Met de verbeelding op de foto

Tekst door Jiske Benedictus

Toen de fotografie in de jaren 30 van de negentiende eeuw werd uitgevonden, was de technologie in de ogen van het publiek bijna magisch: nooit eerder was het mogelijk geweest in zo’n korte tijd de wereld zo accuraat vast te leggen. Fotografen keken met hun camera’s echter al snel verder dan de zichtbare werkelijkheid. Met foto’s van elfjes en geesten werd niet alleen het medium zelf, maar ook de onderwerpen die ermee werden vastgelegd, wonderbaarlijk gemaakt.

Frances Griffiths was tien jaar oud toen ze voor het eerst een elfje zag.  ‘I saw a small man standing on a branch, with the stem of a leaf in his hand. […] He was dressed all in green.’ Het was de zomer van 1917: op het Europese continent waren de loopgraven inmiddels diep ingesleten, de hoop op home before Christmas al jaren vervlogen, maar in het Noord-Engelse dorpje Cottingley bestond nog een kleine oase van sprookjes en fantasie. Frances en haar zes jaar oudere nichtje Elsie Wright speelden elke dag in de vallei achter Elsies huis, waar een klein beekje stroomde en de elfjes, zo beweerden de meisjes, regelmatig hun gezicht lieten zien. Hun ouders geloofden er niets van; die vroegen zich vooral af waarom de meisjes in hemelsnaam zo vaak zeiknat en vies thuiskwamen, en moesten van smoesjes over elfjes niks horen. Op een zaterdagmiddag in juli ontfutselden de meisjes daarom de camera van Elsies vader, wandelden naar de beek, en keerden een uurtje later terug met onomstotelijk bewijs: een foto van Frances, haar blik dromerig in de lens gericht, en op het mos vóór haar vier dansende elfjes.

De ouders van de meisjes waren niet overtuigd. In september maakten Elsie en Frances nog een foto, ditmaal van Elsie met een dansende gnoom, maar met het voorbijgaan van de zomer zouden ook de foto’s in een la verdwijnen en de elfjes min of meer vergeten worden. Althans, tot 1920. Dat was het jaar dat de foto’s via via in handen kwamen van Arthur Conan Doyle (ja, die van de Sherlock Holmes-boeken). De auteur was altijd uitgesproken geweest over zijn geloof in geesten, elfjes en andere bovennatuurlijke zaken. Voor hem waren de foto’s koren op de molen: hier, onbetwistbaar vastgelegd door een camera, was het bewijs voor al zijn overtuigingen. Voor de kersteditie van The Strand Magazine van 1920 schreef Doyle een artikel over de foto’s met de intrigerende titel Fairies photographed! An epoch-making event. Zo kwamen Frances en Elsie plotseling terecht in een wervelstorm aan belangstelling en aandacht. Talloze fotografen en journalisten reisden af naar Cottingley om de meisjes te ondervragen en, wellicht, zelf ook een elfenplaatje te kunnen schieten.

Het is niet vreemd dat zoveel mensen in de ban raakten van de foto’s. Fotografie was nog een relatief nieuwe technologie – de werking ervan was voor veel mensen een mysterie, en had daardoor een magisch randje. Bovendien werd in de voorgaande eeuw de grens tussen  natuurlijk en bovennatuurlijk voortdurend opnieuw getekend: door nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, zoals de ontdekking van atomen of de uitvinding van de telegraaf, was het idee van onzichtbare krachten en stoffen plotseling niet meer zo onvoorstelbaar. Het bestaan van elfjes, en de mogelijkheid om ze met een foto vast te leggen, was daarom niet zo vergezocht. Met röntgenfoto’s was het nu ook plotseling mogelijk om de binnenkant van het eigen lichaam te zien – was het dan zo’n heel grote denkstap om te geloven dat een camera ook andere, voor het blote oog onzichtbare dingen kon openbaren?

Nergens anders komt dit beter naar voren dan in de spirit photography, een vorm van fotografie die in de jaren 1860 in de Verenigde Staten was ontstaan. In de spirit photography-studio’s die als paddenstoelen uit de grond schoten, konden mensen poseren voor een foto met een overleden dierbare, of – in enkele gevallen – met historische figuren als Jeanne d’Arc of Abraham Lincoln. In de tijd van de Amerikaanse Burgeroorlog, waarin veel mensen rouwden om gesneuvelde dierbaren, kon dit een bron van troost bieden. Ook eind jaren 1910, toen de dodelijke one-two-punch van de Eerste Wereldoorlog en de Spaanse griep haar klappen uitdeelde, grepen veel rouwenden terug op de spirit photography. Het gaf hun de indruk dat de doden zich ook in het hiernamaals nog over hen ontfermden, zoals op de foto’s een hand op de schouder konden leggen om je aan vast te klampen.

De populariteit van de spirit photography en de elfjes van Cottingley laten zien dat de fotografie zich in de eerste decennia na haar uitvinding op een uniek kruispunt bevond: tussen werkelijkheid en fantasie, het tastbare en de verbeelding. Bij een schilderij was iedereen zich bewust van de vertekenende hand van de kunstenaar, maar de lens van de camera werd gezien als de ultieme neutrale waarnemer, in staat om de realiteit volstrekt objectief vast te leggen. Alles wat de camera vastlegde was waar – ook als dit dingen waren die voorheen tot het rijk van de verbeelding waren verbannen, zoals elfjes en geesten. 

Helaas was dit vertrouwen volkomen misplaatst: fotografen konden zich bedienen van talloze technieken om hun foto’s te manipuleren, de kijker te bedriegen en misleiden. Om de illusie van een geest te creëren hadden fotografen meerdere trucjes: door de lange sluitertijd kon een extra persoon bijvoorbeeld voor korte tijd in het kader stappen, zodat diens afdruk op de plaat wazig zou blijven, of de ‘geest’ kon eerst op een aparte foto worden vastgelegd, waarna de plaat werd hergebruikt voor het fotograferen van de levende. Het feit dat deze technieken bestonden en werden gebruikt was geen groot geheim – regelmatig werden spirit photographers door sceptische journalisten ontmaskerd als fraudeurs. 

Alles wat de camera vastlegde was waar – ook als dit dingen waren die voorheen tot het rijk van de verbeelding waren verbannen, zoals elfjes en geesten

Met de foefjes van de spirit photography in het achterhoofd werd ook over de elfjes van Cottingley in veel kranten wantrouwend geschreven. In literair tijdschrift John O’London’s Weekly schreef auteur Maurice Hewlett: ‘[…] knowing children, and knowing that Sir Arthur Conan Doyle has legs, I decide that [Miss Wright and Miss Griffiths] have pulled one of them.’ Het vermoeden dat de meisjes gebruik hadden gemaakt van fotografische trucjes bleek echter onjuist: na grondige inspectie door een aantal fotografie-experts werd vastgesteld dat er aan de foto’s zelf geen enkel spoor van double exposure of ander gerommel aan de platen te zien was. Voor de experts hoefde dat nog niet te betekenen dat de elfjes op de foto’s ook daadwerkelijk bestonden: ‘after all, as fairies couldn’t be true, the photographs must have been faked somehow.

De experts hadden gelijk. De elfjes waren tekeningen, door Elsie overgetrokken uit een kinderboek, ingekleurd met waterverf en in het bos geplaatst met spelden. In een interview met een journalist in 1983 gaf Frances, inmiddels een vrouw van 75, toe: ‘I don’t see how people could believe they’re real fairies. I could see the backs of them and the hatpins when the photo was being taken…’ Veel mensen die waren overtuigd door de foto’s, wezen naar de wazige randjes van de elfjes, volgens hen een teken dat ze tijdens het maken van de foto hadden bewogen, maar de meisjes wisten wel beter: het was gewoon het papier dat bewoog in de wind.

Maar waar de spirit photographs en de foto’s van Elsie en Frances wellicht niet een waarheidsgetrouwe opname van de werkelijkheid waren, wisten ze wel iets anders te vangen: de verbeelding. Wat voorheen alleen in het hoofd had bestaan, werd nu tastbaar – en daarmee waar. De mogelijkheid dat een overleden dierbare nog altijd vlakbij was, nog altijd over de rouwenden waakte, kon nu fysiek worden vastgelegd. Het schimmige gezicht van een oma, zus of echtgenoot kon een vorm van erkenning zijn, de herinnering vereeuwigd. 

Het schimmige gezicht van een oma, zus of echtgenoot kon een vorm van erkenning zijn, de herinnering vereeuwigd

Ook Elsie en Frances, toen ze die zomer van 1917 vastberaden met een camera naar de beek liepen, waren op zoek naar erkenning. Hun foto’s waren nooit bedoeld om de hele wereld voor de gek te houden en te overtuigen van het bestaan van elfjes; het was simpelweg een poging van twee jonge meisjes om hun fantasie tastbaar te maken, om hun ouders te laten geloven in de wereld waar zij zoveel tijd doorbrachten. Het feit dat de foto’s door zoveel mensen voor waar werden aangenomen was een uitdrukking van hetzelfde verlangen. Mensen die toch al in elfjes geloofden – zoals Arthur Conan Doyle – grepen de foto’s met beide handen aan, dankbaar voor zo’n schijnbaar onweerlegbaar bewijs voor hun ideeën. Dit bleek ook toen de foto’s in de jaren 20 werden gebruikt in een reeks colleges van Edward Gardner, een goede bekende van Arthur Conan Doyle en net als Doyle heilig overtuigd van het bestaan van geesten en elfjes. De colleges van Gardner trokken veel publiek: grote aantallen mensen trokken naar de collegezaal, allemaal nieuwsgierig naar de beroemde foto’s. Tussen dat publiek bevonden zich verschillende mensen die claimden dat ze in hun jeugd, of zelfs nu nog, regelmatig elfjes hadden gezien. Voor hen waren de foto’s evenveel bevestiging als voor de meisjes zelf. Het is dus nog maar de vraag of het eigenlijk wel zo erg is dat de spirit photographs en de foto’s van Frances en Elsie niet ‘echt’ waren. Ze waren dan wel geen waarheidsgetrouwe weergave van de werkelijkheid, maar in de handen van mensen die wilden geloven, van rouwende familieleden, jonge meisjes of publiek dat zelf ook ooit kind was geweest, was dat helemaal niet zo belangrijk. Voor hen waren de foto’s echt genoeg – want ze waren de gewaarwording van dat wat zij geloofden, en dat was minstens evenveel waard.

Plaats een reactie