De tijdelijkheid van de theaterervaring is onweerlegbaar. Wanneer een voorstelling gespeeld is, kan die nooit meer precies herhaald worden. Toch zijn er ook plekken, archieven, waar elementen van theater heen kunnen om bewaard te worden en niet te verdwijnen. Waarom en wat er dan vervolgens mee gedaan wordt, vertellen Sylvia Alting van Geusau, conservator van de theatercollectie bij het Allard Pierson, en Milco Feijnenbuik, hoofdredacteur van de TheaterEncyclopedie.
Het grootste theaterarchief van Nederland is sinds 2013 in handen van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en valt onder het Allard Pierson, dat in 2019 uit een fusie van het Allard Pierson Museum en de Bijzondere Collecties van de UvA ontstond. Voor 2013 was het theaterarchief in handen van Theater Instituut Nederland, totdat het museum door subsidietekorten zijn deuren moest sluiten. Ook onder de UvA is het archief nog steeds heel druk bezig met het in kaart brengen en bewaren van het theater van vroeger. Zo vertelt Van Geusau: ‘Wat we archiveren is heel breed.’ Opgeslagen in het IWO-depot in Amsterdam-Zuidoost zijn handgeschreven teksten, rekwisieten, maquettes, kostuums en nog veel meer. Ook is er een grote opslag van digitaal materiaal, zoals e-mailwisselingen, waarvoor het archief hard op zoek is naar goede manieren om dat op te slaan.
Niet alles wat wordt aangeleverd aan de theatercollectie wordt uiteindelijk in het archief opgenomen. Verhuisdozen vol flyers, affiches en foto’s komen aan bij het depot maar kunnen daar niet opgeslagen worden, vertelt Van Geusau. ‘Wanneer er een object, zoals een decorstuk of een kostuum wordt aangeleverd, moeten we intern overleggen, “hebben we het nodig? Is het een aanwinst voor de collectie?”’ Vervolgens moet het archief afspraken maken met de mensen die het schenken. Daarna kan het object, bijvoorbeeld een kostuum, de quarantaineruimte in waar het van alle mogelijke beestjes, ziektes en schimmels ontdaan wordt. Pas dan kan het kledingstuk met een speciale hanger en een specifieke zak op de correcte plek in de kast geplaatst worden, waar het altijd goed te vinden is en in perfecte staat blijft. ‘Voor één object is er al heel veel mankracht en regelgeving nodig om iets in de kast te zetten. En wordt het dan in de kast gezet, is het maar te hopen dat iemand, een onderzoeker, daar wat mee gaat doen.’
Naast een fysieke collectie gebeurt het archiveren van theater ook online. De TheaterEncyclopedie is een online archief dat wordt bijgehouden en ontwikkeld door vrijwilligers onder aansturing van een hoofdredactie.. De website werkt met een Wikipedia-systeem. Hierbij kan iedereen makkelijk relevante informatie online toevoegen en zo het archief verbeteren en vergroten, vertelt Feijnenbuik. De online database heeft een nauwe band met de fysieke theatercollectie en is ontstaan vanuit het voormalige Theater Instituut Nederland. Volgens Feijnenbuik houdt de TheaterEncyclopedie de geschiedenis toegankelijk en laagdrempelig waardoor er een poging wordt gedaan de verbinding met het publiek in stand te houden. Daarnaast zorgt de grootschalige online beschikbaarheid van theatergeschiedenis ervoor dat er makkelijker verbanden gelegd kunnen worden tussen verschillende acteurs, regisseurs en producties.
Naast het in beeld brengen van het verleden, zijn theaterarchieven ook bezig met het opnemen van het hedendaagse theaterlandschap. Om later iets te hebben om op terug te kijken, moet er nu gearchiveerd worden. Feijnenbuik zegt dat de motivatie van theatergezelschappen om zelf te archiveren niet altijd hoog is. ‘Makers zijn bezig met wat de volgende productie is. Er is geen bewuste stap om te gaan archiveren wat we hebben gedaan.’ Het bijhouden en archiveren van gemaakt werk lijkt bij gezelschappen vaak een bijzaak. ‘Wat wij aangeboden krijgen qua archieven zijn toch meer de oudere mensen die klaar zijn met hun carrière of de gezelschappen die ophouden te bestaan en moeten opruimen,’ zegt Feijnenbuik. Om dit te veranderen probeert de theatercollectie actief materiaal op te vragen van gezelschappen. Van Geusau legt uit dat een groep experts uit het theaterveld elk jaar kijkt naar voorstellingen van het afgelopen seizoen om er daaruit honderd te kiezen die samen een goede representatie vormen van het theaterseizoen. Van deze voorstellingen worden registraties en materiële objecten opgevraagd, zoals flyers en decorstukken, die vervolgens worden opgenomen in het archief. Volgens Feijnenbuik is er altijd een deel van de makers die niet reageren op het verzoek of geen archiefmateriaal leveren omdat ze er geen tijd voor hebben of omdat het materiaal simpelweg afwezig is. Hij merkt hierop aan: ‘Het bewustzijn om de geschiedenis vast te leggen, zou er wel meer mogen zijn.’
Van Geusau maakt duidelijk dat de relatie tussen archief en maker twee kanten op werkt. Natuurlijk ontvangt het archief materiaal van makers, maar ze willen ook een bron van inspiratie zijn voor mogelijke toekomstige producties. Ze beschrijft hoe het theaterarchief zoveel in zijn collectie heeft wat niet toegankelijk is online en wat (nog) niet is ontsloten. Makers kunnen toegang krijgen tot deze overvloed aan informatie door zelf in het archief rond te neuzen. Mensen met kennis over het verleden en mensen met ambities voor het heden kunnen elkaar goed helpen. ‘Je haalt toch inspiratie van iedereen en alles om je heen, dus waarom dan niet van het verleden?’ Van Geusau benadrukt dat er meer dialoog mogelijk is tussen conservator en theatermaker.
Een bron van inspiratie zijn voor huidige theatermakers is een van de redenen waarom een archief van podiumkunsten zo belangrijk is. Daarnaast is de theatercollectie ook heel waardevol voor onderzoekers. ‘Het archief geeft een inkijkje in hoe we op dat moment dachten over theater,’ beschrijft Van Geusau. De TheaterEncyclopedie wordt door Feijnenbuik beschreven als een ‘beginpunt voor nader onderzoek’ en een plek waar ‘snelle informatie makkelijk te vinden is.’ Denk aan biografische gegevens of een overzicht van iemands carrière. Voor theaterwetenschappers, historici en andere onderzoekers die zich bezighouden met het culturele veld, is het archief van grote waarde. Naast een bron van kennis is het verzamelde materiaal ook een manier om de geschiedenis levend te houden: ‘We willen natuurlijk de geschiedenis niet vergeten’, zo zegt Feijnenbuik. Ook Van Geusau benoemt erfgoed als een van hun pijlers. Door conservators kan wat vroeger is gebeurd, bewaard worden voor de toekomst.
Van Geusau erkent dat de collectie bij het Allard Pierson het resultaat is van een “voornamelijk witte mannenclub”. In de collectie is vooral de witte, Nederlandse, mannelijke theatermaker goed vertegenwoordigd. Meer diversiteit in het Nederlandse theaterarchief is dan ook een van de doelen waar Van Geusau nu mee bezig is. Ze streeft naar meer representatie van vrouwen en mensen van kleur. De collectie van de UvA is niet het enige theaterarchief in Nederland. De stichting The Need For Legacy is al langere tijd bezig om de representatie van mensen van kleur in het Nederlandse theatercanon en -archief te verbeteren. Zij willen de witte theatergeschiedenis corrigeren en aandacht geven aan de nalatenschap van mensen van kleur. Het platform organiseert onder andere bijeenkomsten en presentaties. Daarnaast houdt het ook een divers archief bij waarmee door middel van boeken, muziek, schilderijen en verhalen een inclusieve geschiedenis wordt geschreven.
Door het theaterarchief kunnen voorstellingen in kaart worden gebracht. Met behulp van scripts, lichtplannen en regieaanwijzingen kan er een goed beeld gevormd worden van hoe het theater toen was. Toch kan het archief de tijdelijkheid van het medium niet tegen gaan. De vergankelijke theaterervaring kan nooit gereproduceerd worden, maar dat is volgens Van Geusau ook helemaal niet het doel. Zij zegt dat de theatercollectie de mogelijkheid biedt om terug te kijken op wat er al gebeurd en gedaan is. Zo kunnen makers, onderzoekers en geïnteresseerden zich daardoor laten inspireren of er juist kritiek op hebben. Met behulp van de scènefoto’s, video-opnames en schriftelijke overleveringen in het archief kunnen we een beeld krijgen van het vroegere, volgens Feijnenbuik. ‘Ik denk dat heel veel mensen toch voor hun eigen ontwikkeling willen leren en dit kan door boeken, maar het kan ook door te kijken naar wat anderen doen en wat anderen in het verleden hebben gedaan. […] En ik denk dat het fijn is dat je op deze manier zo dicht mogelijk kan komen bij wat het live was.’
Tekst Hannah Born, beeld Dune Ketelaar
