Tekst /// Kevin Hoogeveen
De term ‘middeleeuwen’ duidt een wachtkamervagevuur aan waarin het leven stilstaat, terwijl de tijd wegtikt op een fantasieloze witte klok met zwarte streepjes als cijferaanduiding. De tijdschriften op tafel zijn al maanden oud, de plant in de hoek zou sterven van ellende als zijn gijzelnemer hem niet voorzag van de minimaal benodigde hoeveelheid water. Er was dynamiek voor, er is een leven na de wachtkamer. Een omslag: de wachtkamer vormt je – wanneer je in het erna met weemoed terugkijkt op een vervormde herinnering. ‘De middeleeuwen’ lijken een onuitputtelijke bron van inspiratie voor fantasy, van Lord of the Rings tot The Witcher. Met evenveel fantasie hebben nationalisten in de negentiende eeuw ‘de middeleeuwen’ dankbaar aangegrepen om hun heden volgens hun opvattingen te herscheppen, in tegenstelling tot de Renaissancedenkers die de wachtkamer ontvluchtten. Peter Raedts (1948-2021), mediëvist en onder meer voormalig hoogleraar aan de Radbouduniversiteit Nijmegen, schreef een boek: De ontdekking van de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie (2011). De titel is veelzeggend, het boek een aanrader.
Onze tijdsindeling is niet neutraal. De 1000 jaar tussen grofweg de afzetting van keizer Romulus Augustulus in 472 en Columbus’ aankomst op de Bahama’s in 1492 heten ‘middeleeuwen’ – het licht ging uit, het licht ging aan, en de mensheid was tien eeuwen verder. Iedere geschiedenisstudent weet dat dit onzin is. De benaming ‘middeleeuwen’ stamt uit een tijd waarin mensen terugverlangen naar een (evengoed fictieve) oudheid vanwege de ellende in hun heden. In de negentiende eeuw, ook wel bekend als het tijdvak van Burgers en Stoommachines (8), werden ‘de middeleeuwen’ een tijd om naar terug te verlangen. Terugdenken aan de vrije stadstaten in Italië, bewondering van de heldenmoed van Jeanne d’Arc, Gothic revival; in verschillende Europese landen ging de vorming van de moderne natiestaat hand-in-hand met een heruitvinding van ‘de middeleeuwen’. Nationalisten schiepen een staat in heden en verleden. Ze sloegen de heipalen dwars door het woelige recente verleden, met haar Franse, Bataafse en andere revoluties, en trachtten op de vaste grond van lang voorbije eeuwen een toekomstbestendig bouwwerk te vestigen. Hun inspanningen ten spijt bleek echter ook die grond los zand, zo toont Raedts voor Duitsland, Engeland, Frankrijk en Italië. In deze korte bespreking ga ik in op twee elementen van zijn boek: de middeleeuwen van de rooms-katholieke kerk en Raedts voorstel de tijd opnieuw in te delen.
Om te beginnen met het eerste: het boek van deze oud-jezuïet heeft mij persoonlijk geholpen los te breken uit het beknellende conservatieve keurslijf van het katholieke traditionalisme. Voor een buitenstaander mag de katholieke kerk dan één conservatief bolwerk lijken, van binnen zijn er allerlei soorten geloofsbelevingen. Mijn oude clubje was, zoals de naam ‘traditionalist’ doet vermoeden, nogal van de oude stempel. In coronatijd is deze beweging in Nederland een wappiewalhalla geworden, mede onder invloed van het, rechts uit de bocht gevlogen en uiterst politieke, katholieke traditionalisme uit de VS (door de FBI gemonitord) en radicaal-rechtse bekeerlingen die in het anti-modernisme van de oorspronkelijke beweging een legitimatie voor hun wereldvreemdheid hebben gevonden. In de kern was het echter een vroomheidsbeweging van mensen die zochten naar de juiste manier van christelijk belijden en handelen. En hier speelt juist dat negentiende-eeuwse heruitvinden van de middeleeuwen een rol, want in een soort ultramontaan nationalisme construeerde ook de rooms-katholieke kerk een versie van het verleden die zowel gelovigen als zielenherders gemoedsrust bracht: u bent lid van de enige ware kerk, de kerk der eeuwen, de kerk als natie. Je bidt wat je belijdt, en als je de wijze van bidden niet aanpast, blijf je dus ook hetzelfde geloven. De liturgiehervormingen van de jaren 1970 kónden dus onmogelijk door God gewild zijn. Wij zongen nog braaf Gregoriaans, zoals het hoort. Zó moest de beurtzang der monniken in de abdijen van weleer Gods lof eeuwenlang als een tentdoek over Gods volk zijn gespannen, met een eerbiedwaardige oorsprong in de tempel van Jeruzalem! Maar laat nu net dat Gregoriaans pas halverwege de negentiende eeuw in de Franse abdij van Solesmes gestandaardiseerd zijn. De muziek is slechts één voorbeeld.
Het negentiende-eeuwse katholicisme is inherent anti-modern, want de ‘vijanden van de kerk’ (liberalen en socialisten, aldus pausen Leo XIII en Pius IX, ‘helden’ van de Traditie) waren de progressievelingen: de mensen die de idealen van de Franse Revolutie hoog in het vaandel hadden staan en niet zo veel op hadden met lui die alle verworvenheden van die revolutionaire periode liever kwijt dan rijk waren. Kortom: de ontmaskering van het negentiende-eeuwse katholieke discours als constructie heeft mij ertoe gebracht mijn heil elders te zoeken dan in traditionalistische kringen. Ik verwacht niet dat jij, lezer, op deze persoonlijke manier evenveel aan dit boek gaat hebben. Toch beveel ik het je aan, want ook vandaag de dag staan reactionairen op de barricades voor een verleden dat nooit geweest is – of dat godzijdank voorbij is. In Nederland grijpen zulke types vooral terug op een versie van de Nederlandse Onafhankelijkheidsoorlog (1568-1648); de spannende middeleeuwen speelden zich vooral in het huidige België af. Desalniettemin is de dynamiek hetzelfde. Het verleden is te genuanceerd om er één verhaal over te vertellen dat de basis vormt voor een sterke staat – en gelukkig maar. Zolang mensen verschillend naar het publieke domein kijken, is er een publiek domein. Raedts uiteenzetting over de constructie van ‘middeleeuwens’ toont hoe een kritische reflectie op historische rechtvaardigingen te allen tijde geboden is.
Ook vandaag de dag staan reactionairen op de barricades voor een verleden dat nooit geweest is – of dat godzijdank voorbij is
En dan die ‘middeleeuwen’ zelf. Raedts stelt voor de tijd opnieuw in te delen. Hij houdt vast aan een driedeling, omdat het tijdsbegrip van de mens ‘in drieën’ gaat: verleden, heden, toekomst; of voor, nu, na. We krijgen dan drie perioden van *vul je begintijd in* tot 1000, 1000 tot 1800 en 1800 tot nu. Deze verdeling doet meer recht aan het verleden van de wereld buiten Europa. Rond 1000 zou namelijk de globalisering zijn ingezet, rond 1800 zien we de Great Divide ontstaan tussen geïndustrialiseerden en de rest. De middeleeuwen vallen uiteen in twee; de Reformatie en vroegmoderne godsdienstoorlogen trekken we bij de hoge en late middeleeuwen; en ons tijdperk begint bij de Franse Revolutie. Er valt wat voor te zeggen, maar ook deze tijdsindeling wringt. Als oudhistoricus heb ik zelf vooral moeite met de ongeveer 4000 jaar geschiedenis (sinds de uitvinding van het schrift in Soemerië) die op één hoop belandt, terwijl de andere twee perioden respectievelijk 800 en 223 jaren duren. Is denken in ‘drie’ wel de beste manier om tijd te conceptualiseren? Drie voelt ‘af’, maar een indeling moet wel – zo ver mogelijk – recht doen aan de realiteit. Kan het anders? Ik kan hier geen alternatief voorstellen. Wel wil ik onderstrepen dat er op dit terrein nog werk aan de winkel is.
Het verleden is te genuanceerd om er één verhaal over te vertellen dat de basis vormt voor een sterke staat
Raedts’ De ontdekking van de middeleeuwen is een van de werken die ik tijdens mijn opleiding tot historicus heb gelezen die mij mateloos geënthousiasmeerd hebben zelf een academische carrière na te streven. Juist omdat verhalen over het verleden een grote impact op mensenlevens van nu kunnen hebben en juist omdat ik zelf de last van zulke verhalen getorst heb, wil ik een bijdrage leveren aan de wetenschap die bevrijdt in plaats van knecht. Geschiedschrijving zou recht moeten doen aan de ervaringen van alle mensen, ook in de conceptualisering van tijd. Met deze boekentip sluit ik mijn Babel-loopbaan af. Ik studeer af. Een nieuw hoofdstuk dient zich aan. De toekomst is ongewis, maar één ding is zeker: door zelf geschiedenis te schrijven, ben ik mij ervan bewust geworden dat verhalen van anderen niet mijn verhaal voorschrijven. Ik ben de auteur.
