Tekst door Phoebe Meekel, beeld door Alicia Koch
De scheikundige Albert Hofmann wilde een ademhalings- en bloedsomloop-stimulerend middel maken, wat resulteerde in de uitvinding van het hallucinerende middel LSD. Op 16 april 1943 absorbeert Hofmann per ongeluk wat van dit goedje, waarna hij de eerste persoon ooit wordt die een tripsessie op LSD ervaart. Drie dagen later is het wél een bewuste keuze van Hoffman om LSD tot zich te nemen, wat een bijzondere fietstocht oplevert.
Gelukkig was het glaswerk nog heel. Dat weerhield de vloeistof er echter niet van om zich als een olievlek te verspreiden over de tafel. Ik snapte toen, en snap nog steeds niet hoe de erlenmeyer is omgevallen, maar feit is dat de chemicaliën ondertussen de vloer bedekten. Al die energie, overpeinzingen en tijd in één keer gereduceerd tot een nutteloze plas rondom mijn schoenen. Toen ik later die dag de krant las, vervormden de letters in mijn ooghoeken zich tot allerlei oogjes, die mij begluurden. Maar als ik mijn eigen ogen focuste op de desbetreffende oogjes, bleken ze doodgewone letters te zijn.
In tegenstelling tot die avond, ben ik nu helder genoeg om te concluderen dat het omvallen van de LSD-gevulde erlenmeyer mij op een onverklaarbare wijze heeft laten hallucineren. Het is nu een kwestie van wachten in het laboratorium. Wachten tot ik alles om me heen weer door een caleidoscopische bril waarneem.
Elke seconde lijkt zich tot het uiterste te rekken, waardoor ze zo dun als een rietje worden en uiteindelijk verdwijnen. Tijdens deze verdwijning doet zich een duizelig gevoel voor en hoor ik een plof. Het soort plof dat klinkt wanneer mijn lichaam zich door de zwaartekracht in een bank laat zakken. En zo’n plof is gruwelijk gevaarlijk, aangezien de wilskracht om op te staan dan ver te zoeken is. Alleen nu is het anders. Het lukt mijn lichaam niet om een fijne houding te vinden. Niks voelt aangenaam, en ik besef ineens dat ik helemaal niet wil liggen. Maar staan wil ik ook niet. En plots verschijnen mijn knieën, waarvan ik nu pas zie dat ik ze daarvoor de hele tijd niet zag.
Tegen de binnenkant van mijn oogleden ontstaan allerlei vormen en kleurrijke figuren, waardoor er alleen maar meer onrust ontstaat in mijn lichaam. Ik wil naar huis. Weg van de oogverblindend felle lampen en witte muren. Mijn laboratoriumassistent vervult deze wens door mij een fiets aan te reiken, waar ik gelijk op stap. Maar doordat het asfalt in drijfzand is veranderd, lijkt het onmogelijk om vooruit te komen. Om te controleren of ik daadwerkelijk aan het fietsen ben, probeer ik de focus te verplaatsen naar mijn trappende voeten. Maar terwijl ik dit doe, passeert mijn blikveld het fietsstuur, dat zich op eenzelfde manier verbuigt als de reflectie in een lachspiegel dit doet. Ook het voorwiel, mijn vingers en de weg waarop ik stil lijk te staan raken vervormd. Ikzelf krom ook, waardoor ik uit mijn lichaam word gelanceerd, vergelijkbaar met hoe een kind de lucht in wordt gelanceerd wanneer het elastieken springvlak van een trampoline zich buigt.
Langs de zijkant van de weg staan verschillende bomen die mijn aandacht trekken: hun takken waaien woest heen en weer, alsof ze me in een onbekende gebarentaal iets duidelijk proberen te maken. Ze bekijken en beoordelen mij, net zoals de letters in de krant van drie dagen geleden dit deden. Ze sluiten me in en zuigen alle zuurstof op, waardoor ik bijna stik.
Het is me een raadsel hoe ik mijn thuis ooit bereiken zal, aangezien de route naar mijn huis uit oneindig veel delen bestaat, die in een mensenleven nooit allemaal gepasseerd kunnen worden. Desalniettemin blijf ik doorfietsen, terwijl de tocht zich uitstrekt en flinterdun wordt. Hij komt in de knoop met de tijd. Ik wil weg uit deze wirwar, ik wil naar het huis dat op mij wacht. Onaangetast door de caleidoscoop van de fietstocht.
