Het afval van schoonheid: Garbage poetry

Tekst /// Laura Slee Beeld /// Jip Schalkx

Wat is afval? Wat het in elk geval niet is, is schoon. Het stinkt, wordt afgesloten in een zwarte zak waar geen geur of kleur meer uitkomt en zo ver mogelijk verwijderd van waar het oorspronkelijk vandaan kwam. ‘Zo, daar zijn we mooi van af’, zeg ik tegen mijn huisgenoot nadat ik de zak die er al een paar dagen te lang stond eindelijk heb weggegooid. Zelfs in onze taal heeft afval negatieve connotaties: worden behandeld ‘als vuil’, praten over iemand ‘als een stuk stront’. Het is een restproduct waar we het liefst afstand van nemen, en bovendien het tegenovergestelde van schoon: vies. Dit lijkt misschien een probleem, maar laat je niet afschrikken door de smoezeligheid. Door het afval in ons dagelijks bestaan te analyseren kan het een andere betekenis krijgen.

‘Zo, daar zijn we mooi van af.’

Mensen zijn de enige diersoort die resten weet te creëren die niet kunnen worden afgebroken. Terwijl dierlijke resten weer worden geïntegreerd in de natuur en deel uitmaken van het ecosysteem, kan ons afval blijven bestaan zonder verder leven te stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan niet-organisch materiaal als plastic, dat moeilijk of niet afbreekbaar is en zelfs een schadelijk effect kan hebben op de omgeving. Ons afval is geen onderdeel van een natuurlijk ecosysteem, ook al is het wel onderdeel van ons menselijk bestaan. We zien het terug in ons straatbeeld en onze dagelijkse afvalproductie. Gemeenten draaien complexe logistieke programma’s om het afval van huishoudens te verzamelen en te verwerken, maar we hebben niet altijd door hoeveel moeite dit kost. 

Filosoof Lisa Doeland noemt deze schijn in haar boek Onszelf voorbij het ‘afvalspook’. Wanneer je iets weggooit, wekt dit de illusie dat het weg is, maar dat is niet het geval. Nadat je het hebt weggegooid begint het afval juist aan zijn reis, een proces waarbij interventie van de mens belangrijk is. De containers worden niet vanzelf geleegd en het afval lost niet zomaar op. Dit ‘afvalspook’ is een onzichtbare aanwezigheid die ons achtervolgt. Het maakt een wezenlijk deel uit van ons menselijk bestaan, maar we zijn ons er niet altijd van bewust. Er wordt gedachteloos geproduceerd en geconsumeerd, zonder dat er wordt stilgestaan bij de toekomst of het verleden. Alles draait om het hier en nu, waardoor we niet goed nadenken over eventuele consequenties, zo ook wat er gebeurt met ons afval.

Nadat je het hebt weggegooid begint het afval juist aan zijn reis

Denk maar aan hoe makkelijk het is om iets als afval te bestempelen: ‘Dat kan weg’, zeg ik vaak als ik geen zin heb om het laatste restje pasta morgen weer op te warmen. John Scanlan, socioloog en filosoof, kenmerkt afval als iets dat veroordeeld is tot een conditie van massaliteit of universaliteit, waar geen [individuele] kwaliteiten meer aan te pas komen Mijn pasta is verlept en bezit geen eigenschappen zoals ‘lekker’ of ‘voedzaam’ meer. Afval is een eindstadium zonder kenmerken. Er vindt een verandering plaats in onze relatie tot het product. Wat het is, is niet meer wat het was. Het afval is vervreemd van zijn originele staat. Het verliest zijn waarde of is niet meer nuttig, in sommige gevallen, zoals in het geval van mijn pasta, is het vies geworden. 

Er wordt gedachteloos geproduceerd en geconsumeerd, zonder dat er wordt stilgestaan bij de toekomst of het verleden.

Dit lijkt absoluut, maar dat hoeft niet zo te zijn. Het benoemen van kwalitatieve eigenschappen brengt de verbinding terug met ons afval en zo stimuleert zo misschien ook een betere omgang ermee. Denk aan het scheiden van afval in de categorieën plastic, organisch en rest. Zo wordt het niet meer weggezet als iets massaals, maar wordt er waarde toegekend aan het afval door aspecten ervan te herkennen en zo te erkennen. Op die manier kan het weer deel uitmaken van ons menselijke ecosysteem, want het kan worden hergebruikt. 

Christopher Todd Anderson, afvalecoloog, beschrijft afval als iets liminaals. Hij stelt afval als een substantie die en een concept dat aan de grenzen van ons eigen ecosysteem leeft. Het kan in sommige gevallen fysieke doorleven of doorgegeven worden (wanneer je dus je afval scheidt en er de kans bestat dat het wordt hergebruikt), maar het kan ook zo zijn dat het nutteloos blijft. Het hoeft dus niet een ecosysteem te ‘stoppen’, afval kan er ook een onderdeel van zijn. Wanneer je je glas in de glasbak stopt, haalt de vrachtwagen je flessen op en maakt er zo weer nieuwe van.

Anderson gaat verder over hoe op conceptueel niveau afval een veranderlijk karakter qua levendigheid heeft. Afval zou juist ook een plek kunnen zijn waar leven ontspringt. Anderson laat dit zien door middel van garbage poetry. Garbage poetry is een Amerikaans fenomeen uit de twintigste eeuw, en is een perspectief dat afval meer in de richting van schoonheid conceptualiseert. In de tekst Sacred Waste: Ecology, Spirit, and the American Garbage Poem zoekt Anderson verschillende manieren hoe we afval als onderdeel van ons ecosysteem zouden kunnen zien. In een gedicht dat van Robert Duncan dat Anderson aanhaalt is de vuilnisbelt juist een vrijplaats voor natuur waar leven en dood tussen verschillende materialen samenkomen. In dit gedicht wordt de lezer meegenomen op een korte reis, waarin een beeld van het leven op een vuilnisbelt wordt geschetst:

Robert Duncan, Nor is the Past Pure

This is the Book of the Earth, the field of grass flourishing. 

This is the region that feeds forth souls under the old orders 

returning to the dominion of its King and Queen. It is only the midden heap, Beauty: shards, 

scraps of leftover food, rottings, 

the Dump
where we read history, larvae of all dead things, 

mixd seeds, waste, off-castings, despised treasure, vegetable putrifactions: 

from this adultery committed, 

the plant that provides, Corn
that at Eleusis Kore brought 

out of Hell, health manifest. […] This is the Book of the Provider. 

Volgens Duncan komen de natuurlijke en de menselijke geschiedenis juist samen op een plek waar vuilnis gedumpt wordt. In ‘Nor is the Past Pure’ brengt hij een perspectief naar voren van ecologische hervorming, waarin het niet-organische materiaal een vruchtbare toekomst mogelijk maakt (denk aan ‘waste’ en ‘the plant that provides’ uit het gedicht). Waar we vuilnis in het dagelijks leven liever opgeruimd zien, is het in dit gedicht een basis voor leven. Duncan creëert een mythische omgeving waar het rottende eten en dode dingen met onverwachte schoonheid worden geassocieerd. Het gaat niet over afval als massa, maar de poëtische kant ervan wordt benadrukt door kleine onderdelen van de vuilnisbelt uit te lichten. Ook al blijkt uit onderzoek misschien dat een vuilnisbelt niet letterlijk voor nieuw leven kan zorgen, geeft garbage poetry wel voor een verrassende invulling aan het begrip ‘afval’.

Duncan creëert een mythische omgeving waar het rottende eten en dode dingen met onverwachte schoonheid worden geassocieerd

Hier wordt afval niet buiten ons ecosysteem geplaatst, maar maakt het er deel van uit. Of dit negatieve of positieve gevolgen heeft, ligt open ter interpretatie. Echter, de lezer wordt wel geconfronteerd met de eventuele schoonheid van afval. Een mogelijkheid die ook te vinden valt in dat wat ooit vies was: we worden opgeroepen en vooral ook uitgedaagd om voorbij  onze eerste indruk te gaan. De schoonheid van afval zit hem er juist in dat het niet schoon is, maar dat het vieze ook mooi kan zijn.

In deze tekst wordt verwezen naar een gedicht van  Robert Duncan uit het boek ‘The Opening of the Field’. (New York: New Directions, 1960).


Plaats een reactie