activistische daad, een van de dingen die ze doet die volledig in strijd zijn met de filosofie die ons wordt aangeleerd door de zelfhulpindustrie.
Toevallig hebben Marian en ik behoorlijk wat gemeenschappelijkheden, waardoor het gesprek voor mij meteen vertrouwd voelt. We komen allebei uit Amsterdam, studeerden allebei aan de UvA (zij psychologie, ik geschiedenis) en werkten beiden bij een studentenproject van Stichting Kriterion (zij bij Kriterion, ik bij ‘Skek). Na het studeren had Marian een aantal meer ‘serieuze’ banen, maar besloot al snel het roer om te gooien. In 2004 werd ze barvrouw bij club Bitterzoet en twee jaar later telefoniste bij een escortbureau. Nu schrijft ze onder andere voor De Groene Amsterdammer. Na de publicatie van twee romans publiceerde ze in 2019 het Zelfverwoestingsboek, het boek waarvan ik haar naam ken.
In dit boek keert ze zich tegen de zelfhulpindustrie, een industrie die van ons vraagt dat we ons eeuwig blijven optimaliseren en altijd streven naar een mooier, gezonder, gelukkiger en productiever bestaan. Ze ziet in deze adviezen en stappenplannen, die mensen van stress en depressies moeten genezen, juist de oorzaak van veel problemen in onze samenleving. We zoeken hierdoor namelijk de oorzaak van problemen bij onszelf, in plaats van in te zien wat er mis is met de externe omstandigheden die deze eisen aan ons stellen. Die externe omstandigheden duidt Marian aan als ‘het systeem’, en meer specifiek als het neoliberale kapitalisme. In het neoliberalisme worden problemen geprivatiseerd. Het is dan de taak van het individu om aan zichzelf te werken. Productiviteit en optimalisering staan centraal, samen met een bepaalde maakbaarheid: als iemand maar hard genoeg werkt, zal iemand resultaten boeken. En op het moment dat iemand faalt, is dat de eigen schuld.
Volgens Marian komen we met die manier van denken en leven niet verder. In het Zelfverwoestingsboek haalt ze een uitspraak van Virginia Woolf aan: ‘Als het voelt alsof er geen plek voor je is op deze wereld, moet je je niet afvragen wat er mis is met jou, maar wat er mis is met de wereld.’ Marian roept ons op om te falen, lelijk en ongezond te zijn, af te wijken en meer vergevingsgezind te zijn. Dus door onszelf juist niet onze allerbeste versie te maken, en ons misschien in de ogen van sommigen te verwoesten, kunnen we dit onderdrukkende systeem proberen te vernietigen.
Marian is zich er bewust van dat veel van haar stellingen eigenlijk al in de jaren 60 gezegd zijn. Bijvoorbeeld door filosoof Herbert Marcuse, waar ze onlangs ook een boek over schreef. Volgens Marian komt systeemdenken in golven: ‘Ook in de jaren 90 was er zo’n golf, met veel antikapitalistische sentimenten. Het heersende idee van die tijd was dat het systeem ons klein hield. Daar ben ik dan binnen tot wasdom gekomen. Die manier van denken is volledig weggevaagd met nine eleven, toen werden al die protestbewegingen volledig de kop in gedrukt. Maar ja, dat is gewoon een golf en volgens mij is er nu weer een golf. Binnen die nieuwe golf denkt men op een soortgelijke manier na, bijvoorbeeld: Dat ik mijn huur niet kan betalen komt niet omdat ik een soort luie loser ben, maar omdat er allemaal speculanten geld mee verdienen.’
Hoewel veel van de sentimenten die Marian beschrijft niet nieuw zijn, vond ze het toch goed om dezelfde kritiek in een nieuw licht te plaatsen, terwijl ze tegelijkertijd benadrukt dat het boek ook dankzij toeval is ontstaan. ‘Het boek kwam gewoon omdat iemand bij uitgeverij Das Mag mij vroeg of ik niet eens een pamflet moest schrijven. En toen dacht ik: nou, dat is echt een heel goed idee! Ik ben er tevreden mee om te zeggen dat het gewoon toeval was. Het is altijd die neoliberale boodschap dat als je het maar graag genoeg wilt en hard genoeg werkt, je dromen waarheid worden. Maar dat is gewoon echt helemaal niet waar. Er zijn supergetalenteerde mensen die nooit ergens komen. En als je een beetje in het nachtleven hebt gewerkt, zoals ik in deed in coffeeshops, clubs en heel lang aan de telefoon bij escorts, dan kom je heel veel mensen tegen aan de rafelranden van de samenleving. Die vaak heel veel kunnen en heel slim zijn, maar simpelweg niet de juiste contacten hebben. Ik denk dus dat mijn hele carrière, tussen aanhalingstekens, een en al toeval is.’
Hierna praten we verder over het individualisme in de Nederlandse samenleving. In de inleiding van het Zelfverwoestingsboek schrijft Marian dat we niet alleen aan onszelf moeten denken, maar aan de wereld. Ik vraag wat ze daar precies mee bedoelt. Marian geeft een voorbeeld over burn-outs: ‘Dit vind ik wel opvallend. Je hebt van die werkplekken waar elk jaar vijf mensen uitvallen ofzo, met een burn-out. Dan is de vraag altijd, hoe kom ík daar weer bovenop. Of dat iemand die daar werkt zegt: “Nou, godzijdank, ik niet.” En zich dan sterker voelt daardoor. Zovan: ik ben niet zo’n slappeling. Maar er is gewoon heel erg iets mis met je werkplek als er elk jaar vijf mensen uitvallen. Dan gaat het niet om jou. Ik vind dat Marx daar iets heel moois over heeft gezegd: dat als je jezelf wil veranderen, je eerst de wereld moet veranderen. Omdat wij gevormd worden door de wereld om ons heen. Het begint dus niet bij jou. Het is een grote opdracht, maar toch.’
Je hebt het allemaal gedaan. En dan komt er iemand die zegt, ‘ja, dat is eigenlijk helemaal niet nodig, want je kan ook gewoon heel relaxed in je commune zitten’.
Volgens Marian spelen mensen die zich niet aan bepaalde sociale normen houden, de belangrijkste rol in het veranderen van die wereld. ‘Ik zie dat bijvoorbeeld bij links-anarchistische initiatieven. Jeetje, wel een lang woord. Maar ik denk dat die een opening kunnen geven.’ Zonder dit soort alternatieve voorbeelden, waarbij bijvoorbeeld maaltijden voor onmogelijk lijkend lage prijzen verkocht worden in gemeenschappelijke keukens, kunnen mensen zich niet meer inbeelden hoe het anders zou kunnen: ‘Ja, dat is dus de eendimensionale mens van Marcuse. Dat is iemand die zo vastzit in het productie-consumptiebestaan, dat hij zich geen voorstelling meer kan maken dat het ook anders kan. En de enige die tot hem door kan dringen is de buitenstaander. Dus degene die anders leeft, anders is.’
Ze denkt dat een nieuw idee wel weerstand opwekt. Dat ziet ze nu bij alles dat ‘woke’ genoemd wordt: ‘Dat laat zien dat het anders kan. Die hele felle reactie daarop, vanuit rechts vooral, is een willen vastklampen aan wat je kende, waar jij je altijd aan hebt aangepast. Als het nu opeens anders blijkt te kunnen, waarvoor heb jij je dan altijd naar geschikt? Ik denk dat die conservatieve reflex van meerdere dingen afhankelijk is, maar dat dat ook meespeelt.’ ‘Misschien komt het bijna uit een soort jaloezie?’ vraag ik. ‘Bijna ja.’
Als bepaalde vanzelfsprekendheden bevraagd worden, is dat namelijk niet altijd geruststellend. ‘Dan heb je een bullshitbaan, maar ja, je zet toch door. Je gaat de competitie aan voor iets wat je helemaal niet wil. Je hebt het allemaal gedaan. En dan komt er iemand die zegt: “Dat is eigenlijk helemaal niet nodig, want je kan ook gewoon heel relaxed in een commune gaan zitten.”’
Toch kan de eendimensionaliteit die Marcuse beschrijft wel doorbroken worden, en dat kan geleidelijk gaan. Ik had dat zelf bijvoorbeeld bij vrouwen die hun benen niet scheren. Hoewel ik dat in theorie altijd al normaal vond, zei mijn gevoel lange tijd toch dat het een beetje gek of vies was. Nu is dat idee helemaal weg. Marian reageert op mijn voorbeeld: ‘Ik herken dat heel erg. Ik had dat dus bij de serie Girls. Dat was een soort Sex and the City, maar dan veel rauwer. De hoofdpersoon was voor de maatstaf nu best wel gezet, en ze was de hele tijd vrij bloot in beeld. Ik merkte dat ik eerst bij mezelf dacht, dat ze toch wel een beetje mollig was. Van die nare gedachten die je eigenlijk helemaal niet wil hebben. Alsof je ogen van de maatschappij zijn. Ik voelde dat terwijl ik de serie keek echt veranderen. Zo van: wat een mooi lichaam en wat leuk om dat zo te zien. Ik warmde daar helemaal voor op.’
Aan het einde van ons gesprek vraag ik haar of ze denkt dat we het huidige systeem nog gaan zien vallen. ‘Ik weet het niet… In een revolutie geloof ik niet. Ik geloof in kleine veranderingen. Voor het bedenken wat voor andere wereld er mogelijk is, is ons verbeeldingsvermogen denk ik te beperkt door de wereld waarin we nu leven. Maar als die kleine veranderingen komen, openen zich nieuwe perspectieven en nieuwe fantasieën.’ Als metafoor voor het systeem gebruikt ze het plaatje van een olietanker die langzaam opschuift, zodat we de horizon weer kunnen zien. Ik begrijp het niet helemaal, maar vind het wel een mooi idee.
Na deze vraag zet ik de opname uit, kletsen we nog even verder en nemen vervolgens afscheid. Marian vergeet haar jas. Dat lijkt ze, volledig naar het sentiment van haar boek, niet erg te vinden. We zeggen elkaar een tweede keer gedag.
