Tekst door Just Pallandt, beeld door Lesine Möricke
Hoeveel uren van mijn leven heb ik gekeken naar oninteressante vakantiefoto’s, glazen alcohol en inwisselbare restaurantborden van mensen die ik amper of zelfs niet ken? Tientallen, honderden, duizenden zelfs? Al meer dan een decennium zit ik op Instagram en op wat uitzonderingen na is het allemaal weggegooide tijd geweest. Tijd die ik scrollend, swipend, likend, volgend, klikkend heb weggemikt.
Deze gedachte kwelde me soms. Ik besprak het met vrienden, zonder dat ik iets ondernam om minder tijd op die stomme app door te brengen. Ik was iemand die dieetplannen doornam terwijl ik mijn frietje door de mayonaise haalde. Alles veranderde toen ik mijn collega’s met bakstenen op het werk zag komen. Ze haalden die joekels uit hun zakken, met een camera, zaklamp, touchscreen en USB-C-aansluiting.
Het is een lelijke, zware, oncharmante klaptelefoon met ouderwetse harde knoppen. Een vadsige telefoon waar je niet mee gezien wil worden. Precies wat ik nodig had om van mijn telefoonverslaving af te komen. De telefoon heeft als iedere andere smartphone een appstore. Je kunt gewoon WhatsApp downloaden, al is het de vraag of het niet beter is om die app minder tot niet te gebruiken, nu de eigenaar van die app openlijk aan de kant van Donald Trump staat. Zoals bekend is diezelfde eigenaar ook de baas van het eerder aangehaalde Instagram.
De Canadese journalist Naomi Klein schrijft in haar fascinerende essayboek Doppelganger dat het een illusie is dat mensen direct contact met elkaar hebben via een smartphone. Zij schrijft dat je contact hebt met je smartphone en dat een ander ook weer contact heeft met zijn eigen smartphone. De smartphone brengt ons niet dichter bij elkaar, maar drijft ons uiteen.
Terug naar de baksteen. Ik wilde dat ding zoals ik nog nooit eerder iets of iemand gewild had. Online was hij overal uitverkocht. Het was niet geheel duidelijk of dat kwam doordat die telefoon zo razend populair was of omdat de telefoon in een kleine oplage gefabriceerd is. Ik vermoed het laatste, omdat ik de baksteen zelden zag. Een van mijn collega’s, een gelukkig baksteenbezitter, tipte me dat de GSM King op de Javastraat nog een exemplaar had liggen. Die vele, ietwat obscure telefoonreparatiewinkels in de stad, ik heb me vaak afgevraagd wie daar nou naartoe gaat: ik dus. Die vele, ietwat obscure telefoonwinkels in de stad, ik heb me vaak afgevraagd waar die nou goed voor zijn: hiervoor dus.
Twee weken later ging ik naar de mooiste plek van Nederland: De Kuip. Ik dacht aan de tekst van een van die vele Feyenoordliedjes: De duizend lampen van het Feyenoord-stadion. Vier reuzen, elk een goliat. Als de hoeders van de stad. Symbolen voor het hele legioen. Al neuriënd voelde ik nog even de angst dat mijn baksteen eruit zou worden gehaald bij het fouilleren, maar dat gebeurde niet.
De Italianen waren helaas beter en wonnen met 0-2. De meeste dromen zijn bedrog, maar als ik in de Kuip sta, dan droom ik nog. In de rust, het was pas 0-1, de genadeklap moest nog uitgedeeld worden, keek ik om me heen naar de groep met wie ik naar het stadion was gekomen, naar andere Feyenoordfans. Ik wilde vragen hoe die Italianen na een kans scoorden, terwijl wij al die corners hadden gehad, maar iedereen zat op zijn telefoon.
Ik kon alles doen wat zij deden: appen, scrollen, het nieuws lezen. Ik hield mijn baksteen in mijn zak en dacht aan Maurice Maillot, de hoofdpersoon van Charlotte Mutsaers’ Koetsier Herfst, die verliefd wordt op zijn telefoon, een Nokia. Maillot roept in de roman vaak Jorma Ollila aan, de voormalige CEO van Nokia, om de liefde voor zijn Nokia te getuigen. Is niet iedereen een beetje verliefd op zijn telefoon en social media? De hele dag aandacht geven en na eventjes geen aandacht mis je ‘m al. Het liefst heb je ‘m of in je hand of dicht bij je geslachtsdelen. Mijn baksteen, mijn muze.
