Tekst door Job Korten, beeld door Ieke Meijer
Ten tijde van deze editie ligt zo’n beetje de hele weg van mijn voordeur tot de campus open. Een teken van een levende stad is onderhoud, maar na een week of twee omfietsen vraag je je toch af of het allemaal zo had moeten zijn. Dit moet beter kunnen, denk je, of op zijn minst anders. En je bent niet de enige die zo heeft gedacht over Amsterdam.
Een stad die al even bestaat is natuurlijk niet alleen de stad van nu, maar ook de stad van toen, daarvoor en daar ook nog voor. Het is een aaneenschakeling op elkaar gebouwde steden, zoveel valt ook te merken bij ieder nieuw bouwinitiatief dat de grond in moet. Daar wordt in de meeste gevallen de nodige tijd bij berekend voor de vele historische relieken die uit de zanderige moddergrond moeten worden gehaald. Ik kijk naar jou, Noord-Zuid lijn. Amsterdam is een taart waarvan elke laag zijn eigen specifieke smaak heeft – de bittere nasmaak van de 17e eeuw, of de nogal pittige 20e eeuw, bijvoorbeeld – maar onmiskenbaar deel uitmaakt van dezelfde roodbruine haventaart. Nu, wij bewoners van de bovenste laag krijgen niet altijd evenveel meer mee van de onderste laag. Zo merken we bijvoorbeeld nog maar weinig van het feit dat het gebied wat nu het Leidseplein is ooit een galgenveld was, waar misdadigers en andere ongelukkigen de bewoners per strop af moesten schrikken van de criminaliteit. Wat de stad geweest is, blijft verhuld in wat de stad nu is.
Wat de stad niet geweest is, valt hier te lezen. Het is in de loop der jaren een aantal keren voorgekomen dat een groots plan opgezet werd ter vernieuwing, verbetering, verruiming en nog wat andere ver-ingen van de stad. Soms lukte dat, zoals bij Plan Zuid II van Berlage, en soms lukte dat niet, zoals bij Plan Zuid I van Berlage.
Een kuis Rembrandtplein
Met Nicolaas Listingh ontstond er een plan om het Rembrandtplein eens grondig om te bouwen. Destijds stond het plein nog bekend als de Botermarkt, daar de maandagmarkt voor zuivelhandel zich er sinds 1669 voltrok. Een zuivelmarkt in de 17e eeuw ging ongetwijfeld gepaard met stank, drukte en vuil. Daar kon, volgens Listingh, wat aan worden gedaan.
Geboren 1630 te Amsterdam was Listingh in de eerste plaats notaris en advocaat, maar vond in zijn vrije tijd ook plaats om aan de wandel te gaan met zijn verbeelding. Doordat zijn vader rijk was gestorven was hem een riante erfenis ten deel gevallen. Tijd is geld, en Nicolaas had ineens veel van beide. Zo vond hij in zijn dagen de tijd om het faillissement van Rembrandt te overzien, maar overzag ondertussen ook het onderhoud van de Oude Kerk als kerkmeester. Een van zijn meest opvallende nalatenschappen in de Oude Kerk is een gigantische houten maquette van zijn ontwerp voor een koepelkerk die op de eerder genoemde botermarkt gebouwd zou moeten worden.
Het gebouw, voor de tijd gigantisch in concept, spande 52 meter in doorsnede, torende op 90 meter ver boven de stad uit en moest maar liefst 3200 kerkgangers kunnen huisvesten. Om verbeelding te realiseren is echter ook wilskracht nodig, een waar een gebrek aan wil is, is een rijke man met een open buidel. Listingh besloot prenten te laten maken, zodat men een beeld kreeg bij het gebouw. Ook liet hij dus de maquette maken op een schaal van 1/18, dat maakt het 5 meter hoog, en daarmee de grootste maquette in ons land. Hoewel Listingh door het stadsbestuur is vergoed voor de prenten, wat impliceert dat ze de bouw van de Koepelkerk wel degelijk hebben overwogen, is de kerk nooit gebouwd. Waarom weten we niet precies. Wat rest van de verbeelding van Listingh is te vinden in de Oude Kerk, zowel de maquette als de man zelf, onder een rijk versierde zerk.
Champs d’amrak
Weinig herinnert de 21e-eeuwse Amsterdammer aan het feit dat deze in een havenstad woont. Er zijn natuurlijk de straatnamen, het water en de vele bootjes op de grachten. Maar sinds de stad met het centraal station als het ware is dichtgeritst, wordt men nog maar weinig geconfronteerd met het open water dat zo lang haar slagader is geweest. Als het centraal station de schuiver van de rits is, en de spoorbanen de dichtgeritste ritstandjes, dan is het Damrak dat ene stukje rits wat je nèt niet dicht krijgt, boven aan je gulp. Het half open, half gedempte stuk water dient vooral als vomitorium om toeristen zo snel mogelijk naar de Dam te loodsen.
Toch verbeeldde W.P. Werker zich een geheel ander Damrak. In 1884 tekende hij een plan op voor een totale herinrichting van het Damrak. Het zou in volledigheid worden gedempt, van kade tot kade overlegd worden met grind en witte betegeling. Het Centraal Station was nog in aanbouw, maar van haar deuren tot de dam zou een brede boulevard worden aangelegd. Drie fonteinen zouden het midden van de boulevard opvullen, de zijkanten deftig bestippeld met boompjes en lantaarns. Daarnaast zou er aan de Oostzijde van de boulevard ruimte gemaakt worden voor een gigantisch beursgebouw met grijsblauwe dakpannen en een gevel van wit steenwerk. We zouden kunnen stellen dat Werker een soort ‘Parijs aan ‘t IJ’ wilde bouwen. Dat kwam er niet. Maar we kunnen ons voorstellen hoe het zou zijn, om niet in een rij geesteloze toeristen vooruit te moeten schuiven, steeds een martelend stapje dichter bij de Dam. Over de boulevard van Werker zouden we ongetwijfeld in alle rust voort stappen, met alle tijd om een muntje in één van de fonteinen te gooien. Helaas zouden we dan wel de ‘canal tours’ moeten missen, ik stel me zo voor dat men met voortschrijdend inzicht maar heeft besloten de boulevard de boulevard te laten.
Het “Parijs aan ‘t IJ” zoals Werker zich dat inbeeldde is er niet gekomen
De baby van Berlage.
Rond 1900 besloot het stadsbestuur dat er met hoge nood meer stad moest komen om te besturen. Uit het gebied tussen de rivieren de Amstel en de Schenkel zou een nieuw stadsdeel gehouwen moeten worden. Verschillende architecten en stedenbouwkundigen werden gevraagd om hun verbeelding los te laten op de lap grond die ongeveer het gebied tussen de tegenwoordige begraafplaats Zorgvlied en het Vondelpark bestrijkt. In een zoektocht door het stadsarchief onderzocht ik een paar van deze plannen.
Zo was er een plan van ene Constant Lodewijk Marius Lambrechtsen, toenmalig directeur van de Dienst Publieke Werken van Amsterdam. Deze visualiseerde een soort extra laag voor de grachtengordel; een kanaalceintuur, wellicht. In een zeer rechthoekig – om maar niet te zeggen: haast Amerikaans – ontwerp lopen er van Amstel tot Schenkel rechte straten, doorkruist door minstens even rechte straten, om rechthoekige kavels waar rechthoekige panden zouden komen te staan. Wel maakte hij ruimte voor een villawijk langs de te bouwen gracht. Zuid is Zuid. Dit plan zou zonder veel tamtam worden getorpedeerd, voornamelijk om schoonheidsredenen. De gemeenteraad had besloten ‘aesthetische eischen’ te stellen, en klopte daarom maar aan bij H.P. Berlage, kind aan huis bij de afdeling Publieke Werken, en ‘Officieuse aesthetische adviseur der gemeente’. Volledig in lijn met de esthetische verwachtingen kwam Berlage toen op de proppen met Plan Zuid I. Dat zag er als volgt uit:
De nadruk lag hier op willekeur en esthetiek, het eerste vaak in dienst van het tweede. Willekeur in de letterlijke zin: naar de esthetische wil en voorkeur van Berlage. Vergeleken met de rechte lijnen van het voorgaande plan heeft Berlage zich hier vooral gericht op wat mooi was, niet per se op wat logisch was. De grachten van Plan Zuid I zijn getekend met een ‘willekeurig verloop’, maar de zuidelijke gracht toont een opvallende gelijkenis met de spanne van de Singelgracht (en de gracht van Lambrechtsen). Berlage licht toe dat dit simpelweg het geval is omdat ‘deze eene passende gelegenheid daartoe bood’. Helder.
Verder is er een brede wandelweg van de Amstel tot de Amstelveenseweg, aan weerszijden bekleed met perkjes en ander natuurschoon. Het grote gat ten zuiden van het Willemspark was bedoeld als een soort allesdoener-terrein. Het zou als vervanging dienen van het IJsclubterrein achter het Rijksmuseum, waar een Museumplein gebouwd was. Ook Berlage beeldde zich – op precies dezelfde plek als Lambrechtsen – een villawijk in. Uiteindelijk, na een groot aantal aanpassingsverzoeken, leverde Berlage in 1917 Plan Zuid II in. Dat zag er weer zo uit:
En ook ongeveer zo kennen wij Zuid. Bij de grote ‘B’ zien we station Zuid, nu de Zuidas. En de grote A aan het rechtereinde van het plan is de Berlagebrug. Wel staat het Olympisch Stadion een kwartslag gedraaid, en mist de RAI tussen het Beatrixpark en begraafplaats Zorgvlied.
Monumentaal en schilderachtig Berlage hanteert in de toelichting van dit plan twee begrippen van groot belang: ‘in aanleg monumentaal, in detail schilderachtig’. Hij wijt deze eigenschappen aan het concentrische grachtenmodel van het Oude Amsterdam, dat over zijn nieuwe plannen een monumentaal een schilderachtig karakter uitriep. Ik denk dat beide begrippen minstens even toepasselijk zijn voor de andere twee ongebouwde stukken Amsterdam. Uiteindelijk waren alle drie de mannen product van hun stad, en probeerden ze haar monumentale, schilderachtige karakter te vergroten met hun verbeelde toevoegingen. En hoewel hun plannen misschien zijn blijven steken in de verbeelding, is het karakter van hun plannen overal in de stad te zien. Berlage heeft het goed benoemd: Amsterdam is in aanleg monumentaal, in detail schilderachtig.

als de damrak de gulp is is de nieuwe kerk dan de balzak
LikeLike