Het weleer lonkt. Het verleden is altijd aantrekkelijk. In het Bijbelboek Prediker, geschreven in de derde of tweede eeuw voor Christus, werd al gewaarschuwd voor vroeger-was-alles-beter-denken (7:10). Het verleden is een tijd zonder onze problemen, en blijft vaak zonder eigen problemen over. ‘Vroeger’ heeft geen toekomst, zo ook geen angst. In de voorgeschiedenis projecteren we het voorbeeld van alles, daarom begrijpen we er alles. Het verleden is een mooie tijd.
Dat verleden dat om onze terugkeer roept, is inderdaad een illusie. Maar de geschiedenis is wel erg dienstig. Het helpt ons het heden te reconstrueren, helpt ons te begrijpen wat de andere mensen herinneren en er is altijd een moraal van het verhaal. Het verleden is ook zo’n heerlijke bron van menselijkheden, een oneindige put vol roddels en nieuwtjes. Maar wat gaat ons de geschiedenis eigenlijk aan? Het nu gaat ons wat aan, nu zijn wij en nu beslissen wij. De geschiedenis dragen we wel mee, maar ze heeft niet het laatste woord en het volgende woord komt nu. Als er dan een God voor ons is, moet Hij er vandaag en morgen zijn, want de geschiedenis is voorbij. God moet een God van de levenden zijn (Matt. 22:32). In een God van vroeger kun je net zomin geloven als dat je taart kunt eten met Marie Antoinette – Behalve als geloven in God hetzelfde is als geloven in Marie Antoinette.
Het is dan wel schrikken dat God zich in een geschiedenisboek openbaart. Dat is namelijk wat de Bijbel vooral is, of voor de preciezen onder ons: een verzameling van met name geschiedenisboeken. Natuurlijk is er van sommige teksten te zeggen dat het eigenlijk niet als geschiedenis bedoeld is. Het boek Job is bijvoorbeeld eerder het script van een toneelstuk. Daarnaast voldoen de teksten meestal niet aan moderne standaarden voor de historische wetenschap. Maar het is zeker niet te ontkennen dat het de Bijbel er wel om te doen is een geschiedenis te vertellen. Zo lezen we bijvoorbeeld in het Bijbelboek Deuteronomium, het laatste boek van de Torah, het volgende:
‘Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen en inzettingen en rechten, die de HEERE onze God ulieden geboden heeft?, Zo zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren Farao’s dienstknechten in Egypte, maar de HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd.’ (Deut. 6:20-21)
Als je zoon vraagt wat de wetten van God zijn, met andere woorden ‘Wat moet ik in dit ogenblik doen?’, moet je hem een hoogst frustrerend antwoord geven. Het gaat eerst om geschiedenis. Dat mag ook wel steen des aanstoots zijn voor diegenen die de Bijbel al te vlug als bron van ethiek en politiek willen gebruiken. Ethiek en politiek zijn wel van belang, maar die wil God pas geven als je je verhoudt tot een geschiedenis. En dat is überhaupt niet makkelijk. De Schriftgeleerden en Farizeeën baseerden enerzijds hun uitverkoren status op hun afkomst van de oude Israëlieten, anderzijds beweerden zij dat zij het heus beter zouden doen dan hun voorvaderen. Jezus zegt tegen hen: ‘Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen die de profeten gedood hebben.’ (Matth. 23:31)
Het probleem van historische Godsopenbaring is in ieder geval niet te overwinnen door het primaat van geschiedenis eenvoudig tegen te spreken. Er zijn wel niet-historische boeken in de Bijbel, bijvoorbeeld de wijsheidsliteratuur, wetteksten en brieven, maar het is beslist niet makkelijker te zeggen hoe God zich zou openbaren in een verzameling wijsheden dan hoe hij zich openbaart in een volksgeschiedenis. Die vraag is misschien wel veel moeilijker. Een boek als Prediker kun je helemaal uit het Bijbelse verband rukken, en het nog heel wijs vinden, wat is daar nu voor goddelijks aan? Daarnaast zijn ook die boeken niet los te zien van de Bijbelse geschiedenis. Om de Bijbel als Godsopenbaring te begrijpen, moeten we eerst begrijpen wat het betekent dat God zich in een geschiedenis openbaart. Wat is dit voor een geschiedenis als ze ons wel wat aangaat?
Het geloof dat de grond van onze hoop en liefde is, is in Jezus Christus. Dat wil zeggen: God laat zich kennen in Jezus Christus en met het geloof in Jezus geloven we ook in God, omdat Jezus het Woord is waarmee God ooit sprak: ‘er zij licht’. Maar ook Jezus Christus is geschiedenis. De probleemstelling is daarmee niet omzeild, maar juist op de spits gedreven, omdat God hier, in deze geschiedenis, voor eens en voor altijd openbaar moet zijn: ‘Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten; nu, aan het einde van de tijd, heeft Hij tot ons gesproken door zijn Zoon, Hij straalt Gods luister uit, Hij is zijn evenbeeld, met zijn machtig woord draagt Hij alles wat bestaat.’ (Hebr. 1:1,3)
Maar wat is geloven in Jezus Christus? Debatten over geloof in Jezus Christus gaan vooral over de feitelijkheid van zijn bestaan, zijn doen en laten. Met name wordt hier veel gesproken over zijn opstanding. Dit zijn volstrekt vruchteloze debatten. Geschiedenis gaat namelijk niet over het verleden, maar over de materialen die nu voor onze neus liggen, de status quo van het heelal. De geschiedkundige vraagt zich af hoe die dingen zo geworden zijn en gebruikt wetmatigheden om een verleden te simuleren. Als het materiaal hetzelfde is, kun je alleen maar twisten over de wetmatigheid. In het debat over of Jezus uit de dood is opgestaan, wordt dus getwist over of het mogelijk is dat Jezus uit de doden is opgestaan, maar dat valt alleen maar af te leiden uit het feit. Hier zijn alleen maar cirkelredeneringen mogelijk.
Die debatten zijn niet alleen vruchteloos, maar gaan ook volledig voorbij aan wat het betekent om gelovige in Jezus Christus te zijn. ‘Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven’ (Rom. 6:8) Geloven in Jezus is gestorven zijn met Christus, Zijn dood is onze dood. Zijn geschiedenis, is onze geschiedenis, wat over hem verteld wordt, wordt over ons verteld. Bekering betekent precies dat wij eerst onze eigen geschiedenis hadden, en nu een andere geschiedenis krijgen. Een nieuwe waarheid van ons bestaan, van ons leven.
‘Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden.’ (Hebr. 2:17) Hij heeft een menselijk leven aangenomen, een menselijke geschiedenis. Dat wil zeggen dat hij van onze geschiedenis de zijne heeft gemaakt, en daarmee is ze geen onbegrijpelijke opvolging van gebeurtenissen meer. De geschiedenis van zijn lijf, wordt de geschiedenis van degenen die in hem zijn ingelijfd. Onze nieuwe geschiedenis is heilsgeschiedenis geworden, een geschiedenis van genezing. Ons leven is een gebeurtenis waarin God iets dat niet voldoet volmaakt. Desalniettemin verzucht Paulus: ‘Maar ik zie een andere wet in mijn leden.’ (Rom. 7:23) Onze oude geschiedenis blijft nog aan ons kleven, en is vaak het beste zichtbaar.
Daarin verschilt Christus ook van ons; in hem was er geen andere geschiedenis dan heilsgeschiedenis. ‘Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.’ (Hebr. 4:15) Als Christus niet zonder zonde was geweest, als aan hem ook die andere geschiedenis van de mensen zichtbaar was, was voor ons de heilsgeschiedenis helemaal niet zichtbaar. Zo is het gesteld met de andere middelaars van Gods heil, die moeten ook voor zichzelf offeren en aan henzelf is het daarmee niet te danken dat God werkt, zij beantwoorden alleen een roep om iets te zijn wat ze zelf niet zijn: heilsmiddelaren. (Hebr. 5:3-4)
In het tweede deel van het Bijbelboek Jesaja wordt er in vier gedichten verteld van een dienaar van de Heer, een man van smarten. Hij is de uitverkorene van de Heer, de rechtvaardige, maar hij wordt veracht en vervolgd en hij verzet zich niet. De joodse interpretatie van dit vers betrekt het op het joodse volk, dat uitverkoren wordt door God, maar aan alle kanten te lijden heeft. In het Bijbelboek Handelingen, daarentegen, lezen we over een eunuch uit Ethiopië, die vlak na de dood en opstanding van Jezus op bedevaart was in Jeruzalem. Hij leest op de terugweg, hardop zoals iedereen toen, uit deze gedichten over de man van smarten. Philippus, een apostel, hoort uit de wagen van de Ethiopiër de woorden van Jesaja en vraagt aan de eunuch of hij begrijpt wat hij leest. Hij antwoordt van niet. Volgens Philippus gaat de tekst over Jezus, is Jezus de man van smarten. (Hand 8:26-40) Philippus’ uitleg is geen weerlegging van de gangbare Joodse uitleg, het gaat er juist om dat wat van het Joodse volk, als Gods volk geldt, in eerste instantie van Jezus geldt. Dat deze ene tekst over Jezus en Gods volk gaat, laat juist zien dat het verhaal van Gods volk en het verhaal van Jezus in de kern hetzelfde zijn. Voor Gods volk, toen en nu, is er maar één geschiedenis die er werkelijk toe doet: de heilsgeschiedenis, het verwachten, ontvangen en herinneren van Gods heil. Onze eigen geschiedenis is dus niet bepalend; het gaat er niet om wiens kinderen wij zijn. Gelukkig maar, want onze ouders hebben de profeten gedood.
Dat betekent niet dat we de hele Bijbel mogen vergeten omdat we de samenvatting hebben ontvangen in Jezus Christus. Vrijwel alles wat we weten over Jezus komt uit de evangeliën, en die zijn nu juist een poging om vanuit het Oude Testament Jezus te begrijpen en zijn leven uit te leggen. De geschiedenis van Jezus wordt uitgelegd in het Oude Testament, in de geschiedenis van Gods volk, en moet daarom nog steeds worden uitgelegd in het leven van Gods volk, zijn kerk.
Voor Bijbelinterpretatie betekent dit dat het er in eerste instantie om moet gaan wat er gebeurt. Dat de Bijbel zegt geschiedenis te zijn, moet gerespecteerd worden. De uitlegger mag de geschiedenis eenvoudig herhalen, hervertellen. Hierbij mogen en moeten ook de inzichten gebruikt worden die de moderne geschiedkunde en andere wetenschappen kunnen bieden, maar dat moet niet verhullen dat het de Bijbel erom te doen is te laten zien hoe de geschiedenissen van deze mensen en van Zijn volk ook heilsgeschiedenissen zijn. Daarmee zijn ook al deze geschiedenissen de geschiedenis van Jezus Christus en ook onze geschiedenis. Over wie het gaat en wanneer het speelt is ambigu.
De geschiedenissen die we lezen gaan ons dus wat aan, omdat ze ook over ons gaan, omdat het onze heilsgeschiedenis is. De Bijbelse obsessie met de geschiedenis heeft niets te maken met de illusie dat het toen beter was. Kerkvader Augustinus zegt zelfs dat de Bijbel geschreven is om ons te troosten: toen was het ook slecht. De Bijbelse geschiedenis gaat ons wat aan omdat er daar steeds ook een andere geschiedenis is, de geschiedenis van bevrijding door Christus. En in het licht van die geschiedenis verdampen alle illusies over het vermeende weleer en het toneel van het nu.
Tekst Tim Smit, beeld Dune Ketelaar
