Een euthanasiecabine in Wassenaar

Tot mijn vijftiende woonde ik in Amsterdam-Zuid, Buitenveldert, onder de aanvliegroute van Schiphol. Mijn vader deed jarenlang boodschappen bij de supermarkt om de hoek, de ALDI. Iedere week struinde hij langs de ellenlange rijen kartonnen dozen, vriesvakken en gigantische metalen kratten met pakjes shag. Als ik hem vroeg waarom hij niet naar de C1000 ging of de Albert Heijn, antwoordde hij steevast: ‘Daar is de gerookte zalm minder goed.’

Drie huizen naast me woonde mijn Duitse buurjongen Vincent. Ik mocht hem niet, al heeft hij dat nooit helemaal begrepen. Bijna elke dag belde hij bij me aan om te vragen of ik met hem wilde spelen. Maar zoals de Duitse filosoof Immanuel Kant ooit schreef dat we niet weten of er ooit een zuiver goede daad heeft plaatsgevonden, zo gold dat ook voor Vincent. Bij nader inzien kwam hij niet voor míj, maar uitsluitend voor mijn Wii. Als ik dat destijds had geweten, had ik de Wii dezelfde dag nog uit het raam gemieterd. Want – voor de goede orde – zo leuk was het niet om elke dag weer te moeten onderduiken als de bel ging. ‘De geschiedenis herhaalt zich niet, maar rijmt’, zoals mijn geschiedenisdocent het later zou verwoorden. 

Als ik mijn ouders vroeg of ze met mij en mijn broer en zus naar het plaatselijke zwembad De Meerkamp wilden, trokken beiden wit weg. We gingen zelden naar dat chloorresort, laat staan Walibi of de Efteling. Als het tijd was voor amusement, reisden we af naar het Spoorwegmuseum of Oud Valkeveen, een keurig ‘attractiepark’ voor de beschaafde middenmoot. Een soort D66 onder de attractieparken. Ik ben niets tekortgekomen. Althans, dat dacht ik, tot voor kort. Wat niet weet, wat niet deert. Maar net zoals de waarheid volgens Tante Cor uit Gooische Vrouwen korte pootjes heeft, geldt hetzelfde voor onwetendheid. 

Afgelopen maand, op een druilerige namiddag, ging voor mij een nieuwe wereld open. Terwijl Marco Borsato zijn aanklacht voor ontucht met een minderjarige in de rechtbank aanhoorde, arriveerde ik voor het eerst in het Tikibad in Wassenaar, het waterpretpark van ongekende orde. Een vriend van mij was er al zeven keer geweest en wist dus aardig de weg. In een recordtempo loodste hij mij dan ook door de eenentwintig glijbanen met namen als Cycloon, Triton en Flits. Het Tikibad beschrijft haar glijbanen als ‘hoog, lang, snel, tollend’. Een understatement als je het mij vraagt. Zeker wat betreft de X-stream, het absolute hoogtepunt. De attractie, een cabine met een valluik, lijkt van buiten sprekend op de recent ontwikkelde euthanasiecabine uit Zwitserland. Maar in plaats van op te stijgen naar de hemel, val je na drie seconden in een gat van zeven meter. Nog sneller dan het zetelverlies van NSC word je vervolgens door een kolkende massa van water naar beneden gezogen. 

Toen G.W.F Hegel in zijn boek Fenomenologie van de Geest schreef over de universele doodervaring, was hij zijn tijd ver vooruit. Toen hij sprak over de ‘fear of death’, had hij het eigenlijk over de X-stream van het Tikibad. Er is een tijd voor en een tijd na de X-stream. 

Vanaf het balkon in de kantine keek ik uit over de eenentwintig glijbanen en dacht na over mijn leven tot nu toe. Ik was niet langer een Havist uit Buitenveldert, maar inmiddels ook een kenner van Tante Cor, Immanuel Kant en de X-stream. Wat dat betreft voelde ik voor het eerst iets van binding met Vincent. Ik was, net zoals de betekenis van zijn naam in het Latijn, een overwinnaar. 

Tekst Noam Grünfeld, beeld Lesine Möricke

Plaats een reactie