De wereld bestaat uit rancune

Tekst door Sybren Sybesma, beeld door Bert Slenders

In 1937 publiceerde Menno ter Braak een vlammend betoog tegen het nationaalsocialisme, dat toen ook in Nederland hoogtij vierde. Het is nu 87 jaar later. Menno ter Braak is door het grote publiek vrijwel vergeten, maar de analyse die hij toen in dat essay van de samenleving maakte, is nog hoogst actueel.

In 2019 bracht Uitgeverij Van Oorschot het essay Het nationaalsocialisme als rancuneleer opnieuw op de markt, met een inleiding van Bas Heijne. In 2022 werd hetzelfde boekje, dus inclusief inleiding, nogmaals uitgebracht, maar nu door Uitgeverij Prometheus. Het essay stond toen zelfs 3 weken in de bestsellerlijsten. Hoewel er dus veel aandacht voor is geweest, wil ik het er toch nog een keer over hebben: in gesprekken met vrienden en gelijkgestemden kreeg ik niet de indruk dat veel van onze generatiegenoten van het bestaan van dit essay op de hoogte zijn.

Menno ter Braak was een van de toonaangevende intellectuelen van het interbellum. Hij was een van de oprichters van het vermaarde literaire tijdschrift Forum en tevens was hij een invloedrijk literair criticus (3 van de 7 delen van zijn verzameld werk zijn gewijd aan zijn recensies). Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 14 mei 1940, besloot Ter Braak uit het leven te stappen. Onder het juk van de Nazi’s wilde hij niet leven.

Voor ik begin, wil ik nog een belangrijk punt aansnijden: in het essay heeft Menno ter Braak het veelvuldig over de NSB, de NSDAP en Hitler. Het is voor hem de aankleding van zijn analyse; het zijn de voorbeelden die hij gebruikt. Ik wil zijn analyse belichten en als ik daarvoor naar de politieke situatie nú grijp en partijen of groepen bij de naam noem, is het absoluut niet mijn bedoeling om deze of gene gelijk te stellen aan de NSB, de NSDAP of Hitler.

Een paar dagen na de laatste verkiezingen stond ik op een avond met een aantal vrienden te discussiëren over de verkiezingsuitslag. ‘Ja, die PVV-stemmers,’ zei een van hen, ‘dat zijn gewoon idioten, daar komt natuurlijk geen regering uit.’

Op dezelfde manier begint Menno ter Braak zijn essay. Hij haalt een gesprek aan dat hij had met een voormalig diplomaat. De diplomaat meent dat het nationaalsocialisme een ‘troepje raté’s’ is en daarom geen gevaar vormt voor Nederland, waarbij ‘raté’ ‘mislukkeling’ betekent. Dit wegzetten komt me bekend voor. Deden we niet hetzelfde met de ‘coronawappies’? En met FvD-stemmers? En vaccinatieweigeraars? Ter Braak slaat er ook op aan en stelt de scherpe vraag: ‘maar hoe sterk is dat troepje?’ Hij schrijft dat het deze ‘fatale nonchalance’ is van de intellectuelen, dit ‘zalige vertrouwen’ dat je niet bij die groep hoort en dat het wel voorbij zal gaan, die maakt dat diezelfde intellectuelen niet actief in verzet komen tegen het groepje zogenaamde mislukkelingen.

Ter Braak analyseert verder en betoogt dat het nationaalsocialisme is voortgekomen uit rancune (haatgevoel). Hij schrijft dat rancune een essentieel verschijnsel is van onze cultuur, onze democratie, omdat wij vanuit een gelijkheidsideaal denken. Als iemand gelijk wil zijn aan iemand anders terwijl hij dat nog niet is, dan vinden wij dat gelijkheidsstreven rechtvaardig. De paradox is echter dat de meerbedeelden de minderbedeelden in de praktijk vaak niet helpen bij hun gelijkheidsstreven. Hierdoor ontstaat er rancune jegens de mensen die meer bezitten dan een ander. Deze rancune zie je tegenwoordig nog steeds overal terug: de woede tegen de ‘elite’, tegen asielzoekers (omdat zij een huis toegewezen krijgen terwijl jij nog op de wachtlijst voor de sociale huur staat), tegen mensen die racisme in de samenleving ontkennen.

Deze rancune vormt het hart van Ter Braaks analyse. Deze rancune, deze haat, is waar het nationaalsocialisme uit is voortgekomen, schrijft Ter Braak. Hij stelt ook dat het bij het nationaalsocialisme nergens anders om gaat. De ongelijkheidsleuzen van het socialisme, het liberalisme en de democratie ontbreken. Het gaat alleen om het haten. Haat om de haat. Het is de pure rancune. Feiten zijn irrelevant voor nationaalsocialisten en wat ze zeggen gaat ‘zo nodig dwars tegen algemeen erkende feiten in.’ Hij lacht dan ook om de critici die in nationaalsocialistische geschriften en uitspraken zoeken naar iets van waarheid, logica of een wetenschappelijke onderbouwing. Het gaat de nationaalsocialisten helemaal niet om waarheid of logica, het gaat hen om de haat alleen. Het is een ‘oppositie uit principe’. Een beroep op waarheid, op ‘factchecken’ zoals we nu zouden zeggen, heeft dan ook geen nut. Feiten zijn niets anders dan een ‘materiaal ter ordening in de ressentimentshiërarchie’, waarbij de ressentimentshiërarchie bestaat uit twee kampen: de hatende en de gehate partij. Nationaalsocialisten gebruiken feiten slechts wanneer het hen uitkomt, bijvoorbeeld om de andere partij er zo haatbaar mogelijk uit te laten zien. Wie ‘naar korreltjes “waarheid” gaat speuren, komt bij voorbaat bedrogen uit.’

Het nationaalsocialisme komt voort uit die rancune die onze democratie eigen is, uit allen tegen allen: rijken tegen armen en armen tegen rijken, middenstanders tegen beiden, enzovoorts. Omdat het nationaalsocialisme uit allen tegen allen is ontstaan, meent Ter Braak dat het daardoor ook potentieel geschikt is voor iedereen. Ter Braak specificeert het ‘iedereen’ verder. Hij betoogt dat het gaat om mensen die ‘genoeg beschaving’ hebben om ‘geen analfabeten’ te zijn: je moet nu eenmaal wel een pamfletje kunnen lezen en je moet weten wie de Germanen waren of wie Piet Hein was. En hij gaat nog een stapje verder. Hij stelt dat het mensen zijn die ‘door alle zegeningen van de democratie’ naar school zijn gegaan en daar de ‘beschaving als vanzelfsprekend (als recht dus) opgediend hebben gekregen’, maar het niet erg vinden om met een simplisme genoegen te nemen; Ter Braak haalt zelf het toen veel gebruikte simplisme ‘Mussert of Moskou’ aan, waarbij de realiteit zo wordt versimpeld dat het lijkt alsof die alleen bestaat uit die keuze: als je niet voor Mussert kiest, dan komt Moskou (en met Moskou bedoelden ze toen het communisme). Het zijn dus mensen die hebben leren lezen en iets van de geschiedenis afweten (de ‘beschaving’ waar Ter Braak het over had), maar die elk simplisme aannemen. De term die Ter Braak voor dat soort mensen heeft gemunt is ‘halfbeschaving’: een – en hier interpreteer ik – gebrek aan intellectuele interesse en nieuwsgierigheid voor al dan niet politieke uitspraken van mensen; het klakkeloos aannemen van een uitspraak (zoals de leus ‘Mussert of Moskou’), zonder je ook maar een moment af te vragen of deze echt klopt (is het echt zo dat Moskou hier voor de poorten staat als ik niet voor Mussert kies?). Het nationaalsocialisme heeft volgens Ter Braak potentieel een enorme aantrekkingskracht op dat soort mensen. 

Die halfbeschaving is volgens Ter Braak zeer belangrijk, omdat deze volgens hem een voorwaarde is voor de rancune waar het nationaalsocialisme op drijft en er tevens voor zorgt dat alle lagen van de bevolking samen kunnen komen in een beweging.

Een samenleving vol rancune; rancune die onze samenleving vormt. Het nationaalsocialisme is al vele jaren ter ziele, maar de analyse die Ter Braak van de samenleving maakte, blijft verrassend actueel: ook nu heerst de rancune. Blijkbaar is de samenleving in negentig jaar niet veel veranderd. Dit was een korte samenvatting van het essay uit 1937. Er staat uiteraard veel meer in de eigenlijke tekst en bovendien weidt Ter Braak bij elk punt verder uit. De volledige tekst staat in de DBNL en een e-boek van de heruitgave van Prometheus (met de inleiding van Bas Heijne) is ook nog te koop.

Het essay is schandalig onbekend. Het spreekt tot ons, nu nog, in deze prachtige, razende wereld. Wat kan ik nog meer zeggen om het essay gelezen te laten worden?

Plaats een reactie