Tekst door Tania Alhashimi, beeld door Alicia Koch
Bij films over de Tweede Wereldoorlog denk je misschien aan mijmerende memoires met verhaallijnen die je al nét iets te vaak gezien hebt. Maar The Zone of Interest is niet zomaar een oorlogsfilm. In deze film, geregisseerd door Jonathan Glazer en sinds Februari 2024 te bewonderen in Nederlandse bioscopen, is het namelijk niet het leed van de slachtoffers, maar het leven van de agressors dat centraal staat. En dat tekent een intrigerend, maar unheimlich beeld van de aard van het kwaad.
The Zone of Interest vervoert je naar het idylische leven van kampcommendant Rudolf Höss en zijn vrouw Hedwig, die met hun kinderen de nazi-variant van het huisje-boompje-beestje ideaal verwezenlijken. Hun typische levensdroom – een sierlijk witte villa, kleurrijke tuin vol rozen en dahlia’s inclusief zwembad, en natuurlijk een blond-en-blauwogig gezinnetje – staat echter in volle bloei op de grens van de dood. Hun onderkomen grenst namelijk direct aan het concentratiekamp Auschwitz. Maar dat een glansrijke carriere in genocide dit bekoorlijke tafereel bekostigt, blijft gedurende de hele film op de achtergrond. Slechts door de geluiden van agressief hondengeblaf, knallende schoten, onthutst geschreeuw, en beelden van een nevelige en rood opgloeiende lucht in de nacht wordt de kijker herinnerd aan wat er naast diezelfde idylle plaatsvindt.
Hoe de grimmige bruutheden geminimaliseerd worden tot achtergrondgeluid, tot een soort kakofonisch liftdeuntje, symboliseert het punt dat de film maakt: het grootste kwaad is niet iets buitengewoons, maar perfect congruent met doodgewone mensen en hun motieven. Rudolf Höss, koelbloedige moordleidinggevende van beroep, is immers een vader die het beste met zijn gezin voor heeft. Om de stress van zijn dagelijkse werkzaamheden van hem af te zetten, gaat hij zoals zoveel mannen graag doen, vissen met de kinderen – al is dit in zijn geval in een rivier vol splinters, en soms grove stukken, van menselijke botresten uit Auschwitz. En zijn vrouw Hedwig staat haar man natuurlijk loyaal bij – al dan niet gemotiveerd door haar honger naar rijkdom, die zij onder andere stilt met de gouden sieraden en bontjassen die ze, nog warm en geurig door recent gebruik, krijgt van net vermoordde Joden. Ze bezitten dus over alle weelde die een mens zich maar kan wensen. En daarvoor kijken ze graag voorbij de dagelijkse opeenstapeling van anoniem gemaakte individuen in koude barakken, die ofwel stikten, ofwel krankzinnig werden, ofwel vervielen in een zwijgzaamheid die alleen besteed is aan zij die de grootste gruwelijkheden van de werkelijkheid kennen.
Deze voorstelling van het kwaad als iets banaals mag dan wel aangrijpend zijn en vernieuwend lijken, maar is eerder een intellectueel cliché dan innovatief. Het ademt de geest van de Duits-Amerikaanse Joodse politieke theoreticus Hannah Arendt. Zij riep het passende concept ‘de banaliteit van het kwaad’ zestig jaar geleden al in het leven tijdens haar verslag van het proces van oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann, die in 1962 tot de doodstraf veroordeeld werd vanwege zijn rol als sleutelfiguur in de organisatie van de Holocaust. Op haar kenmerkende erudiet-cynische manier wijst Arendt in haar analyse van Eichmann op zijn triviale motieven en psychologie. Vanuit deze analyse stelt ze dat het kwaad waar hij bij betrokken was dus eigenlijk een banale oorsprong had. Hij was immers niets meer of minder dan een gefrustreerde en falende man – een schlemiele beta, zoals we nu zouden zeggen – die net als de hoofdpersonages van The Zone of Interest door het nazibewind onverwachts de kans kreeg succesvol carrière te maken en deel te worden van iets permanent en groters: de geschiedenis. Daarmee is zelfs Eichmanns uitgebreid gedocumenteerde veroordeling een feestelijke overwinning: immers vormt zijn politieke dood een roemrijker lot dan een eeuwige verdwijning in de vergetelheid.
Maar met alleen het perspectief van kwaad als iets banaals lijkt een wezenlijk deel van het kwaad onverklaard te blijven. Het blijft immers ongelooflijk dat de doodgewone treinbestuurder zich slechts voor enkele extra rijksmarken geroepen voelde ontelbare mensen naar hun naderende dood te rijden.
Het banale lijkt daarom onvoldoende het karakter van deze “kwade mens” te duiden. Wat dat betreft levert onze eigen Harry Mulisch een intrigerende bijdrage via zijn beschouwing van het Eichmann-proces en het nazisme in zijn boek De zaak 40/61. Ook hij ondersteunt de interpretatie van de banale mens als bron van het kwaad, maar gaat een stap verder in de typering van deze mens. Hij merkt namelijk op dat Eichmann, en de moderne mens in het algemeen, op een machinale manier functioneert. Het bevel wordt door hem, net als door machines, op een bovennatuurlijke manier begrepen. Net zoals een auto alleen maar kan optrekken wanneer je op het gaspedaal drukt, is bij de moderne mens à la Eichmann gehoorzaamheid de enige mogelijke vorm van actie. Vanuit dit perspectief is het tevens ook typerend dat het nazibewind geplaatst werd binnen een Kantiaans moreel appèl. Kant stelt met zijn Categorische Imperatief namelijk bepaalde onbetwistbare principes om naar te leven en schrijft dus een manier van moreel handelen voor die zich richt op vaste regels die te allen tijde gevolgd moeten worden. Vanuit deze Kantiaanse beleving van moraliteit kreeg het bevel tijdens het nazibewind een bovennatuurlijke en dogmatische aard; alsof de oorlogsschoten in naam van de Moraal klonken.
(Er wordt weleens gezegd dat Nietzsches übermensch een belangrijke inspiratiebron was voor het nationaalsocialisme en het ideaal van de Ariër.
Hadden de nationaalsocialisten nu maar beter Nietzsche begrepen.
Dan was niet alleen God dood geweest, maar ook dat duivelse ding dat de Moraal heet.)
De banaliteit van het kwaad en het mechanische karakter van de moderne mens lijken tezamen dus wezenlijke ingrediënten van de cocktail die het kwaad heet. Als de mens machinaal meebeweegt met bevelen en het kwaad ook nog eens een grond kan vinden in het banale, kan (onze ervaring van) de werkelijkheid alle mogelijke vormen aannemen. Dan is ook menselijkheid niks meer dan een ambivalent vacuüm; een bloem die in de wind beweegt naar rechts, naar links, richting nationaalsocialisme, tot kapitalisme, of woke-moralisme – in potentie alles, maar daardoor een belichaming van het niets.
Het is deze unheimliche realiteit waar de kijker mee wordt geconfronteerd in het slot van The Zone Of Interest. In de slotscène observeer je Rudolf Höss vanuit (wat lijkt op) een verborgen kijkgat, wellicht in een kast of de dimensie van de toekomst. Maar opeens lijkt het alsof hij je aankijkt en er een beangstigend oogcontact is, dat er de hele film niet is geweest. Vanuit dit perspectief gaat het beeld gestaag over naar Auschwitz in het heden, waar je observeert hoe het, saillant genoeg, wordt gebruikt als museum; als getrivialiseerd daguitje waar ons betere mensen, met een hoogst gecultiveerd historisch en moreel besef, onze duur verdiende centen aan uitgeven om te kunnen aanschouwen. Arbeit macht ausgebildet.
Abrupt daarna is er weer een flashback naar Höss, die je ditmaal nog doordringender en kwader aan lijkt te kijken – alsof hij je iets wil zeggen.
.
Ziet hij iets in mij dat ik niet zie?
