Aan het einde van 2025 verscheen de meest besproken biografie van het jaar: Zwaag, de biografie van Joost Zwagerman door Maria Vlaar. 768 bladzijden, prachtig uitgegeven door De Arbeiderspers. Zwagerman, decennialang een van de bekendste Nederlandse auteurs, wordt door Vlaar gedetailleerd en uitvoerig beschreven, zoals het boek ook door veel kranten en zelfs door Nieuwsuur (een zeldzaamheid voor boeken) uitgebreid besproken is. De biografie riep logischerwijs veel aandacht op voor de persoon Zwagerman, maar minder voor zijn werk. Wat voor romans schreef Zwagerman?
Zwagerman schreef zes romans, waarvan de laatste (Zes sterren) dertien jaar voor zijn (tragische, zelfverkozen) dood verscheen. Gimmick! (1989) uitgezonderd las ik al zijn romans. De kwaliteit van de romans is, in mijn ogen, wisselend. De bestseller De buitenvrouw (1994) gaat over leraar Nederlands Theo Altena, die een affaire heeft met zijn zwarte collega Iris Pompier. Pompier wordt laatdunkend beschreven (‘als een exotisch voorwerp waar de glazen stolp om vandaan was gehaald verscheen zij’); Altena’s verliefdheid is voornamelijk gebaseerd op haar huidskleur. Vlaar haalt in haar biografie essayist Anil Ramdas aan, die stelt dat Pompiers kleur belangrijker is dan haar persoonlijkheid. Dat maakt De buitenvrouw een eendimensionale, haast karikaturale roman: een afrader.
Zes sterren (2002) behandelt het thema dat velen met de schrijver associëren: zelfdoding. Justus Merkelbach neemt het tijdschrift Goedemorgen over van zijn oom Siem, die een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Goedemorgen recenseert Nederlandse hotels. Het is een geestig boek, onder meer door de sterk aangezette (klein)burgerlijkheid van de Merkelbachs: ‘Voor mijn oom bleef een rit naar Winterswijk een vreugdevol avontuur. Niets kon tippen aan de vele, vele Winterswijken van ons land. Voor hem hield de wereld op na Winterswijk. Na Delfzijl, Breda, Vaals de zondvloed.’
De provinciale beschrijvingen worden afgewisseld met de rouw van Justus na de dood van zijn oom. Justus gaat in therapie om te praten over de dood ‘die zich als een teek in me leek te hebben vastgezet’ − al lijkt me dat niet de beste vergelijking, de dood trekt zich immers weinig aan van puntige pincetten. De roman probeert invoelbaar te maken hoe het is als een naaste een einde aan het leven maakt, onder andere door de gevoelens te beschrijven. Op een bladzijde expliceert Justus er een paar: ‘Ik schaamde mij’, ‘ik minachtte mezelf’, ‘ik begreep de wereld niet meer, zelfs niet meer de minuscule plek die ik in die wereld innam’, ‘in mijn verwarring’. Schaamte, minachting, onbegrip, verwarring, Justus raakt na Siems dood bedolven onder de zware gevoelens. Tegelijkertijd is het boek niet loodzwaar, door de lichtvoetige wijze waarop het hotelrecensentenbestaan wordt geportretteerd.
Zes sterren is Zwagermans favoriete roman van zijn biografe Maria Vlaar. Telefonisch vertelt ze dat de hoofdpersonages in Zwagermans werk meegroeien met de leeftijd van de auteur, met één uitzondering: Zes sterren, waarin Justus tien jaar jonger is dan Zwagerman en Siem tien jaar ouder. Beide hoofdpersonen zijn volgens Vlaar afspiegelingen van Zwagerman zelf: de jonge, ambitieuze Justus en de oudere, teleurgestelde Siem.
Mijn favoriete roman van Zwagerman is Chaos en rumoer (1997), een mening die ik, volgens de blurb op het omslag, deel met schrijver Peter Buwalda. Daarentegen maakten presentator Hanneke Groenteman en schrijver Helga Ruebsamen het boek na verschijning met de grond gelijk in zondagmiddagtalkshow De Plantage, in aanwezigheid van een achteraf furieuze Zwagerman zelf. Het staat uitgebreid beschreven in Zwaag.
Volgens Hanneke Groenteman zit het net iets anders. Per e-mail laat ze weten dat ze een ‘kritische vraag over Chaos en Rumoer [stelde] waar hij erg boos om is geworden (en tot zijn dood gebleven)’. En: ‘Ik vond zijn vorige boeken stijlvaster dan dit boek’ en ‘ik heb nu alleen maar een plezierige herinnering aan het lezen van zijn andere boeken, maar meer ook niet.’
Chaos en rumoer gaat over Otto Vallei, een in Buitenveldert woonachtige schrijver met een writer’s block, die radiopresentator wordt. Otto houdt van zijn buurt: ‘Otto zwoer bij Buitenveldert. Het was het enige deel van Amsterdam waar hij het kon uithouden. (…) Van Leijenberglaan, Van Nijenrodeweg, Kastelenstraat, het had evengoed Amersfoort of Apeldoorn kunnen zijn. Dat was het zoete geheim van Buitenveldert: het was de provincie in Amsterdam.’
De roman is een satirische schets van het literaire bestaan en het radiowezen, al is het ook gewoonweg een heerlijk portret van provinciale stedeling Otto, wiens tragiek na de veelzeggende beginzin (‘Nadat Otto Vallei zich zes maanden lang iedere dag in zijn werkkamer had opgesloten aan een roman te werken, biechtte hij zijn vrouw Karin op dat hij nauwelijks vorderingen had gemaakt’) bladzijde na bladzijde, groter en onontkoombaarder wordt. Na alle aandacht voor de persoon Joost Zwagerman zou hernieuwde aandacht voor zijn boeken ook op zijn plaats zijn.
Tekst Just Pallandt, beeld Norah Sanders
Chaos en rumoer (1997) heb ik altijd de aardigste Zwagerman gevonden, al moet ik toegeven dat daarbij de sensatielezer in mij de overhand had: gelokt door een lekkere satire op het literaire wereldje. Maar Maria Vlaar liet in haar biografie Zwaag mooi zien hoe de haat van de hoofdpersoon Otto Vallei (schrijver met writersblock en daarom nu radiopresentator) voor zijn hippe vakgenoot Waterland, uiteindelijk zelfhaat was. Dat de mannen afsplitsingen van dezelfde schrijver zijn blijkt in een geestige scène waarin zij elkaar tegemoet fietsen en zich allebei tegelijkertijd in de bosjes verschuilen, bang om de ander (en in het geval van de schrijver dus: zichzelf) onder ogen te komen. Daarbij komen dan nog zeker in retrospectief schrijnende scènes, zoals eentje waarin Otto Vallei zijn hand tegen een koud studioraam houdt, omdat hij zijn gasten een coole handdruk wil geven.
Arjen Fortuin, (boeken)redacteur NRC
