Hoog- en laagtij van het Entrepotdok

Af en toe brult er een leeuw, zo nu en dan toetert er een olifant en over het troebele bruine water dat haar doorsnijdt, vaart regelmatig een kudde toeristen langs: het Entrepotdok. Ooit een handelsfort, vervolgens een bouwval, toen weer opgeschoond en nu een paradijs.

Laten we beginnen bij een modderpoel, zoals vaak gebeurt als de oorsprong van een gegeven gebied in Amsterdam beschreven dient te worden. Het is 1657. De vroedschap van Amsterdam, een bestuurlijk college van zo’n 460 leden uit het patriciaat, besluit dat het gebied tussen de Nieuwe Vaart en de Outewael klaargemaakt moest worden om scheepstimmerwerven te faciliteren. De Outewael, of Oude Waal, was een deuk in de rivierbedding van het IJ die in 1377 was ontstaan bij een dijkbreuk. Dat ongeluk bleek een geluk in zich mee te dragen. De ontstane ondiepte bleek namelijk uitstekend dienst te doen als reparatie- en winterhaven. Na verloop van tijd raakte de waal dermate dichtgeslibd dat de haven geen dienst meer kon doen voor de almaar zwaarder wordende schepen. Het was een paar jaar eerder aangeplempt, zoals dat heet, met het Waalseiland. Je kunt het tegenwoordig herkennen als de grond waarop het Scheepvaarthuis staat.

Dat klaarmaken begon met het doortrekken van de Singelgracht naar het IJ, waarmee het hele gebied nu binnen de versterkingen lag. Maar een stad die tegen het water in is opgebouwd zal nog altijd rekening met haar moeten houden; er waren natuurlijk ook de nodige ingrepen nodig op het gebied van waterstaatkunde. De destijdse Nieuwe Zeedijk werd verlengd en opgehoogd richting het noorden. Omdat de Nieuwe Zeedijk in de eerste plaats aangelegd was als zomerdijk, of kadijk, begonnen de bewoners van de stad de ontstane dijk al snel aan te duiden als Hoogte Kadijk en Laagte Kadijk, de één de noordelijke, waterkerende kant, de ander de zuidelijke, lagergelegen kant. De grootse onderneming bleek echter direct succesvol. Langzaam maar zeker kwam de Gouden Eeuw tot een einde, steeds dichterbij kwam het rampjaar 1672. Het ontstane terrein bleek moeilijk te verkopen. Uiteindelijk zal het tot 1710 duren voordat het eerste pakhuis verschijnt op de kadijken, dat gebeurt dan in opdracht van Andries Pels, steenrijke bankier. En zo, met een tempo dat getuigt dat de stad haar eerdere koploperspositie in de wereld kwijt is, ontstaat er door de jaren heen een bescheiden bewoning in het gebied.

Gedurende de Franse tijd tussen 1794 en 1814 was het verplicht om accijnzen te betalen op goederen die doorgevoerd moesten worden, zowel voor in- als uitvoer uit de stad. Dit was natuurlijk niet aanlokkelijk. Als oplossing hiervoor, en voor de dreigende concurrentie uit andere oorden, besloot de stad al snel onder de auspiciën van koning Willem I tot het creëren van het ‘Algemeen Rijksentrepôt’. Hier konden goederen tijdelijk opgeslagen worden zonder dat er accijnzen betaald moesten worden, dat gebeurde pas als de goederen op de markt kwamen. Het Rijksentrepot, gevuld met waardevolle goederen, werd dan ook een soort fort: de Laagte Kadijk kreeg een muur en het geheel kon afgesloten worden met een lijvige poort die nog altijd op het Kadijksplein staat, naast pizzeria Sotto. Het gebied werd bewaakt door een eigen politiedienst, een korps van zo’n dertig man dat onder de naam ‘hellebaardiers’ hun taken uitvoerde. Nu moet je je niet een soort Calvinistische Zwitserse Garde inbeelden, want voor zover we weten waren deze mannen niet uitgerust met daadwerkelijke hellebaarden. Het Hellebaardiers Wachthuis, hun onderkomen, staat echter nog fier overeind, daarop kijk je uit op het terras van De Druif. Hoe dan ook, onder hun wakend oog werden er nieuwe pakhuizen bijgebouwd die trots de namen droegen van Nederlandse steden. Dat gegeven is alleen ietwat verouderd geraakt door de Belgische onafhankelijkheid, dus inmiddels is het een gezellige verdeling van Nederlandse én Belgische steden. Verder zijn er weer andere pakhuizen met namen als ‘Afrika’ of ‘Madagascar’, veelal verwijzend naar het type goederen dat in het gegeven pand werd opgeslagen. Op Entrepotdok 89-97 vinden we ‘de twaalf maanden’, pakhuizen waarvan je wel kan raden wat er op hun gevels staat. Rond het einde van de 19e eeuw waren de zolders van deze panden vooral in gebruik voor koffie van de Nederlandsche Handelsmaatschappij.

Aan de overkant van deze nijverheid is het intussen allesbehalve stil. In de loop van de eeuw ontstaat er een minstens even druk gebied. Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra koopt in de Plantagebuurt een terrein op. Het genootschap streefde ernaar de gegoede burgerij van de stad kennis te laten maken met de natuur, in allerlei vormen. Daarvoor was de Plantagebuurt een ideaal gebied, met in de buurt het eerder genoemde (dure) Waalseiland, de handel bij het Entrepotdok en het Marineterrein. Met de groeiende faam die hun genootschap begon te genieten van de lichamen op sterk water, fossielen, skeletten en andere naturalia die ze daar tentoonstelden, versimpelden ze de naam tot ‘Artis’, want Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra was toch wel een hele mond vol. Binnen veertien jaar hadden ze het predicaat Koninklijk verdiend, en liepen er ook levende dieren rond.

Deze situatie duurde tot ongeveer 1900, toen met het Nieuwe Entrepotdok aan de Cruquiusweg een einde kwam aan het belang van het ‘Oud-Entrepôt’. Het ging overigens al langer stroef; nadat in 1885 de pakhuizen ‘Assen’ en ‘Almelo’ waren ingestort, werd een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat een substantieel deel van de pakhuizen klaar was voor de sloop. Dat gebeurde nog hetzelfde jaar. Er begon een aftakeling: de concurrentiepositie van de stad nam weer af. Zoals het einde van de Gouden Eeuw en het rampjaar de initiële grond onverkoopbaar maakten, had de verdere ontwikkeling van de Industriële Revolutie elders de stad hier weer ingehaald. De pakhuizen verkrotten. En waar in omliggende gebieden als Kattenburg de sloop werd ingezet, was het Entrepotdok een rijksmonument, almaar rottend in die verheven stand.

Wat gebeurt er met verkrottende panden in de twintigste eeuw? Juist, die worden gekraakt. Dat gebeurde ook in de ruime pakhuizen van het Entrepotdok. Een mooi teken hiervan is de muurschildering in Entrepotdok 97-98. In de foyer heeft een kunstzinnige kraker, wellicht dubbelop, een afbeelding gemaakt waarop twee mannen, op hun met balaclava bedekte gezichten na geheel naakt, zich inspannen tegen een stormram die het paleis op de Dam doorboort. Er valt een vliegtuig uit de lucht, een gevleugeld figuur vliegt boven de gemaskerde mannen. Een van de twee stormrammers draagt een tattoo van de anarchistische ‘A’ op zijn rug. De bewoners van de kalenderpanden werden niet meegenomen in het gemeentelijk plan dat sommige andere krakers van het Entrepotdok zou toestaan er te blijven wonen. De kalenderpanden moesten eind twintigste eeuw tot koopappartementen in de vrije sector worden gemaakt. De muurschildering stamt uit 1999, in 2000 werden de panden ontruimd. Terwijl de krakers die wel in aanmerking kwamen voor het plan de ruimtes konden huren voor driehonderd tot vierhonderd gulden per maand, werden de ontruimde woningen in 2007 voor bedragen van rond de 800.000 euro verkocht.

En zo dobberen we langzaam de mensenheugenis binnen. Tegenwoordig woont er nog altijd een mix van sociale huurders en kopers, en worden de souterrains verhuurd voor bedrijvigheid, zoals café Bloem of Gollum. Het Entrepotdok is door de jaren heen een stadsthermometer geweest, in elke gegeven periode representatief voor hoe het met de stad gaat, en wat de stad nodig heeft. En gelukkig, nu de muren er niet meer zijn, staat het je vrij om er in de zomer heen te fietsen en op de hardhouten vlonders een handdoek neer te leggen. Het voordeel van Artis aan de overkant is dan pas echt merkbaar, als de zonnestralen onverhinderd over de dierentuin heen schieten, recht op de pakhuizen, waarvoor jij rustig weg kan zakken in een warm, zonnig plekje ergens diep in jezelf, dromend over dijkbreuken, hellebaardiers en krakerskunst.

Tekst Job Korten, beeld Stadsarchief Amsterdam

Plaats een reactie