Beroepskluizenaar Buwalda en zijn nieuwste roman: De jaknikker

Op de laatste donderdag van de zomer loop ik langs de Foodhallen. Het is lawaaierig, toeristisch, het stinkt, het is duur. Als het levenslicht dooft en ik in een op maat ontworpen hel stap, zal het er zo uitzien, maar dan zonder eten en drinken. Wat verderop staat een slungelige schrijver achter stapels boeken. Zijn naam: Peter Buwalda, bekend van de bestseller Bonita Avenue. Merkwaardige plek voor een signeersessie, vlak voor een spijkerbroekenwinkel. Als Eva Jinek (waarvoor evenveel animo lijkt te zijn als voor Buwalda) in de rij verschijnt, snap ik de locatie: de schrijver is kort daarvoor op de treurbuis geweest om zijn nieuwe roman De jaknikker te promoten. 

In het interview met Jinek beweert Buwalda dat hij een jaar lang achttien uur per dag aan zijn roman gewerkt heeft. Vraagtekens plaatste de presentatrice hier niet bij. Achttien uur per dag, op z’n zachtst gezegd monnikenwerk, al lijkt het mij dat termen als overdreven, twijfelachtig en dubieus meer van toepassing zijn. Tenzij de beroepskluizenaar (dixit Buwalda) het bakken van een ei en het opmaken van zijn bed ook beschouwt als werken aan zijn roman, maar dan ken ik wel meer mensen die al een jaar lang achttien uur per dag aan hun roman werken. 

Naast Buwalda staat een boekhandelaar, die aan een medewerker van De Bezige Bij vraagt of ‘Eva’ het boek moet betalen. Het is een tekenend voorbeeld van het tanende boekenvak in Nederland; een televisiepresentatrice die voor meer dan een miljoen mensen aandacht besteedt aan een roman en daarna niet vanzelfsprekend het desbetreffende boek meekrijgt. Overigens zegt de medewerker van de uitgeverij vervolgens natuurlijk nee, hoeft niet, Jinek blij naar huis, dikke roman mee, cadeaupapier eromheen en dat scheelt weer een bezoek aan de boekhandel rondom de feestdagen. In tegenstelling tot Jinek kreeg Babel ondanks herhaaldelijke verzoeken geen gratis exemplaar, wegens ‘een beperkt aantal exemplaren beschikbaar voor deze titel’. Opvallend, want een week later prijkt het boek op de vierde plek van de Bestseller 60. 

Buwalda en de boekhandelaar staan voor twee edities van De jaknikker, een met zachte rug (35 euro) en een met harde rug (45 euro, vijf-en-veer-tig, forty five, quarante cinq, cuarenta y cinco). Geen goedkope aangelegenheid, al is het boek ook volumineus: 688 pagina’s om precies te zijn. Buwalda’s collega Jamal Ouariachi schreef vorig jaar in een opinie-artikel in NRC over de prijs van boeken: “Mijn bijna zeshonderd pagina’s tellende roman Een honger gaat voor 29,99 euro over de toonbank. Duur? Je bent er nogal wat uren zoet mee, en als het een werkelijk indringende leeservaring blijkt te zijn, kun je er een leven lang op teren. Daar mag best wat geld tegenover staan.” Prima punt van Ouariachi, maar is De jaknikker die “werkelijk indringende leeservaring”?

Danny Ilegems prees Buwalda in De Morgen als de ‘sterrenchef onder de Nederlandse schrijvers’ en: ‘e]lk boek is een smaakbom’. Laat dat voorop staan: de stijl van Buwalda is virtuoos, heerlijk, lekker. Een alinea waar een personage zijn ogen dicht doet, pent Buwalda als volgt neer:

‘Hij sluit zijn ogen, even rustig. Hij probeert de stilte van de nachtelijke compound gewaar te worden – maar hij hoort hard gekletter. Schrikbeelden van lawaai en geweld bezoeken hem de laatste tijd, virtuele terreur, gegenereerd door zijn zenuwstelsel, voorhamers waarmee op muren wordt gebeukt, exploderende cv-ketels, vuurwerkbommen.’ Uit het raampje kijken in het vliegtuig is bij Buwalda: ‘Moeten ze niet eens landen? Met zijn neus kinderlijk tegen het raampje gedrukt, staart hij de diepte in. Vage lappen grond rond een plas van staal, waarschijnlijk een binnenzee ter grootte van Nederland; als kind voelde hij fascinatie voor de afmetingen van Rusland, in de atlas leek het land op een reuzenhaai die Europa ging opvreten.’

Dan, het verhaal in een notendop. De jaknikker is een vervolg op Otmars zonen, dat draaide om pianist Dolf Appelqvist en stiefbroer Dolf Smit, wiens naam verandert in Ludwig Smit uit praktische overwegingen. Shell-medewerker Ludwig Smit is op het eiland Sachalin, in het uiterste oosten van Rusland, waar zijn biologische vader Johan Tromp, onwetend van het feit dat Ludwig zijn zoon is, chef is bij Sakhalin Energy. Onderzoeksjournalist Isabelle Orthel, die eerder een SM-verhouding had met Tromp in Nigeria, wandelt ook rond in de Russische kou en dreigt te onthullen dat Tromp een ontvoering in Nigeria had kunnen voorkomen, maar dat willens en wetens niet heeft gedaan. Dan is er nog een Beethoven-sonate die Appelqvist heeft gevonden en een prominente rol speelt. Buwalda jongleert met vele ballen en houdt ze wonderwel allemaal in de lucht. 

Otmars zonen werd omschreven als ‘geweldig meeslepend’ en ’technisch verbluffend’ (NRC), ‘een meesterwerk’ (Groene Amsterdammer) en als ‘plankgasproza’ (De Volkskrant), waarbij wel de kritische noot gekraakt werd dat het boek ‘soms uit de bocht vliegt’. Om de autometafoor voort te zetten: De jaknikker vliegt niet uit de bocht, maar rijdt met volle vaart de verkeerde afslag op, alsof je onderweg bent naar de Veluwe en plots met een rotvaart Almere nadert. 

Op pagina 456 verandert de typografie in het boek en zijn de letters dikgedrukt. Tel Otmars zonen daarbij op en je bent dus al ruim duizend bladzijden onderweg – geen bescheiden rit. Mooi is dat, mijn exemplaar is niet goed gedrukt, misschien kan ik met een bonnetje nog naar de boekhandel. 

Wat blijkt? Al het voorgaande was een roman (hè hè) geschreven door een personage dat nu haar intrede zal doen en de dikgedrukte letters bevatten het echte verhaal. Er is sprake van een zogeheten droste-effect, De jaknikker is een roman-in-een-roman. Zo’n truc kan werken, maar dat is hier niet het geval. Omdat Buwalda zo laat in zijn duologie het gehele verhaal op z’n kop zet, voelt het flauw en beoogt de verandering in de roman niet het gewenste effect, wat dat effect ook moge zijn. 

Het is een gedurfde keuze van de schrijver. Dat dient gezegd te worden, het vergt lef om niet braafjes het verhaal te vervolgen maar de roman een flinke slinger te geven. Het zorgt er echter wel voor dat de ruim tweehonderd, grotendeels dikgedrukte bladzijden – dat krijgt de lezer ook nog voorgeschoteld, afwisseling tussen de dikke en dunne letters, tussen de roman en de roman-in-de-roman, lekker meta – die nog volgen een flinke worsteling voor de lezer zijn. Waar ik met flinke vaart en veel genoegen alles las tot de plottwist, legde ik daarna de roman steeds vaker en sneller weg, en las ik de roman met grotere tussenpozen. 

De laatste tweehonderd bladzijden zijn de personages in De jaknikker simpelweg niet boeiend. Ze lijken sterk op de personages van de duizend bladzijden daarvoor, maar hebben een iets andere naam, vergelijkbare problemen en net wat andere levensloop. Een incestueuze relatie tussen broer en zus die samen een dochter krijgen – is het dan zowel je dochter als je nicht? – kan er ook nog wel bij. Medeleven met en interesse in deze personages ontbreekt bij mij, omdat ik de voorkeur geef aan de figuren waar ik al die bladzijden over gelezen heb, niet aan deze look-a-likes. Alsof er in deel zes van Harry Potter een bebrilde puber de film inloopt die Barry Lotter heet en vanaf dan het toverstokje in handen neemt. Zo werkt het niet. 

Om nog wat positiefs te noemen: ook in de laatste tweehonderd bladzijden heeft Buwalda prettige zinnen als ‘levens zijn slecht geplotte romans’ (in de context van de roman wel mooi, zo losstaand lijkt het ook wel geplukt van een tegel te verkijgen bij de Xenos) en ‘Diamonds hartverwarmende interesse voor intieme herinneringen, voor de ornamenten ervan; of het versleten vloermatten waren, te korte douchegordijnen, de tafelmanieren van elkaar beloerende stiefkinderen, voor alles toonde ze een belangstelling die me nu pas misselijk maakt.’

In een uitgebreide recensie in De reactor stelt Lodewijk Verduin dat Buwalda ‘het domein van de klassieke verhalende roman achter zich heeft gelaten en een ander type schrijven is gaan beoefenen: het bouwen en onuitputtelijk herscheppen van een hoogsteigen universum’ en dat dat voor de lezer in dit geval ‘vlees noch vis’ is. Daar sluit ik me bij aan. Omdat Buwalda’s universum hoogsteigen is, is het ook volstrekt ontoegankelijk. ‘Vernietigende zelfsabotage’ is de sticker die Charlotte Remarque in De Groene Amsterdammer op de roman plakt. Noem het hoe je het wil noemen. ‘Sterrenchef’ Buwalda had het menu beter kunnen inkorten.  

Tekst Just Pallandt, beeld Ieke Meijer

Plaats een reactie