De verengelsing van de Nederlandse samenleving baart menigeen zorgen en vormt een kwestie die zo nu en dan de kop opsteekt. Verleden oktober zorgden de Engelstalige verkiezingsborden voor ‘gefronste wenkbrauwen’ (aldus de Telegraaf). Wie in de Amsterdamse horeca zijn brood verdient, zal bovendien niet zelden te maken krijgen met de trots-Hollandse klant die zijn beklag doet over het feit niet in het Nederlands uit de voeten te kunnen in menig café in de binnenstad. Maar voor doemdenken geen aanleiding, stellen kenners. Het Nederlands heeft meer sprekers dan ooit, tegen de 25 miljoen, en op de UNESCO-index die vaststelt in hoeverre een taal met uitsterven bedreigd is, scoort het Nederlands een vier of een vijf (niks aan de hand, de huiskat onder de talen). Omdat de VS sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog steeds meer in het centrum van ons culturele wereldbeeld is beland, kan wel gesteld worden dat jongere generaties vaker Engelse woorden en zinnen in hun dagelijks gebruik overnemen. Hierin zien experts echter ook geen reden tot zorgen, buitenlandse inmenging in de Nederlandse taal is immers van alle tijden – voorheen waren het Frans en Latijn de boosdoeners. In de discussie rondom de al dan niet gevaarlijke verengelsing door Amerikaanse invloed weerklinkt het verleden. Mocht het Nederlands taalgebied op de zeer lange termijn verworden tot een Engelse, zou dit in de geschiedenis geen primeur zijn. Tussen de 38e en 45e breedtegraad, aan de oostkust van wat we tegenwoordig de VS noemen, strekte zich in de zeventiende eeuw de kolonie Nieuw-Nederland uit, alwaar een mengeling van ouderwetse Nederlandse dialecten de voertaal was en het eeuwenlange avontuur van de Nederlandse taal in Amerika zijn oorsprong vond.
Het Nederlands arriveerde in de nieuwe wereld in 1609, toen de Halve Maen de Hudson op voer. Ten behoeve van de handel in beverbontjes met de oorspronkelijke bevolking werden twee forten gebouwd. Vanaf 1624 bevolkten de Nederlanders de kolonie definitief, zoals op het eiland Manhattan, dat in 1626 voor goederen ter waarde van 60 gulden werd gekocht van de Lenapestam (die echter het concept van wettelijk grondbezit waarschijnlijk niet kende). Op dit eiland verrees de bedrijvige haven Nieuw-Amsterdam, de hoofdstad van de kolonie. Naast inheemsen, waar de Nederlanders mee handelden, maar ook enkele oorlogen mee voerden, hadden de Nederlanders de Engelsen als buren. De belendende kolonie Nieuw-Engeland groeide sneller dan Nieuw-Nederland en had in 1650 zo’n vijftigduizend inwoners, terwijl Nieuw-Nederland onder de zevenduizend bleef. In 1664 namen de Engelsen Nieuw-Nederland over, wat leidde tot de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. Bij vredesoverleg in 1667 werd besloten dat beide partijen mochten houden wat ze van elkaar hadden afgepakt; Nieuw-Nederland werd van Engeland en Suriname van Nederland. Hier was Nederland niet enorm om betreurd, want door overbejaging waren de begeerde bevervachten, die Nieuw-Nederlands grootste inkomstenbron waren, tot een schaarser goed geworden.
Het Nederlands in de Nieuwe Wereld
Het Nederlands dat achterbleef in Amerika nadat de kolonie ophield te bestaan, wordt Leeg Duits genoemd, een vreemde verbastering van het Engelse Low Dutch (ter onderscheid van High Dutch, het Duits). Vele duizenden Nederlandssprekenden woonden in Nieuw-Amsterdam, maar toen de stad onder Engels bewind viel en tot New York werd gedoopt, werd een deel van hen waarschijnlijk gedwongen het binnenland in te trekken. In gebieden rond de Hudsonrivier, de Dutch Belt, vormden zich homogene gemeenschappen van elk enkele duizenden sprekers van het Leeg Duits.
Het Leeg Duits was een spreektaal, die invloeden had meegekregen van allerlei dialecten uit de Lage Landen, van Vlaanderen tot Friesland, maar het meest weghad van het zeventiende-eeuwse Amsterdams. In de Nederduits Gereformeerde Kerk, die zich ten tijde van de kolonisatie in Amerika had gevestigd, werd gebruikgemaakt van een archaïsche, geformaliseerde versie van het Nederlands: het Nederduits. Gedurende de achttiende eeuw had het Leeg Duits nog vele duizenden sprekers en werd het Nederduits gesproken in de vanuit Amsterdam bestuurde kerk. Kinderen werden in het Nederduits onderwezen en wie zich bij de Gereformeerde Kerk wilde aansluiten, diende deze taal te leren.
De positie van het Nederlands in de Engelse kolonie was aanvankelijk dus vrij sterk. Verspreid over de Dutch Belt genoot het Nederlands tientallen duizenden sprekers. In de steden Kingston en Albany was in de tweede helft van de achttiende eeuw het Nederlands nog in de meerderheid en was het de taal van het stadsbestuur. In de stad New York was destijds een derde de taal machtig, op Long Island werd tot aan de onafhankelijkheid het stadsarchief in het Nederlands bijgehouden. Rond 1790 bereikte het Nederlands in Amerika zijn hoogtepunt; naar schatting bevonden zich 100.000 sprekers in de staten New York en New Jersey.
Verdwijning en mythe
Met de Amerikaanse onafhankelijkheid van het Britse Rijk werd de teloorgang van het Nederlands in Amerika ingezet. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog diende men Engels te spreken om op de hoogte te blijven en hadden de Nederlandstalige regio’s hevig onder oorlogsgeweld geleden. Toen de onafhankelijkheid eenmaal een feit was, stond alles in het teken van eendracht bij de opbouw van de nieuwe natie. Veel stedelijke Nederlanders schoven eigen taal en cultuur terzijde en sloten zich bij de Amerikanen aan. In de jonge VS zorgden centrale wetgeving, treinverkeer, en industriële handel tevens voor meer contact tussen gemeenschappen. Beheersing van het Engels was noodzakelijk om mee te draaien in de maatschappij. In een vacature voor tolwachters uit 1807 staat vermeld: ‘No Dutchman need apply unless he is pretty well Yankeyfied!’
Gedurende de negentiende eeuw werd het Nederlands drastisch teruggedrongen. Slechts in Bergen County in New Jersey en de Mohawkvallei in New York bleven kleine kernen van Nederlandssprekenden over. Het is bekend dat de Tawl (andere benaming voor het Leeg Duits, afgeleid van ‘taal’) in deze gemeenschappen zelfs tot in de eenentwintigste eeuw werd gesproken – hoewel de laatste sprekers ervan ergens in de loop van deze eeuw stierven. Amerikaans-Nederland als verdwijnende oude taal en cultuur sprak tot de verbeelding. Schrijver Washington Irving mythologiseerde de Nederlandse wortels van New York in de beroemde verhalen Rip Van Winkle (1819) en The Legend of Sleepy Hollow (1820). Rond 1900 heerste er in New York een zekere Hollandmanie; omdat de Nederlanders als de aristocratische stichters van de metropool werden gezien, werd alles dat Nederlands was zeer stijlvol gevonden en verheerlijkt. Vanwege de associatie van het Nederlands met het Duits (beide stonden reeds lang bekend als Dutch in de VS), nam het Nederlands tijdens de Eerste Wereldoorlog in aanzien af. Mede hierdoor gingen gemeenschappen van Vlaamse, Hollandse, en Friese immigranten uit de negentiende eeuw, die vluchtend voor hongersnood in de Lage Landen in Michigan en Iowa waren neergestreken, ook op het Engels over (dit had er bovendien mee te maken dat zij na verloop van tijd hoogopgeleid werden en daardoor in de Engelstalige samenleving integreerden).
Erfenis van naam en woord
Tijdens de paar eeuwen dat het Nederlands een aanwezigheid had in Amerika, heeft het Amerikaans-Engels talloze Nederlandse invloeden ondergaan. In velerlei domeinen hebben Nederlandse woorden het Amerikaanse vocabulaire verrijkt. Enkele noemenswaardige Amerikaanse woorden uit het Nederlands:
- Eten: coleslaw, cookie, smearcase, advocaat, waffle
- Persoonsaanduidingen: boss, filibuster (vrijbuiter), scout (schout), Yankee (Jan-Kees)
- Landschap: bush (in de zin van woud, niet van struik), clove, dorp
- Commercie: bakery, printery, dollar (daler/daalder), brewery (misschien eerst in het Brits-Engels bekend)
- Overig: spook, pinky, Santa Claus, sleigh, skate, overslaugh (overslaan)
Veel plaatsnamen in het noordoosten van de VS zijn tevens van Nederlandse komaf. Bekende voorbeelden zijn plekken in New York City genaamd Brooklyn, Harlem, Flushing (Vlissingen), Staten Island (ter ere van de Staten-Generaal), en Coney Island (konijneneiland). Buiten New York City zijn plekken te vinden met de namen als Kikeout (kijkuit), Middleburgh, Bergen, Dunderberg (donderberg), Boght, en Bombay Hook (boompjeshoek). Verder zijn ook Nederlandse achternamen terug te vinden onder de Amerikanen, zoals DeWitt, Roosevelt, Vanderbilt, Van Buren, en Van Cortlandt. Ten tijde van de eerdergenoemde Hollandmanie genoten dit soort namen veel aanzien.
Interessant is bovendien dat veel Nederlandse woorden zijn overgenomen in talen van de oorspronkelijke bewoners van Amerika, zoals in het Munsee, Unami, en Mahican. Het gaat hier om woorden voor zaken die zij niet kenden voor de komst van Europeanen. Een kleine greep: fles, kan, kist, hamer, kip (inheemsen zijn zelfs bekend met de lokroep kipkip), kalkoen, varken, schaap, koe, pond, stuiver, zilver, gulden, hemd, broek, lezen, papier, viool, en mondharp.
Conclusie
Wat valt er uit de geschiedenis van het Nederlands in Amerika af te leiden? Wellicht dat het Nederlands lang heeft kunnen overleven in de Nieuwe Wereld, en zelfs even heeft kunnen floreren, omdat het gebruik ervan door onderwijs, religie, en gemeenschap werd gewaarborgd. De integratie met de Engelssprekende Amerikanen geschiedde in de tijd dat de VS als natiestaat verrees. Men verhield zich niet meer zo tot de gemeenschap en meer tot de natie, die met collectieve identiteitsvorming bezig was.
In het hedendaagse, seculiere Nederland is het Engels de taal van de (internationale) commercie en de entertainment (grotendeels), maar in het onderwijs en de gemeenschap is het gebruik van het Nederlands gewaarborgd. ‘s Lands deelname aan de Engelstalige wereldeconomie en de grootschalige import van Amerikaanse cultuur vormen stromingen die het Nederlands ondermijnen, zoals het Amerikaans-nationalistische eenheidsideaal in de VS van de achttiende en negentiende eeuw het Nederlands in de Dutch Belt deed tanen. Niettemin is het nog maar de vraag of deze invloeden op de lange termijn sterk genoeg zullen blijken om het Nederlands van de troon te stoten in de Lage Landen. Wellicht dat de Angelsaksische dominantie over z’n hoogtepunt heen is, dat over een paar eeuwen een Mandarijn- of Russischsprekende Amsterdammer zich over P.C. Hooft, Multatuli, en Rutger Bregman buigt met archeologische fascinatie.
Bron
Van der Sijs, N. Yankees, cookies en dollars: De invloed van het Nederlands op de Noord-Amerikaansetalen. Amsterdam University Press. 2009.
Tekst Riem Smakman, beeld Lesine Möricke
