Mijn kerk

Als je op weg bent naar de Obrechtkerk, qua zitplaatsen nu de grootste kerk van Amsterdam, zie je haar pas laat. Eigenlijk pas als je recht voor haar staat, in een gewone straat in Oud-Zuid, achter het Concertgebouw. Ze staat iets terug van de straat, verschuilt zich om de hoek en schenkt zo kinderen een voetbalpleintje. Als je doordeweeks komt, sta je voor een gesloten deur. Er is aan de voorgevel weinig interessants te zien. Neoromaanse stijl uit bakstenen. Een paar schilderingen in historische stijl en een aantal lege vlakken. Kom rond een mis zaterdagmiddag of zondagochtend, ook als je voor de mis niet blijft.

Meteen vallen de glas-in-loodramen op. Ze zijn in jugendstil gemaakt door Willem Mengelberg (niet de dirigent) en aangebracht in de apsis, een halve cilinder met kwart bol achterin een kerk. Links en rechts zie je kruiswegstatiën van Kees Dunselman, in historische stijl. Volgens de erfgoeddienst is dit het belangrijkste werk in de kerk. Ik zal er nog eens naar moeten kijken. Dunselman maakte ook de schilderingen in de apsis en de triomfboog en ook aan weerszijden van het koor. Het verhaal gaat dat Kees, navolger van zijn broer Jan en gearriveerd kunstenaar van gearriveerde kunst, opdracht kreeg voor het totale interieur van nieuwe katholieke kerk in de nieuwe katholieke buurt. Nadat hij vijftien jaar aan de kerk had gewerkt, kwam in 1925 een nieuwe pastoor in de parochie. Hij bracht een nieuwe opvatting. Prompt ontsloeg hij Dunselman en legde contacten met de leden van de avant-garde van de katholieke kunst van zijn tijd. De lege vlakken, gemaakt voor Dunselman, werden hen toegewezen.

Wie nu door de kerk doolt, wordt veelmaals verrast. Niet snel vind je een betere overzichtsverzameling van religieuze kunst uit die tijd. Een catalogus vind je online, en zal ik hier niet schrijven. Ik raad je wat aan: loop als je binnenkomt naar links, en aan je linkerhand vind je een kapel met een gipsen kopie van de Piëta. Dat beeld is niet spannend, maar daarachter en daarboven zie je subtiele tekeningen in blauwe lijnen. Geef je over aan het gemoed van de figuren van Otto van Rees. Draai je om en loop naar de tegenovergestelde kapel, naast het hoofdaltaar. Je ziet een Mariakapel, tweemaal opmerkelijk. Ten eerste het houten retabel – voordat ik het woord las, had ik altaarstuk gezegd – van Mari Andriessen. Ten tweede een prachtig schilderij van Maria en de Drie-eenheid van Albert Servaes aan de linkerwand. Van Albert Servaes is er ook nog een houtskooltekening van de kruisdood. Ze was te gruwelijk voor de censuur, maar de toenmalige pastoor kocht haar voor in zijn woning. Van lieverlee werd de tekening naar de sacristie verplaatst. Vraag even of je er naar binnen kunt lopen. Vraag meteen of je bij het hoogaltaar even naar de crucifix mag kijken, die zal mij altijd bijblijven. Een vijftiende-eeuws houten beeld van houtwormen vervroten. Een toch al dode Christus blaast nog zijn laatste adem uit met een kracht die het onontkoombaar maakt in te zien: het is voorbij.

Goed, mijn kerk is een museum. Maar het is ook mijn kerk. Wat wil ik daar eigenlijk mee zeggen? Ik heb het idee daar iets heel bijzonders te zeggen, maar dat valt tegen. Het is een gebouw waar mensen samenkomen die ik met veel moeite heb leren kennen, waarmee ik nu graag koffie drink. Het is een mooi gebouw, waarvan ik iedere hoek ken, omdat ik er wekelijks was en dat mijn eigen is, omdat ik er betrekking op heb zoals zo velen niet. Misschien is het toch bijzonder zo’n plek te hebben.

‘Hoe lieflijk hoe vol heilgenot // O, Heer der Legerscharen God // zijn mij uw huis en tempelzangen.’ Zo zingen de gereformeerden Psalm 84. Zo denk ik ook over mijn kerk. Het is ook Gods huis, en het zijn Gods zangen die daar klinken. De anderen en ik komen er samen voor Gods eredienst. Nu wil ik daar met heel mijn hart klein over spreken, mijzelf grootmoedig tonen in het relativeren. Dat lukt mij niet goed. Het recht komt mij niet toe er anders over te denken. De mis is wel menselijk en de ervaring is doorgaans allesbehalve transcendent. De zin van de mis is alleen dat dit menselijke samenkomen door God steeds weer gekozen wordt. Christus is gekozen, en Christus heeft ervoor gekozen om in kerk en brood Zijn lichaam te hebben, tot aan de voleinding der dingen.

Direct na de consecratie, dat is het moment waarop Christus zegt: ‘dit is Mijn lichaam’ en ‘dit is mijn bloed’, antwoordt de gemeente, Christus’ gemeenschap: ‘Wij verkondigen uw dood, en belijden … dat gij verrezen zijt’. Het is alsof de christelijke propaganda moet zijn: ‘Christus is dood! Op aarde heeft God het niet uitgehouden!’ Dat is het nieuws. Maar hier, nadat Christus zegt ‘dit is Mijn lichaam’, kan ook nog iets gezegd worden dat op zich verborgen is, dat eigenlijk alle schijn tegen zich heeft: de wereld is van Pasen niet verstoken. Christus, in wie de mensen gekozen waren om met God gelukkig te zijn, kon niet wegblijven en stond op uit de dood. Ook nu is Hij niet weg, zelfs nu Hij met Zijn Vader is gaan heersen met Hemelvaart en al tweeduizend jaar absent lijkt. ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (Matt. 28:20) Kennelijk hier, in de kerk.

Een ander woord voor de mis is eucharistieviering. Eucharistie betekent dankbetuiging. Het is een feest met dankbare stemming. Dankbaar daarvoor dat het feest juist hier is en dat Christus juist hier is in gemeenschap en brood. Een kerk is een feestzaal. Daarom is de Obrechtkerk zoals de meeste kerken een basiliek. “Basiliek” is in eerste instantie een bouwkundige term uit de oudheid voor een langwerpige ruimte die verschillende, parallelle dakdelen had, ondersteund door zuilenrijen. Omdat zo grote zalen gebouwd konden worden, werd deze vorm gebruikt voor publieke ruimten. Het geeft te denken dat juist deze vorm gekozen is voor de kerkbouw en niet de Grieks-Romeinse tempelvorm. God heeft gekozen onder mensen te zijn. Daarom moet een kerk een mensenzaal zijn. Er moeten mensen in! Die mensen komen Christus’ aanwezigheid vieren. Iedere zondag Pasen. 

Tekst Tim Smit, beeld Winonah van den Bosch

Plaats een reactie