Tekst en beeld door Teuntje Ott
Ze voelde haar wimpers vallen. Vlug knipperde ze met haar ogen. De zon scheen nonchalant door het gordijn haar kamer binnen en vulde de ruimte tot ze erin verdronk. Kristallen aan haar dromenvanger splitsten het licht in duizend tinten mist, als vruchtpluisjes dwarrelden ze naar beneden. Ze benijdde de manier waarop ze doelloos maar hoopvol konden zweven.
Een nieuwe dag stond voor de deur, maar Clementine kon de zin niet vinden om open te doen. Vandaag zou toch weer eindigen, net zoals morgen, overmorgen en de dag daarna. Verwachtingen van anderen drukten op haar schouders. Ze had nog geen idee wat ze wilde studeren, laat staan wat ze wilde worden. Is het niet veel belangrijker wie je wil worden?
Ze probeerde haar rommelende buik geen aandacht te geven, maar uiteindelijk kon ze niet anders dan luisteren naar het lichaam waarin ze toevallig huist. Om de futloosheid te trotseren stapte ze snel uit bed. Lopen. Dat helpt altijd. 10.000 stappen per dag wordt aangeraden, maar daar wil ze vandaag ruimschoots overheen.
In de keuken vond ze daarnet een briefje van haar moeder: Lieverd, ik ben even boodschappen gaan halen. Vergeet niet wat fruit te eten, daar knap je altijd van op! xxx
Het zal wel even duren tot mam terug is, aangezien de dichtstbijzijnde supermarkt zich tientallen kilometers hiervandaan bevindt; als je last minute een vakantiehuisje huurt op een populaire plek als de Provence, is het aanbod zeer beperkt en beland je in het midden van nergens. Eigenlijk wel toepasselijk voor de staat waarin Clementine zich bevindt.
Gedachteloos eet ze wat brood. Nogal bijzonder, aangezien haar hoofd altijd overuren draait. Buiten besluit de wind van zich te laten horen, verwaaide bloesem spat tegen de kozijnen; de lente is nog nooit zo fel geweest. Voordat de twijfel op haar afkruipt, grijpt ze naar haar jas aan de kapstok en grist nog snel een nectarine mee voor onderweg.
Ze wordt gelijk omringd door het groen, alsof de natuur zich heeft ontfermd over het huis en er als een rustgevende deken overheen is gaan liggen. Zuurstof prikkelt haar neus terwijl de bergen zich voor haar uitstrekken. De edelsteen van haar lievelingsketting klopt op haar borst. Ongeslepen treedt ze de wereld tegemoet.

De mist sluimert om haar heen als een maandagochtendwekker. Struikelend over verwaaide stukjes aarde kijkt Clementine achterdochtig om zich heen. Voetstappen. Het zijn de hare, maar er lijkt een echo te klinken. Zou die van boven komen? Langzaamaan laat een dof cirkeltje in het blauw zich al zien. Eerdere nachten was ze bijna vol geweest; een ledlampachtig hemellichaam dat haar wakker houdt. Of ik er als een wolf naar kan huilen, vraagt ze zich af. Of ik tranen zal kweken. Of ze zullen vallen en mijn wangen mogen strelen.
Het groen werpt zich beschermend om haar heen met elke stap die ze zet. Het bos en al haar bomen; ze doen haar glimlachen. Ze volgt een paadje dat volgens haar nog niet eerder is bewandeld; het ziet er niet platgestampt uit. Het lijkt vanzelf te ontstaan wanneer haar voeten ernaartoe bewegen. De rijke omgeving vervult haar met bewondering. Fladderende libelles, lieveheersbeestjes en keizersmantels, muziekmakende cicaden, honingverzamelende bijen en glanzende klaprozen in de strepen zonlicht die door de bladeren heen schijnen.
Terwijl Clementine door deze bubbel van rust zweeft, strekt een vlak landschap zich in de verte voor haar uit. Het groen begint te vervagen en de dorre ondergrond komt steeds dichterbij. De droge lucht slaat op haar longen. Het liefst zou ze rechtsomkeert maken en naar het huisje teruglopen, maar ze blijft stug doorgaan. Het is alsof ze het weet – een zure appel waar ze haar tanden in heeft gezet. Het ene been voor het andere. Door de leegte heen. Elke stap wordt zwaarder. Alsof de grond onder haar voeten wordt weggeslagen. Omdraaien. Nu. Nee. Nee. Alsjeblieft. Een rilling gaat door haar lichaam terwijl ze staart naar wat er is. Of eigenlijk, naar wat er niet is. Niet meer. Waar eerst land was en nu een groot gapend gat. Het staart naar haar terug in al zijn vergankelijkheid. Lucht. Happen. Kauwen. Doorslikken. Zuur. Appels zijn gezond, ook de zure. Waar is zuurstof als je het nodig hebt? Als getroffen door een bliksemschicht valt ze op de grond, hoofd op haar knieën, handen op haar buik. Ademen. Door haar neus, door haar mond, zolang het maar ademen is. Ademen. Lichaam, adem dan! Laat me niet alleen, alsjeblieft. In alle paniek grijpt ze naar haar edelsteen die aan haar borstkas is vastgeplakt. Zweet maakt zich van haar meester, het druipt van haar af als de tranen die steeds maar niet willen huilen. Ze smelt ermee samen, samen met wat er is en wat komen gaat. Met toen, nu en later. Als een ijsklontje, steeds vloeibaarder, meer water, tot ze bijna verdampt als dezelfde lucht waarin ze naar adem snakte, hapte, maar ze wil niet weg, niet weg, niet…

~
ontstof de zuurstof om me heen.
heel me.
verbeeld me.
los
me
op.
laat
me
vallen
als
een
ster,
we zijn allemaal
gemaakt om ook weer
op te staan.
mijn huid huilt om water,
vraagt angstig om een
traan.
ik zou wel willen geloven in een
boven.
voel me een hoopje dus
hoop me.
geloof me.
~
Een hand op haar schouder. Een stem die haar helpt tellen. ‘Één, twee, drie en één.’
Haar eigen handen zijn nog altijd vastgeklemd om de ketting die meebeweegt met het op en neer gaan van haar longen.
Haar lijf. Het werkt weer. Ze is er weer.
De stem telt opnieuw. Door haar wimpers neemt ze iemand waar die alles en zo veel meer is. Haren die al wapperend de wind lijken te schilderen, in tinten blauw die ze niet voor mogelijk had beschouwd. In een rok die zich zorgvuldig om haar heen drapeert begint zij zachtjes te neuriën. Nog even blijft de melodie zich herhalen, tot zij in kleermakerszit naast haar komt zitten.
‘Hoe heet je?’
‘Clementine.’
‘Welkom Clementine, mijn naam is Meralda.’
‘Welkom? Ik ben toch niet ergens anders nu? Ik ben toch nog steeds hier?’
Meralda ziet hoe de angst terug probeert te keren.
‘Hier. Je bent nog steeds hier, Clementine, en nergens anders. Je bent nog veel te jong om mij te verlaten.’
Ze snapt niet precies wat Meralda daarmee bedoelt en kijkt haar vragend aan. Haar ogen weerspiegelen het landschap waarin ze zich bevinden, maar na een paar keer knipperen ziet ze stukjes blauw en groen. Even denkt ze er een patroon, een continent, in te herkennen.
Meralda sluit haar ogen, Clementine ook. Er prikt iets in de hare. Zou het? Ze hoopt een traan op te vangen; het is slechts een wimper.
De stilte lijkt geen einde te kennen, tot Meralda het zwijgen verbreekt.
‘Ben je verdwaald?’
‘Ja. Nee. Een beetje. Ik bedoel, ik weet hoe ik thuis moet komen, maar, uhm…’ Clementine begint te haperen en plukt een minuscuul grassprietje uit de dorre grond. ‘Wat nou als de dag míj plukt?’
Ze staren allebei weer in de verte. Clementine probeert zich te concentreren, maar de afgrond is nog steeds even aanwezig, even diep. Hij kijkt haar net zo intens aan als hiervoor. Ze mag dan wel rustig zijn, de diepte is net zo niets als daarvoor en eindelijk, ja eindelijk, voelt ze dat ze zich over kan, over mág geven aan het machteloze dat al zo lang aan haar knaagt. Ze mag huilen en nog wat huilen. Om de paniek toen ze voor het eerst na begon te denken over het einde en om hoe de onzekerheid op haar afkroop. Haar woorden vliegen overal heen, zonder houvast, maar Meralda lijkt ze moeiteloos op te vangen en te begrijpen.
‘Het besef dat we er ooit niet meer zullen zijn. Tenminste, niet hier op aarde. Geen idee waar we daarna naartoe gaan.’
Allebei kijken ze naar wat voor hen ligt. Meralda luistert aandachtig.
‘Wat ik vooral probeer te zeggen,’ vervolgt Clementine, ‘is dat ik zo bang word van dat gat, van de onbekendheid waar het heen leidt, dat ik niet meer weet hoe ik weer kan genieten.’
Ze hoeft niet langer naar woorden te zoeken, ze vinden haar vanzelf.
‘Ik vraag me af’, verzucht ze, ‘of iemand mij kan ontangsten.’
De wind begint weer heen en weer te zwaaien, toevallig in hetzelfde ritme als Meralda’s ademhaling.
‘Eindigheid is eng, zeker’, fluistert Meralda. ‘Maar is oneindigheid niet veel enger? Stel je eens voor dat je altijd door kan blijven leven. Dat er geen einde aan zit. Dat we doorgaan met bestaan, elke dag en nacht, iedere keer opnieuw, voor eeuwig. Zou er dan meer betekenis te vinden zijn?’
De afgrond staart nog steeds strak voor zich uit. Desalniettemin lijkt de cirkel te krimpen, als een open wond die beetje bij beetje wordt gedicht.
‘Het is makkelijker om erover te praten met een vreemde,’ mompelt Clementine, ‘want ik heb het idee dat je weet hoe ik me voel. De meeste mensen denken gelijk dat ik niet meer wil, maar het is juist het tegenovergestelde; meer wil ik leven, soms weet ik gewoon niet hoe.
Een waterval van opgekropte angst verlaat haar zicht en strijkt neer op haar schoot. Het laat haar spontaan glimlachen.
Meralda praat haast gewichtloos, alsof de lucht naar haar luistert. ‘Zie het als een wolk. De angst, het verdriet dat je kan voelen. Het drijft even boven je hoofd. Het mooie is, het gaat ook weer over, het staat niet stil. Het is niet permanent.’
Het begint te schemeren. Clementine maakt aanstalten om naar huis te gaan. Bij het bos aangekomen omhelzen ze elkaar. Het appelblauwzeegroene bladerdak fluistert nog iets. Meralda zwaait zachtjes terug en wandelt dan de verte in, langs de krater en daar voorbij.
~
Ze was zo
aardig
me op te vangen
nadat ik er eigenlijk nooit voor me was en ik mezelf liet
vallen
in Moeder Aarde haar armen,
me leerde al mijn beetjes te omhelzen, dat ik mezelf mocht laten gelden
en kon houden
van de chaos.
het niet weten,
het bestaan,
wat erna
en dat we ook even stil.
in
en
uit
en
in,
woord
voor
woord,
tot een zin.
