Tekst door Just Pallandt, beeld door Winonah van den Bosch
Fronsende wenkbrauwen, een instemmend ‘hmmm’. Veel meer reactie krijg ik niet als ik aan geïnteresseerden vertel dat ik mijn volgende artikel in Babel wil wijten aan een roman over een parkeerwachter in Hilversum, geschreven door een oud-parkeerwachter in Hilversum: Detlev van Heest. Parkeren in Hilversum (2024) is geestig, onderhoudend en vlot. Een alledaags decor vol kleine gebeurtenissen is meer dan genoeg voor een groot verhaal.
Lovende citaten uit recensies, nominaties voor literaire prijzen, aanprijzingen van collega-schrijvers met stortvloeden aan superlatieven. Tussen al dat geweld is het soms zoeken naar de naam van de schrijver en de titel van het boek op een kaft. Het kan ook soberder, moeten ze bij Uitgeverij Van Oorschot gedacht hebben. Op de binnenflap van de roman Pleun (2010) staat kortweg: ‘Detlev van Heest (1956) is parkeercontroleur te Hilversum. Hij studeerde geschiedenis in Leiden, werkte als journalist in Rotterdam, Den Haag, Brussel en Tokyo en als keuterboer en knecht in Nieuw-Zeeland.’
In 2010 verschijnt Van Heests debuutroman De verzopen katten en de Hollander, wat zich afspeelt in Japan en een tweeluik vormt met het in hetzelfde jaar gepubliceerde Pleun. Hierna volgt Het verdronken land. Terug naar Japan (2011), waarin Van Heest een drietal reizen: vlak voor en vlak na de tsunami bij Sendai, begin 2011. Daarna blijft het lang stil rondom Van Heest. Het duurt tot 2024 voordat er een nieuw boek van zijn hand verschijnt: Parkeren in Hilversum. Op je vierenvijftigste debuteren, binnen twee jaar drie boeken bij een gerenommeerde uitgeverij publiceren, om vervolgens veertien jaar lang te verdwijnen. Even merkwaardig als de eerder aangehaalde flaptekst.
In het tijdschrift Zin werd Van Heest gevraagd naar het lange gat tussen zijn derde en vierde boek. Hij antwoordde laconiek: ‘Je hebt liefhebbers van Hüttenkäse en jonge kaas, maar ik houd van kaas met veel smaak zoals brokkelkaas. Ik vind dat je wat afstand tot je eigen materiaal moet hebben, en dat duurt nou eenmaal een tijdje, bij mij althans.’
Goed, Parkeren in Hilversum is een erg smaakvol boek. In de eerste acht bladzijden reist de hoofdpersoon, niet geheel toevallig Detlev van Heest geheten, tussen Auckland, Los Angeles, Bologna en Bad Kreuznach. Voordat het boek zich kan ontwikkelen tot kosmopoliete tour de force, is het decor al ingewisseld voor Nederlandse steden als Arnhem en Hilversum. Van Heest is geremigreerd naar Nederland na een stukgelopen huwelijk, berooid, met niet veel meer dan een tas kleren. Als een medepassagier genaamd Aaron op het vliegveld geld aan hem wil geven en stelt: ‘Jij hebt één hemd en twee pantalons en verder niets’, noteert Detlev droogjes: Aaron vergat mijn vijf onderbroeken.
Voor Van Heest is de betekenis duidelijk: je werk uitvoeren, een goede vriend zijn voor je vrienden, een goed baasje zijn voor je huisdier en schrijven, het allemaal opschrijven.
Terug in Nederland gaat de bankroete vijftiger weer op kamers en op zoek naar een baan. Een leraarschap Duits in Purmerend duurt korter dan een dag, en een baan als assistent-kaasverkoper (zeker passend bij kaasliefhebber Van Heest) is hem niet gegund omdat de kaasboer liever een vrouw in dienst neemt. De Partij voor de Dieren wijst hem driemaal af. Baantjes als bijlesdocent en callcentermedewerker vervult Van Heest plichtsgetrouw, maar erg veel plezier lijkt hij er niet aan te beleven.
Dat plezier is er wel bij de lezer: geen leedvermaak, maar vermaak om de precieze, komische beschrijvingen van het alledaagse leven. Het werkt goed dat bij Van Heest de humor zich vanzelf openbaart, dat hij grappig is zonder al te nadrukkelijk op zoek te gaan naar een grap. Cabaretiers of vrienden die te graag grappig gevonden willen worden, maken zichzelf daardoor minder grappig. De introspectie die Van Heest opschrijft, is ook waardevol voor het boek. Zoals hij niet gespaard wordt door parkeerders in Hilversum, zo spaart hij zichzelf ook niet.
De rest van het boek verhaalt voornamelijk over het parkeercontroleurschap van Van Heest, dat niets minder dan zijn roeping blijkt te zijn. Hij bekeurt soms op een dag meer auto’s dan al zijn collega’s bij elkaar opgeteld. Een scala aan smoesjes en ziektes krijgt hij naar zich toegeschreeuwd na het geven van een boete. Over de verhouding tussen parkeercontroleur en automobilist schrijft hij:
‘Als ik onbewogen en rationeel bleef, draaiden sommige automobilisten juist door. De psychologische verklaring was eenvoudig. Niemand wenste vernederd te worden door een rustig pratend en redelijk argumenterend stuk stront in een uniform. De vernedering zat in het verlies van zelfbeheersing ten overstaan van een wezen van de allerlaagste rang. De autorijder als culminatie van de evolutie versus de onverstoorbaar in de excrementen scharrelende kakkerlak.’
Nergens wordt precies duidelijk wat Van Heest nou zo aantrekt in het beroep, waarom hij zo graag al die boetes uitdeelt en de scheldkanonnades incasseert. Het boek zit vol met beschrijvingen van pesterijen, zoals:
‘Op de rug van mijn uniformjas hadden ze een briefje geplakt: KLOOTZAK. Ik voltooide de tweede bekeuring en ging op een drafje achter hen aan. Ze stapten in hun auto. Alleen vader had nog een been op straat. “Heren, ik ben blij dat ik uw visitekaartje gekregen heb.” Zoon stak zijn middelvinger op. Een anekdote van niks, maar mijn leven was een aaneenrijging van anekdotes van niks.’
Ik ben het er niet mee eens, dat het een niksige aaneenrijging is, want ook over vriendschap en katten schrijft Van Heest uitvoerig en vermakelijk. Parkeren in Hilversum is een prachtige roman. De Tsjechische oud-president Vaclav Havel zei eens dat de tragiek van de moderne man niet is dat hij minder en minder weet van de betekenis van zijn eigen leven, maar dat die betekenis hem steeds minder uitmaakt. Voor Van Heest gaat die vlieger niet op en is de betekenis duidelijk: je werk uitvoeren, een goede vriend zijn voor je vrienden, een goed baasje zijn voor je huisdier en schrijven, het allemaal opschrijven.
